|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:1921 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_20_2638 en ak_22_97 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beroepen ongegrond. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vanaf 21 december 2019 terecht vastgesteld op 64,16% en vanaf 5 april 2021 correct vastgesteld op 65 tot 80%, 66,59%. De rechtbank heeft een deskundige ingeschakeld. Volgens de deskundige heeft het UWV de belastbaarheid van eiseres op de data in geding correct vastgesteld. Het oordeel van de deskundige komt de rechtbank overtuigend voor. Er is sprake van een zorgvuldig onderzoek en de uit dit onderzoek getrokken conclusies zijn inzichtelijk en consistent. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige in zijn goed gemotiveerde rapporten, gebaseerd op onderzoek van eiseres en op een grote hoeveelheid medische informatie, overtuigend heeft gemotiveerd dat er geen reden is om de in de FMLen van 30 januari 2020 en 6 september 2021 opgenomen beperkingen van eiseres aan te passen. De deskundige heeft goed zicht gehad op de kern van het geschil tussen partijen, was zich bewust van het complexe ziektebeeld van eiseres en heeft goed gemotiveerd dat een nader NPO in deze zaak, enkele jaren na de relevante data, geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat betekent dat het UWV de beide FMLen terecht als basis heeft gehanteerd bij het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres. Ook de geschiktheid van eiseres voor de geselecteerde functies op de data in geding is voldoende overtuigend toegelicht. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 20/2638 en ZWO 22/97
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna te noemen: [eiseres])
gemachtigde: [gemachtigde],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna te noemen: het UWV),
gemachtigde: mr. I. Smit
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van [eiseres] tegen de hoogte van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [eiseres] is het niet eens met de arbeidsongeschiktheidspercentages die het UWV voor haar heeft vastgesteld vanaf 21 december 2019 en vanaf 5 april 2021. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de arbeidsongeschiktheidspercentages vanaf 21 december 2019 en vanaf 5 april 2021 correct heeft vastgesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vanaf 21 december 2019 en vanaf 5 april 2021 juist heeft vastgesteld. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 18 februari 2020 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf
21 december 2019 tot en met 4 april 2021 een loongerelateerde WIA-uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend en de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vastgesteld op 64,15%. Met het bestreden besluit van 19 november 2020 op het bezwaar van [eiseres] heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vastgesteld op 64,16% en haar loongerelateerde WGA-uitkering niet gewijzigd. [eiseres] heeft hiertegen het beroep met zaaknummer ZWO 20/2638 ingesteld.
1.2.
Het UWV heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft dit beroep op 27 oktober 2021 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de partner van [eiseres]. Het UWV is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en [eiseres] in de gelegenheid gesteld om nadere informatie aan te leveren.
1.4.
[eiseres] heeft met brieven van 22 november 2021 en 5 januari 2022 nadere informatie aangeleverd en haar beroep aangevuld. Op 7 januari 2022 heeft het UWV gereageerd op de eerste brief met bijlagen via een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Vervolgens heeft [eiseres] een reactie van 24 januari 2022 toegestuurd. Op 1 april 2022 heeft het UWV hierop gereageerd en daarop heeft [eiseres] een brief van 14 april 2022 ingebracht.
1.5.
Het UWV heeft met een besluit van 28 januari 2021 aan [eiseres] vanaf 5 april 2021 een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van
55 tot 65% toegekend. Met het bestreden besluit van 23 december 2021 op het bezwaar van de ex-werkgever van [eiseres] heeft het UWV dit besluit gewijzigd en aan [eiseres] een vervolguitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van
65% tot 80%. Hiertegen heeft [eiseres] het beroep met zaaknummer ZWO 22/97 ingesteld.
1.6.
Het UWV heeft ook op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
Met een brief van 20 april 2022 heeft de rechtbank partijen gemeld dat de zaken ZWO 20/2638 en ZWO 22/97 gevoegd worden behandeld.
1.8.
Vervolgens heeft de rechtbank in beide zaken de aan Ergatis verbonden verzekeringsarts R. Ouwens benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Ouwens heeft op 6 april 2023 gerapporteerd. Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid te reageren op dit rapport. Op 20 juli 2023 en 26 september 2023 heeft Ouwens aanvullend gerapporteerd.
1.9.
[eiseres] heeft bij brief van 6 november 2023 ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting en heeft verzocht om een zogenaamd neuropsychologisch onderzoek (NPO) bij haar te doen verrichten. Bij brief van 22 november 2023 heeft de rechtbank [eiseres] geïnformeerd dat de rechtbank niet een dergelijk onderzoek zal laten doen en [eiseres] in de gelegenheid gesteld nadere medische informatie in te brengen. [eiseres] heeft diverse keren om uitstel verzocht. Met een brief van 20 augustus 2024 heeft de rechtbank het verzoek van [eiseres] om verder uitstel tot 1 maart 2025 afgewezen. De rechtbank heeft partijen tot 15 november 2024 in de gelegenheid gesteld om nog nadere informatie toe te sturen. Met een brief van 11 november 2024 met enkele medische bijlagen heeft [eiseres] van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Op 28 november 2024 heeft het UWV hierop gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 november 2024. [eiseres] heeft bij brief van 8 januari 2025 gereageerd op dat rapport.
1.10.
De rechtbank heeft het beroep met zaaknummer ZWO 20/2638 op 23 januari 2025 op een nadere zitting behandeld. Tijdens deze zitting is ook het beroep met zaaknummer
ZWO 22/97 behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: [eiseres], haar partner en de gemachtigde van het UWV.
