|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:1503 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | C/08/330482 / HA ZA 25-94 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Bij tussenvonnis is Torque in de gelegenheid gesteld om haar als derde-beslagene gedane verklaring nader te staven met stukken. De rechtbank zal hierna uitleggen dat Torque met de stukken die zij heeft overgelegd en de toelichting die zij heeft gegeven haar verklaring voldoende heeft gestaafd met gegevens en bescheiden. Wel is de rechtbank van oordeel dat het bedrag dat Torque per maand aan eiseres moet betalen op grond van artikel 479a Rv op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Partijen mogen zich uitlaten over de hoogte van die redelijke vergoeding en over de looptijd daarvan. | | Trefwoorden | : | aanmerkelijk belang | | | arbeidsovereenkomst | | | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/330482 / HA ZA 25-94
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.J. Welvering,
tegen
TORQUE LETSELSCHADE ADVOCATUUR + ADVIES B.V.,
te Leeuwarden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Torque,
advocaat: mr. J. Faas.
1Samenvatting
Bij tussenvonnis is Torque in de gelegenheid gesteld om haar als derde-beslagene gedane verklaring nader te staven met stukken. De rechtbank zal hierna uitleggen dat Torque met de stukken die zij heeft overgelegd en de toelichting die zij heeft gegeven haar verklaring voldoende heeft gestaafd met gegevens en bescheiden. Wel is de rechtbank van oordeel dat het bedrag dat Torque per maand aan [eiseres] moet betalen op grond van artikel 479a Rv op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Partijen mogen zich uitlaten over de hoogte van die redelijke vergoeding en over de looptijd daarvan. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 september 2025,- de akte met productie 4 tot en met 6 van Torque,
- de akte uitlaten met bijlage 1 en 2 van Torque,
- de antwoordakte uitlaten van [eiseres] ,
- de antwoordakte met productie 16 tot en met 18 van [eiseres] ,
- de akte uitlating producties van Torque.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De verdere beoordeling
De akte
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de akte met producties 4 tot en met 6 van Torque niet op de roldatum waarop de zaak stond van 1 oktober 2025 is ontvangen door de rechtbank. De akte van Torque is de dag erna per post ontvangen. [eiseres] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de (on)toelaatbaarheid van de akte. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in dit geval onvoldoende grond om de akte te weigeren. Torque heeft de akte tijdig op 30 september 2025 per e-mail verzonden aan de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Bij die rechtbank was deze zaak eerst in behandeling. Daarbij heeft Torque gelijktijdig de akte aan [eiseres] toegezonden, zodat aangenomen kan worden dat [eiseres] niet in haar belangen is geschaad. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank de akte toegelaten, zodat deze hierna in de beoordeling zal worden meegenomen.
Na tussenvonnis
3.2.
Bij tussenvonnis is Torque in de gelegenheid gesteld om haar als derde-beslagene gedane verklaring nader te staven met stukken waaruit het door [naam] ontvangen maandinkomen volgt in het kader van haar verzwaarde motiveringsplicht.
3.3.
In deze procedure staat de vraag centraal of de verklaring van Torque in het kader van het derdenbeslag afdoende is geweest en of van het door Torque gehanteerde loon kan worden uitgegaan.
Primair: 477a lid 1 Rv
3.4.
[eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat Torque met de overgelegde stukken haar verklaring nog steeds niet met voldoende gegevens en bescheiden heeft gestaafd en dat Torque daarom moet worden veroordeeld tot betaling van het heel verschuldigde bedrag. Volgens [eiseres] had Torque de daadwerkelijke loonbetalingen van Torque aan [naam] en loonaangiftes van januari tot en met augustus 2024 moeten overleggen. Daarnaast heeft Torque volgens [eiseres] niet aangetoond op basis van welke inkomensgegevens vanuit Torque [naam] een hypothecaire lening van ruim € 1.200.000,00 heeft kunnen verkrijgen in verband met een door [naam] op 27 maart 2025 in eigendom verkregen woning. Dat maakt dat haar primaire vordering toewijsbaar is, aldus [eiseres] .
3.5.
