Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:1872 
 
Datum uitspraak:07-04-2026
Datum gepubliceerd:10-04-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:ak_25_1500
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Boete van € 300,-. Apparatuur voor gegevensregistratie niet onlosmakelijk verbonden aan chassis van het transportmiddel. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:dierlijke meststoffen
landbouw
meststoffen
meststoffenwet
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres, hierna: [eiseres]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)

en


De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigden: mr. E.J.H. Jansen en mr. B. de Haan).


Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een door de minister aan [eiseres] opgelegde boete van € 300,- voor overtreding van de meststoffenwetgeving. Volgens de minister zijn dierlijke meststoffen vervoerd door een transportmiddel dat niet op de juiste wijze was uitgerust met apparatuur voor gegevensregistratie. [eiseres] is het niet eens met deze boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete terecht is opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

1. Bij besluit van 8 januari 2025 heeft de minister een boete ter hoogte van € 300,- aan [eiseres] opgelegd. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij dat besluit gebleven.


1.1.

[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen. [eiseres] en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers 25/1385, 25/1237, 25/1267 en 25/1733. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.








Beoordeling door de rechtbank


Aanleiding


2. [eiseres] is een erkend intermediair en transporteur van dierlijke meststoffen.


2.1.
Een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) was op 19 november 2024 op de locatie Wezuperstraat 20 in Wezup om toezicht te houden bij een mestvergistingsinstallatie. De bevindingen van de toezichthouder zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 3 december 2024 (hierna: het rapport).



2.2.
De minister heeft het rapport ontvangen en is op basis daarvan overgegaan tot de besluitvorming, zoals vermeld onder Procesverloop.


Het bestreden besluit


3. De minister heeft [eiseres] een boete van € 300,- opgelegd, omdat zij als intermediair één van de regels voor het vervoer van dierlijke meststoffen heeft overtreden. Dierlijke meststoffen moeten namelijk worden vervoerd door een transportmiddel dat is uitgerust met apparatuur voor gegevensregistratie (hierna: GR) die onlosmakelijk is verbonden aan het chassis van het transportmiddel en voor zover van toepassing, het chassis van de aanhangwagen. Hier heeft [eiseres] bij de gereden vracht dierlijke mest met rVDM [nummer] op 19 november 2024 niet aan voldaan. Volgens de minister is het de verantwoordelijkheid van [eiseres] om ervoor te zorgen dat de GR-apparatuur daadwerkelijk onlosmakelijk verbonden is aan het chassis van het transportmiddel.


Overwegingen



Relevante bepalingen


4. Artikel 49, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsbesluit) luidt:
Vervoer van dierlijke meststoffen geschiedt met behulp van een satellietvolgsysteem en apparatuur voor gegevensregistratie.



4.1.
Artikel 53, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsregeling) luidt:
Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats indien de GR-apparatuur adequaat functioneert en voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel D, en voor zover de GR-apparatuur, bedoeld in bijlage E, onderdeel D, onder 4, behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.



4.2.
Bijlage E bij de Uitvoeringsregeling, onderdeel D, onder 4.3, luidt:
Bij het vervoer van vaste mest is de GR-apparatuur onlosmakelijk aan het chassis van het transportmiddel, en voor zover van toepassing aan het chassis van de aanhangwagen verbonden, met dien verstande dat bij het vervoer van meerdere laadbakken per vracht dierlijke meststoffen ieder chassis waarop een laadbak is of wordt bevestigd over eigen GR-apparatuur beschikt.

Overtreding?


5. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van de overtreding, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), rust op de minister als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat [eiseres] de genoemde bepalingen uit de meststoffenwetgeving heeft overtreden en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor dit bewijs steunt de minister in dit geval op de bevindingen neergelegd in het rapport.



5.1.
Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het toezichtrapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.



