|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:1709 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | AK_25_3451 en AK_25_3452 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | AIO, ingangsdatum. Geen procesbelang in het beroep tegen de verlening van een voorschot op de AIO-uitkering. Ten aanzien van de definitieve AIO-uitkering heeft de SVB terecht 20 mei 2025 als ingangsdatum gehanteerd. | | Trefwoorden | : | aow | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/3451 ZWO 25/3452
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. E. Schriemer),
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een voorschot op de AIO-uitkering en de definitieve toekenning van de AIO-uitkering met ingang van 20 mei 2025. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft in het beroep tegen de verlening van het voorschot op de AIO-uitkering. Dat beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van de definitieve toekenning van de AIO-uitkering komt de rechtbank tot het oordeel dat de SVB terecht 20 mei 2025 als ingangsdatum heeft gehanteerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en zijn beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een AIO-aanvulling op het AOW-pensioen. De SVB heeft met het besluit van 25 augustus 2025 (het primaire besluit 1) een AIO-voorschot toegekend vanaf 20 mei 2025. Met het besluit van 2 september 2025 (het primaire besluit 2) heeft de SVB een AIO-uitkering toegekend met ingang van 20 mei 2025. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiser is het bezwaar tegen het toekennen van het AIO voorschot niet-ontvankelijk verklaard. Met een afzonderlijk bestreden besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit 2) is de SVB bij de toekenning van de AIO-aanvulling per 20 mei 2025 gebleven.
2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2
De rechtbank heeft de beroepen op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de zoon van eiser [eiser] en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
Wat aan de bestreden besluiten vooraf ging
3.1
De SVB heeft eiser met ingang van 1 mei 2023 een AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De uitkering is verlaagd met 34% omdat eiser in de periode van 1 mei 1973 tot en met 1 januari 1991 geen AOW heeft opgebouwd.
3.2
Eiser is op 17 juli 2023 in Marokko getrouwd met [naam] (geboren op [geboortedatum] 1986 van de Marokkaanse nationaliteit). De IND heeft [naam] per 18 november 2024 een verblijfsvergunning verleend. Eiser en [naam] wonen met ingang van 6 januari 2025 op hetzelfde adres in Nederland. [naam] heeft niet de pensioengerechtigde leeftijd.
3.3
Omdat eiser in het buitenland is getrouwd, heeft de SVB niet automatisch een melding ontvangen van het huwelijk. Op 25 maart 2025 is het huwelijk gemeld bij de SVB.
3.4
Met het besluit van 10 april 2025 heeft de SVB de hoogte van het AOW-pensioen per augustus 2023 aangepast naar de norm voor gehuwden en heeft de SVB laten weten dat zij voornemens is om een bedrag van € 6.597,50 aan te veel ontvangen AOW-pensioen (in de periode van augustus 2023 tot en met maart 2025) terug te vorderen en een boete op te leggen ter hoogte van € 2.969,13 (50% van het benadelingsbedrag).
3.5
Eiser heeft tegen het besluit van 10 april 2025 bezwaar gemaakt. Eiser heeft in het bezwaarschrift genoemd dat hij leeft onder het sociaal minimum en aanspraak maakt op een AIO-uitkering. De SVB heeft het bezwaarschrift opgevat als melding voor het aanvragen van een AIO-uitkering. Eiser heeft op 14 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor de AIO-uitkering.
3.6
Met het primaire besluit 1 heeft de SVB een voorschot op de AIO-uitkering verleend per 20 mei 2025. Met het primaire besluit 2 heeft de SVB een AIO-uitkering toegekend per 20 mei 2025. Eiser heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft eiser betoogd dat de SVB de AIO-aanvulling ten onrechte niet met terugwerkende kracht heeft toegekend per 1 augustus 2023 (gelijktijdig met de aanpassing gehuwden-norm voor het AOW-pensioen).
Het standpunt van de SVB
Ten aanzien van het voorschot op de AIO-aanvulling
4.1
De SVB heeft het bezwaar tegen het primaire besluit 1 niet inhoudelijk behandeld. De SVB heeft een AIO-voorschot toegekend op grond van artikel 52 van de PW. Tegen deze beslissing staat geen bezwaar open.
Ten aanzien van de toekenning van de AIO-aanvulling per 20 mei 2025
4.2
De SVB heeft met ingang van 20 mei 2025 een AIO-aanvulling toegekend naar de norm voor gehuwden. De SVB ziet in het geval van eiser geen bijzondere omstandigheid om de AIO-uitkering toe te kennen met terugwerkende kracht. Eiser heeft eerst in het bezwaarschrift van 20 mei 2025 aangegeven dat hij om een AIO-uitkering verzoekt. Dat het AOW-pensioen vanaf augustus 2023 is verlaagd betekent niet dat de AIO-uitkering per augustus 2023 moet worden toegekend. De AOW en AIO zijn verschillende wettelijke regelingen. De verlaging van het AOW-pensioen vanaf augustus 2023 is een verplichting vanuit de AOW. De AIO wordt daarentegen, behoudens bijzondere omstandigheden, niet met terugwerkende kracht toegekend. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiser om tijdig een AIO-uitkering aan te vragen en dat eiser dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico. Eiser is met de AOW-toekenningsbeslissing van 15 mei 2023 en de brief van 1 juni 2023 gewezen op de mogelijkheid van het aanvragen van de AIO-uitkering.