Hierin volgt de rechtbank [eiseres] niet. Dat Torque niet alle door [eiseres] gevraagde stukken in het geding heeft gebracht neemt niet weg dat Torque wel nadere stukken heeft overgelegd die zien op het maandinkomen van [naam] . Het gaat om de loonaangifte over december 2024, de jaarrekening van Torque over 2024 en de aangifte IB van [naam] over 2024. Ook heeft Torque in haar akte toegelicht dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is en er geen stukken aan het UWV zijn gezonden. Gelet op deze nadere stukken kan niet worden geoordeeld dat de verklaring van Torque moet worden gelijk gesteld aan het niet afleggen van een verklaring. De primaire vordering van [eiseres] op grond van artikel 477a lid 1 Rv wordt dan ook afgewezen.
Subsidiair: 477a lid 2 jo 479a Rv
3.6.
[eiseres] betwist subsidiair de juistheid van de verklaring van Torque op grond van artikel 477a lid 2 Rv. Allereerst vordert [eiseres] dat Torque alsnog een gerechtelijke verklaring aflegt. De door Torque afgelegde verklaring die zij in deze procedure heeft herhaald, met de nadere toelichting en stukken zoals hiervoor omschreven, geldt naar het oordeel van de rechtbank als een gerechtelijke verklaring van Torque. Dat betekent dat dit gedeelte van de vordering ook niet toewijsbaar is.
3.7.
De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. Vast staat dat er op het moment van beslaglegging op 2 september 2024 een rechtsverhouding bestond tussen Torque en [naam] uit hoofde van een arbeidsovereenkomst. Het gaat in dit geval alleen om een loonvordering. Uit de jaarrekening van Torque over 2024 blijkt dat de salarissen en sociale lasten € 37.461,00 bedroegen en dat [naam] op dat moment de enige werknemer was. Dit bedrag komt overeen met het bruto bedrag van € 3.121,77 per maand op de loonstroken. Ook het in de aangifte IB van [naam] over 2024 genoemde bedrag aan jaarloon van € 56.000,00 komt overeen met de loonstroken. Deze stukken bevestigen dat Torque en [naam] het salaris hebben vastgesteld op een bedrag van € 3.121,77. Voor het verstrekken van andere stukken over 2024 zoals door [eiseres] is verzocht, ziet de rechtbank dan ook geen termen aanwezig. Hoewel [eiseres] vraagtekens heeft gezet bij de stukken van Torque die volgens haar na het beslag zijn opgemaakt, stelt de rechtbank vast dat Torque wel stukken heeft overgelegd ter staving van het door haar opgegeven maandloon van [naam] in 2024. Daarmee heeft Torque haar verklaring voldoende gestaafd.
3.8.
Vervolgens vordert [eiseres] in dit kader dat de rechtbank op grond van artikel 479a Rv vaststelt welk bedrag Torque maandelijks moet betalen. [eiseres] stelt dat het salaris van [naam] lijkt te zijn verlaagd naar aanleiding van de beslaglegging. Zo zijn de loonstroken vanaf januari tot en met september 2024 in dezelfde ‘run’ opgemaakt. Gelet op het ‘run-nummer 9’, kennelijk na het door [eiseres] onder Torque gelegde beslag. Ook de aangifte IB is opgemaakt na het beslag en het daarin genoemde jaarloon hoeft volgens [eiseres] niet te betekenen dat voor het beslag al een lager maandloon had te gelden. Verder betoogt [eiseres] dat er tussen partijen geen discussie bestaat dat er op 11 juli 2023 sprake was van een inkomen van € 8.045,00 bruto per maand. Op 17 september 2024 heeft de deurwaarder berekend dat dit bedrag ook nog gold in periode van 1 mei 2024 tot en met 31 juli 2024. Volgens [eiseres] heeft Torque dit onvoldoende ontzenuwd. Daarom moet uitgegaan worden van een bedrag van € 2.670,00 per maand dat moet worden afgedragen, aldus [eiseres] . Hieraan legt [eiseres] mede ten grondslag dat uit de cijfers en stukken niet volgt dat er een aanleiding was om het loon ten opzichte van 2023 aanzienlijk te verlagen. Ook blijkt volgens [eiseres] uit de stukken dat [naam] zijn vaste lasten en levenswijze kan voldoen uit Torque. Het kan volgens [eiseres] daarom niet zo zijn dat er een boekhoudkundig laag inkomen wordt gehanteerd terwijl [naam] als directeur grootaandeelhouder en daarna nog steeds hetzelfde werk doet, waardoor [eiseres] achter het net vist. [eiseres] heeft gesteld dat zij niet inziet waarom de redelijke vergoeding lager moet zijn dan het door haar deurwaarder gehanteerde bedrag van € 8.045,00 bruto per maand.