5.2.
Uit het rapport volgt dat een toezichthouder van de NVWA op 19 november 2024 zag dat een vrachtwagencombinatie, voorzien van de Poolse kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] , door middel van een shovel werd geladen. Aan de hand van de Inspectie-app mest werd gezien dat het om een transport van vervoerder [eiseres] ging. De toezichthouder heeft zich vervolgens bij de chauffeur gelegitimeerd en om de vervoersdocumenten gevraagd. Ten aanzien van de getoonde documenten zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Tijdens controle van de getoonde vervoersdocumenten in de cabine van de genoemde vrachtauto viel het de toezichthouder op dat op het dashboard hiervan een losse aluminium koffer lag met hierin apparatuur die hij herkende als GR-GPS apparatuur van het merk D-TEC. De toezichthouder zag dat één van deze snoeren kennelijk een voedingskabel betrof die verbonden was met de sigarettenaansteker aansluiting van de truck. Een andere snoer was voorzien van een handscanner waarmee barcodes kunnen worden ingescand. Verder was aan de apparatuur een snoer verbonden die via het zijraam de truck verliet. Dit betrof volgens de toezichthouder kennelijk een antenne snoer. Daarnaast was aan de apparatuur nog een snoer aanwezig die herkend werd als een GSM antenne. De toezichthouder zag dat de aangetroffen apparatuur niet onlosmakelijk verbonden was aan het chassis van het transportmiddel. Bij het rapport heeft de toezichthouder onder meer een foto gevoegd met daarop een losse koffer met GR-GPS apparatuur op het dashboard van de vrachtauto. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] geen aanknopingspunten naar voren gebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de bevindingen in het rapport. Dat de in het rapport beschreven bevindingen niet tijdens een transport zijn gedaan, zoals [eiseres] heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Uit artikel 1, eerst lid, aanhef en onder s, van het Uitvoeringsbesluit volgt dat onder het vervoeren van meststoffen, naast elk feitelijk transporteren van meststoffen, ook het laden en lossen van deze meststoffen valt. Uit het rapport volgt dat de toezichthouder de waarnemingen in de cabine tijdens het laden heeft gedaan. Bij de in het rapport opgenomen bevindingen spelen verklaringen van de chauffeur of het ontbreken van verklaringen geen rol. Dat de chauffeur de Nederlandse taal niet machtig was, is daarom niet relevant. Dat sprake was van een onrechtmatige controle heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt. Het voorgaande betekent dat de minister het rapport aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag heeft kunnen leggen. De juridische en feitelijke grondslag volgen afdoende uit het bestreden besluit in samenhang met het rapport.


Verwijtbaarheid


6. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat verwijtbaarheid, opzet of enige vorm van schuld ontbreekt. Dat een ingehuurde chauffeur bewust een apparaat defect maakt, is niet aan haar te wijten.



6.1.
De rechtbank overweegt dat voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, moet worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Niet is hier in geschil dat de chauffeur het transport uitvoerde ten behoeve van [eiseres] en dat de gedraging [eiseres] daarmee dienstig is geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Bovendien past het vervoeren en het laden en lossen van dierlijke meststoffen in de normale bedrijfsvoering van [eiseres] . Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. In de enkele stelling dat acties van een chauffeur haar niet te verwijten zijn, is onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat [eiseres] geen enkel verwijt kan worden gemaakt en dat zij niet als functioneel dader kan worden aangemerkt. De minister was daarom bevoegd de boete aan [eiseres] op te leggen.


Recht op bijstand door een raadsman


7. [eiseres] heeft betoogd dat er gehoord is zonder dat daarvoor het recht op bijstand door een advocaat is aangegeven.



7.1.
Uit artikel 6 van het EVRM vloeit voort dat degene aan wie een sanctie wordt opgelegd die is gebaseerd op een “criminal charge” in de zin van dat artikel, het recht heeft om bij zijn verdediging bijstand te hebben van een raadsman en om hierover te worden geïnformeerd. Degene tegen wie de “criminal charge” wordt uitgebracht, moet in elk geval zijn geïnformeerd over het recht op verhoorsbijstand voordat hij voor het eerst met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete wordt verhoord in de zin van artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht. Deze rechten zijn ook van toepassing bij bestuurlijke boetes.



7.2.
Er zijn geen verklaringen van de Poolse chauffeur gebruikt voor het bewijs van de overtreding en ook de op 21 november 2024 telefonisch afgelegde verklaringen door [naam] zijn hiervoor niet gebruikt.



7.3.
Dit betekent dat er geen sprake is van een verklaring die uitgesloten zou kunnen worden van het bewijs, als zou blijken dat het proces als geheel met inachtneming van de omstandigheden van het geval niet behoorlijk is geweest. Reeds daarom slaagt deze beroepsgrond niet.


Overige gronden


8. De minister is in het bestreden besluit op de gronden van bezwaar ingegaan. Voor zover [eiseres] geen redenen heeft aangevoerd waarom de weerlegging van de gronden van bezwaar in het bestreden besluit onjuist is, bestaat met de enkele verwijzing naar de gronden van bezwaar geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding om te concluderen dat de minister, dan wel de NVWA, disproportioneel veel aandacht voor [eiseres] heeft.





Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.



























Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op












griffier


De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit volgt bijvoorbeeld uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071.


Zie ook de uitspraak van 17 maart 2026 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2026:111.
Link naar deze uitspraak