Het standpunt van eiser
Ten aanzien van het voorschot op de AIO-uitkering
5.1
Eiser voert aan dat de toekenning van het voorschot op de AIO-uitkering een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat sprake is van rechtsgevolgen, te weten inkomensondersteuning. Niet de systematiek van de Awb, maar de rechtbank bepaalt of beroep openstaat. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is volgens eiser in strijd met de strekking van artikel 52 van de PW en het evenredigheidsbeginsel. Eiser wijst verder op de nadelige informatiepositie en een gebrek aan rechtsbescherming.
Ten aanzien van de toekenning van de AIO-uitkering per 20 mei 2025
5.2
Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de SVB de AIO-uitkering met terugwerkende kracht had moeten toekennen. In dat kader wijst eiser op zijn taal- en kennisbeperkingen, zijn beperkte ‘doe vermogen’, dat het huwelijk is gesloten in het buitenland, dat zijn partner pas later een verblijfsvergunning heeft gekregen, dat zij pas later zijn gaan samenwonen en dat sprake was van administratieve vertraging. Volgens eiser leidt een cumulatie van deze omstandigheden tot een bijzondere situatie.
Eiser voert verder aan dat een onderzoek naar de feitelijke financiële situatie ontbreekt. Eiser heeft vanwege zijn lage inkomen schulden moeten maken. Eiser volgt de SVB niet in de stelling dat zij hem heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van de AIO-uitkering. De brieven zijn verstuurd in het Nederlands, er was geen actieve begeleiding en uit eisers mededelingen volgt dat hij het niet begreep. Eiser wijst op een uitspraak van de CRvB die volgens hem vergelijkbaar is aan zijn situatie. Verder heeft de SVB onvoldoende betrokken dat zijn AOW-pensioen wel met terugwerkende kracht is verlaagd en dat de terugvordering en boete die daaruit zijn ontstaan een zware financiële last opleveren. De SVB heeft ten onrechte niet getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Eiser wijst verder op de hardheidsclausule en afwijkingsbevoegdheid van de SVB aangezien sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat.
Ten aanzien van het voorschot op de AIO-uitkering (het bestreden besluit 1)
6.1
De rechtbank moet eerst ambtshalve beoordelen of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van de procedure. Het moet gaan om een reëel en actueel belang.
6.2
De SVB heeft met het bestreden besluit 2 een definitief besluit genomen over de toekenning van de AIO-uitkering. De ingangsdatum en hoogte van de uitkering zijn gelijk aan hetgeen was toegekend met het voorschot. Nu de toekenning van de definitieve AIO-uitkering eveneens voorligt in beroep, ziet de rechtbank niet in wat eiser feitelijk met het beroep tegen de toekenning van het voorschot kan bereiken. Eiser heeft dit ook ter zitting niet duidelijk gemaakt. Kort voor de zitting heeft eiser verwezen naar twee uitspraken van de CRvB. De rechtbank ziet in die uitspraken geen reden voor een ander oordeel nu in die uitspraken sprake was van een terugvordering op grond van artikel 58 van de PW en geen voorschotverlening op grond van artikel 52 van de PW.
6.3
Nu eiser met zijn beroep niet méér kan bereiken dan hij al heeft bereikt, heeft hij geen procesbelang bij een beoordeling van het bestreden besluit 1. Het beroep van eiser moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de toekenning van de AIO-uitkering per 20 mei 2025 (het bestreden besluit 2)
7.1
De rechtbank stelt allereest vast dat het onderhavige geschil enkel ziet op de toekenning van de AIO-uitkering per 20 mei 2025. Er loopt een afzonderlijk beroep tegen de herziening van het AOW-pensioen. Tegen de terugvordering en de boete als gevolg van de herziening van het AOW-pensioen heeft eiser, voor zover de rechtbank heeft vernomen, geen rechtsmiddel aangewend.
7.2
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de SVB terecht heeft bepaald dat eiser vanaf de meldingsdatum (20 mei 2025) recht heeft op de AIO-uitkering en niet, zoals eiser wenst, met ingang van de datum waarop de AOW is verlaagd naar de gehuwdennorm (1 augustus 2023) of het moment dat hij en [naam] zijn gaan samenwonen (6 januari 2025).
8. In artikel 44, eerste lid, van de PW is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Uit artikel 47a, tweede lid, van de PW volgt dat deze bepaling ook van toepassing is op het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling, die wordt toegekend door de SVB.
Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de PW, bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. In de rechtspraak van de CRvB is verder bepaald dat het hier gaat om een uitzondering op de hoofdregel; degene die zich op een uitzonderingssituatie beroept moet aannemelijk maken dat zo’n situatie zich voordoet. Dat betekent dat de bewijslast van de bijzondere omstandigheden op de belanghebbende rust.
In beleidsregel SB1403 heeft de SVB nadere uitgangspunten neergelegd voor de beoordeling van de ingangsdatum van de AIO-aanvulling en de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Hierin is, verkort weergegeven en voor zover relevant, opgenomen dat in de volgende situaties sprake is van bijzondere omstandigheden:
De aanvrager was door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat om tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen.
De te late aanvraag is een aantoonbaar gevolg van onjuiste of onvolledige voorlichting door het bevoegde bestuursorgaan en de aanvrager hoefde redelijkerwijs niet aan die voorlichting te twijfelen.
Daarnaast is vereist dat de aanvrager aannemelijk maakt dat hij niet in de noodzakelijke kosten van bestaan kon voorzien en voor die kosten schulden is aangegaan waaraan daadwerkelijk terugbetalingsverplichtingen zijn verbonden.
Het oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank is van oordeel dat de SVB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de AIO-uitkering dient te worden toegekend met terugwerkende kracht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
10. De rechtbank stelt vast dat eisers inkomen al bij de eerste toekenning van het AOW-pensioen zodanig was dat hij waarschijnlijk recht had op een AIO-aanvulling nu er een korting van 34% van toepassing was. Eiser had daarom – nog los van het huwelijk en de verlaging van het AOW-pensioen – al sinds het begin van zijn AOW-pensioen een aanvraag om een AIO-aanvulling kunnen indienen. Ondanks dat op de SVB geen actieve informatieplicht rust, heeft de SVB eiser op die mogelijkheid gewezen bij de toekenningsbeslissing van 15 mei 2023 en heeft de SVB eiser, vanwege de korting op zijn AOW-pensioen, op 1 juni 2023 een brief gestuurd over een ‘AIO-check’.
De rechtbank volgt de SVB in het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege bijzondere omstandigheden niet in staat was om de AIO-aanvraag eerder in te dienen. Dat eiser de taal slecht beheerst, persoonlijke problemen had en moeite heeft met het voeren van zijn administratie zijn onvoldoende. De omstandigheden dat het huwelijk is gesloten in het buitenland, dat zijn partner pas later een verblijfsvergunning heeft gekregen en dat zij pas later zijn gaan samenwonen doen er niet aan af dat eiser al die tijd een aanvraag heeft kunnen indienen of laten indienen. De enkele stelling dat hij in die periode een moeilijke tijd doormaakte omdat hij net was gescheiden en zijn ex-partner eerder verantwoordelijk was voor de administratie, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Dat eiser beperkt is in zijn ‘doe-vermogen’ heeft hij verder niet onderbouwd. Ook de omstandigheid dat eiser onbekend was met AIO is geen reden om een bijzondere omstandigheid aan te nemen. Dat eiser zich dit niet eerder heeft gerealiseerd is spijtig maar er was voldoende informatie beschikbaar. Daarbij wijst de rechtbank op de hiervoor genoemde voorlichtingshandelingen van de SVB.
De rechtbank erkent dat de verlaging van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2023 erg nadelig uitpakt maar de rechtbank ziet hierin geen bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 44 van de PW. Als eiser het huwelijk tijdig had gemeld – zoals hij verplicht was op grond van de AOW – had hij in de verlaging van het AOW-pensioen mogelijkerwijs aanleiding kunnen zien om, eerder, de AIO-uitkering aan te vragen. Dat eiser het huwelijk niet direct heeft gemeld en pas later bekend is geworden met de financiële noodzaak voor de AIO-aanvraag, komt in dit kader voor zijn rekening en risico.
11. Ten aanzien van het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat artikel 44, eerste lid, van de PW een gebonden bevoegdheid betreft in een wet in formele zin. Dat betekent dat dit artikel in beginsel geen ruimte biedt voor een belangenafweging op grond van het evenredigheidsbeginsel. Verder kent de PW geen bepaling die voorziet in een hardheidsclausule.
Conclusie en gevolgen
12. Uit het voorgaande volgt dat eiser geen procesbelang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit 1. Het beroep is niet-ontvankelijk. Verder heeft de SVB terecht geen bijzondere omstandigheden aangenomen die toekenning van de AIO-uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
13. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Aanvullende inkomensvoorziening ouderen.
Algemene ouderdomswet.
Participatiewet.
Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1522.
De uitspraken van de CRvB van 7 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1525, en 8 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:644.
Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 19 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:580.
Zie de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1096.
Zie de uitspraak van de CRvB van 2 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3009.
Zie de uitspraak van de CRvB van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:810.
Zie de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|