3.9.
Torque heeft betwist dat zij gehouden is om op grond van artikel 479a Rv een hogere vergoeding te betalen. Volgens Torque is er geen situatie dat een lage beloning wordt verstrekt in ruil voor het kosteloos aanbieden van kost en onderdak, zoals die voor ogen stond in de parlementaire geschiedenis. [naam] heeft naast het inkomen bij Torque nog andere inkomstenbronnen, zoals het dividend bij Torque en het aanmerkelijk belang uit PER B.V., een andere B.V. van [naam], aldus Torque.
3.10.
Voor het antwoord op de vraag of het door Torque met [naam] afgesproken salaris onevenredig laag is in de zin van artikel 479a Rv moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, in het bijzonder de aard van de verrichte werkzaamheden of diensten, de betrekking van verwantschap of van andere aard tussen de schuldenaar en de derde en de financiële draagkracht van de derde. Torque is een advocatenkantoor. [naam] is advocaat en directeur en enig aandeelhouder van Torque. Gelet op het voorgaande kan als vaststaand worden aangenomen dat Torque het loon van [naam] op enig moment in 2024 heeft verlaagd naar het minimale DGA-loon zoals dat ook is opgenomen in de salarisstroken over 2024. Dat is een bruto maandsalaris van € 3.121,77. Na aftrek van de belasting en sociale lasten en de beslagvrije voet, resteert in het kader van het beslag een bedrag van € 32,33. Partijen verschillen nog van mening over het moment van verlagen van het loon en de hoogte van het daarvoor in 2023 gehanteerde maandloon. Volgens [eiseres] is het loon vlak na de beslaglegging verlaagd, terwijl Torque betoogt dat dit lagere loon over heel 2024 gold. In 2023 en begin 2024 ontving [naam] volgens [eiseres] een maandsalaris van € 8.045,00 bruto, terwijl [naam] stelt dat hij in 2023 een maandsalaris ontving van € 6.500,00 bruto. Tussen partijen staat wel vast dat [naam] ook na de salarisverlaging in 2024 en de beslaglegging grotendeels via Torque in zijn levensonderhoud is blijven voorzien. Torque heeft toegelicht dat het verschil tussen het door [eiseres] gestelde salaris van € 8.045,00 en het lagere salaris op de salarisstroken uit 2024 kan worden verklaard door het inkomen uit aanmerkelijk belang dat [naam] over 2024 heeft ontvangen. Blijkens de aangifte IB gaat dat om een bedrag van € 55.000,00 in 2024 aldus Torque. Torque heeft toegelicht dat [naam] zijn privé-uitgaven in 2024 mede hiervan heeft kunnen voldoen. Uitgaande van de stellingen van Torque voorziet [naam] in zijn levensonderhoud door het lagere salaris en het inkomen uit aanmerkelijk belang daar waar hij eerder een hoger salaris ontving. Tussen partijen staat vast dat de dividenduitkeringen niet onder dit derdenbeslag vallen. [eiseres] verbindt mede hieraan de conclusie dat [naam] ondanks de salarisverlaging op eenzelfde wijze in zijn levensonderhoud is blijven voorzien via Torque na de beslaglegging. Volgens [eiseres] rechtvaardigt deze situatie de conclusie dat Torque het salaris van [naam] over 2024 te laag heeft vastgesteld en dat op grond van artikel 479a Rv fictief een hoger salaris moet worden vastgesteld. De rechtbank volgt [eiseres] hierin. [eiseres] heeft namelijk gemotiveerd toegelicht dat er vanuit Torque bezien geen financiële aanleiding was om het salaris van 2023 te verlagen in 2024. Dit wordt bevestigd door de jaarrekening en informatie van de hypotheekadviseur van [naam] . Torque heeft deze stellingen onvoldoende gemotiveerd weersproken en geen onderbouwde verklaring gegeven voor de salarisverlaging. Torque heeft in de conclusie van antwoord weliswaar gesteld dat het salaris werd verlaagd omdat de resultaten in 2023 tegenvielen, maar dit strookt niet met de stukken die zijn overgelegd. De hypotheekadviseur spreekt over ‘redelijke forse prognoses over 2023’ en de netto-omzet van Torque is volgens [eiseres] gelet op de jaarrekening over 2024 bijna gelijk aan 2023. Dit terwijl ten aanzien van 2023 uit de stukken geen dividend blijkt en in 2024 een bedrag van € 150.000,00 aan uit te keren dividend is gereserveerd in de jaarrekening. Bovendien heeft Torque niet weersproken dat de werkzaamheden van [naam] in 2024 hetzelfde waren ten opzichte van 2023, zodat de rechtbank er ook van uit gaat dat [naam] zijn werkzaamheden voor Torque onveranderd heeft voortgezet. De rechtbank volgt [eiseres] gelet hierop in haar stelling dat Torque een onevenredig lage vergoeding aan [naam] heeft betaald in de zin van artikel 479a Rv.
3.11.
Vervolgens moet worden beoordeeld van welke redelijke vergoeding op grond van artikel 479a Rv moet worden uitgegaan en over welke periode. Gelet op het voorgaande kan voor de periode van september 2024 tot 1 juli 2025 voor het bepalen van de redelijke vergoeding mede aansluiting worden gezocht bij het loon over 2023, nu de werkzaamheden van [naam] in die periode niet zijn gewijzigd en ook anderszins niet is gebleken van redenen om het loon in 2024 ten opzichte van 2023 te verlagen. Torque had tot 1 juli 2025 een arbeidsovereenkomst met [naam] . Tussen partijen is echter in geschil wat het loon in 2023 is geweest. [eiseres] heeft onder verwijzing naar de toelichting van de deurwaarder op grond van informatie bij de Belastingdienst toegelicht dat het salaris in 2023 € 8.045,00 bruto per maand bedroeg. Volgens Torque bedroeg het maandloon in 2023 € 6.500,00 bruto per maand. Om meer inzage te krijgen in het loon over 2023, wordt Torque opgedragen het in 2023 betaalde maandloon nader te onderbouwen door bijvoorbeeld de overboekingen van de netto-bedragen aan [naam] te onderbouwen en loonstroken uit 2023 over te leggen nu alleen Torque over die informatie beschikt.
3.12.
Vervolgens verschillen partijen van mening over de vraag over welke periode Torque het fictieve loon in de zin van artikel 479a Rv moet afdragen aan [eiseres] . Torque heeft in de antwoordakte van 1 oktober 2025 toegelicht dat [naam] per 1 juli 2025 niet meer in loondienst is bij Torque, maar vanwege bedrijfseconomische redenen vanaf dat moment bij de holding in loondienst is. [eiseres] betoogt in reactie daarop in haar akte van 12 november 2025 dat Torque het fictieve loon onder het derdenbeslag desondanks moet afdragen tot het moment dat de vordering van [eiseres] op [naam] helemaal is voldaan. Volgens [eiseres] heeft [naam] zijn werkzaamheden voor Torque onverminderd voortgezet in de periode na 1 juli 2025, ook al is hij vanaf dat moment formeel in dienst getreden bij de holding. Torque heeft op dit nieuwe standpunt nog niet kunnen reageren, nu deze stelling niet was gebaseerd op een productie en Torque in reactie op deze akte zich alleen heeft uitgelaten over de producties. Daarom is dit debat nog niet volledig gevoerd. Partijen mogen zich nader uitlaten over de (rechts)verhouding tussen Torque en [naam] vanaf 1 juli 2025, de aard en omvang van de werkzaamheden die [naam] vanaf die periode voor Torque verricht en de eventueel in die periode te hanteren redelijke vergoeding.
3.13.
Partijen mogen zich dus uitlaten over de vraag wat een redelijke vergoeding is in de zin van artikel 479a Rv gelet op de voortgezette werkzaamheden en het loon uit 2023, over welke periode een fictief loon gehanteerd moet worden en welk bedrag vervolgens moet worden afgedragen. Partijen moeten daarbij afzonderlijk ingaan op de periode tot 1 juli 2025 en op de periode daarna. Partijen krijgen de gelegenheid zich hier in een akte over uit te laten op een termijn van twee weken. Vervolgens wordt de zaak verwezen naar de rol voor een antwoordakte aan de zijde van beide partijen, zodat het debat over de vergoeding ex artikel 479a Rv kan worden afgerond.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 1 april 2026 voor een akte aan de zijde van beide partijen zodat zij zich kunnen uitlaten over hetgeen in rechtsoverwegingen 3.11-3.13 is overwogen. Vervolgens wordt de zaak op een termijn van twee weken daarna verwezen naar de rol voor een antwoordakte aan de zijde van beide partijen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken door mr. J.N. Bartels op 18 maart 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|