1.11.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. De rechtbank heeft de deskundige Ouwens verzocht om een nader rapport om daarin te reageren op de sinds zijn vorige rapport door [eiseres] overgelegde nadere medische informatie. Ouwens heeft gereageerd met een rapport van 17 februari 2025.
1.12.
[eiseres] heeft gereageerd op dit rapport. Met een brief van 28 april 2025 heeft de deskundige gemotiveerd gemeld dat hij geen aanleiding heeft zijn eerdere conclusies te herzien.
1.13.
Desgevraagd hebben partijen niet om een nadere zitting verzocht, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
2. [eiseres] was voor 17,93 uur per week werkzaam als verloskundige bij Stichting Saxenburgh Groep. Nadat zij een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg had ontvangen heeft [eiseres] zich op 23 december 2017 ziek gemeld voor dit werk. [eiseres] heeft op 17 september 2019 een WIA-uitkering aangevraagd. Daarop heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, wat heeft geleid tot de besluitvorming zoals vermeld onder ‘Procesverloop' onder 1.1. en 1.5.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
3.1.
Met het bestreden besluit van 19 november 2020 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf
21 december 2019 tot en met 4 april 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,16% toegekend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft een verzekeringsarts een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 30 januari 2020 opgesteld, waarin de beperkingen van [eiseres] vanaf 21 december 2019 zijn vastgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bezwaren van [eiseres] beoordeeld, maar daarin geen aanleiding gezien om de FML van 30 januari 2020 te wijzigen. Vervolgens heeft arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden en heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies geselecteerd die [eiseres] met haar beperkingen kan verrichten. Met de middelste van de drie functies met het hoogste loon kan [eiseres] 64,16% minder verdienen dan het salaris dat zij had voordat zij ziek werd. Dit leidt tot het arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,16%.
3.2.
Met het bestreden besluit van 23 december 2021 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf
5 april 2021 een vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,59% toegekend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML van 6 september 2021 vastgesteld, waarin de beperkingen van [eiseres] vanaf 5 april 2021 zijn vastgelegd. Vervolgens heeft arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden en heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd die [eiseres] met haar beperkingen nog kan uitvoeren. Met de middelste van de drie functies met het hoogste loon kan [eiseres] 66,59% minder verdienen dan het salaris dat zij had voordat zij ziek werd. Daarom heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiseres] vanaf
5 april 2021 vastgesteld op 66,59%.
Standpunt [eiseres]
4. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het UWV haar arbeidsongeschiktheidspercentages per 21 december 2019 en 5 april 2021 niet juist heeft vastgesteld.
4.1.
[eiseres] heeft op 1 september 2017 haar derde kindje verloren in de 26e week van de zwangerschap. Daarnaast was sprake van pre-eclampsie. Vanaf 2019 ondervindt [eiseres] ook beperkingen ten gevolge van de ziekte van Ménière.
4.2.
[eiseres] stelt dat het UWV haar belastbaarheid vanaf 21 december 2019 en
5 april 2021 niet juist heeft vastgesteld. Zij vindt dat het UWV voor beide data haar beperkingen heeft onderschat. [eiseres] is ook van mening dat zij de geduide functies niet kan verrichten. Zij heeft haar standpunten onderbouwd met medische informatie van haar behandelaren.
4.3.
[eiseres] heeft de rechtbank verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen, om de belastbaarheid van [eiseres] op de data 21 december 2019 en 5 april 2021 te onderzoeken.
Overwegingen van de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten van 19 november 2020 en 23 december 2021. Dit betekent dat de rechtbank nagaat of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vanaf 21 december 2019 en vanaf 5 april 2021 juist heeft vastgesteld op 64,16%, respectievelijk 66,59% (klasse 65 tot 80%).
6.1.
De rechtbank heeft deskundige Ouwens ingeschakeld. Ouwens heeft het dossier van [eiseres] bestudeerd en tijdens een spreekuur met [eiseres] en haar partner gesproken. Ouwens heeft ook aanvullende informatie van behandelaren van [eiseres] opgevraagd. Verder heeft hij literatuuronderzoek gedaan. Ouwens heeft alle (medische) informatie in zijn beoordeling betrokken, ook de informatie die [eiseres] na zijn eerste rapport heeft ingezonden.
6.2.
Op basis van alle informatie ziet Ouwens blijkens zijn rapporten van 6 april 2023,
20 juli 2023, 1 februari 2025 en 28 april 2025 onvoldoende verzekeringsgeneeskundige gronden voor aanvullende of verdergaande beperkingen dan aangegeven in de FMLen van 30 januari 2020 en 6 september 2021. Volgens hem heeft het UWV de belastbaarheid van [eiseres] op de data 21 december 2019 en 5 april 2021 correct vastgesteld.
6.3.
Naar vaste rechtspraak van de Centrale raad van Beroep (CRvB) geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als deze hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De wijze waarop Ouwens in het rapport van 6 april 2023 is ingegaan op de klachten en de aanwezige medische informatie geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De uit dit onderzoek getrokken conclusies zijn inzichtelijk en consistent.
6.4.
Ouwens merkt op dat [eiseres] cognitieve beperkingen rapporteert en dat revalidatiearts Groenewegen, die [eiseres] heeft behandeld, stelt dat de beperkte belastbaarheid cognitief van aard is. Ouwens wijst erop dat nooit nader onderzoek naar cognitieve stoornissen is verricht. Hij overweegt tevens dat tijdens de gesprekken bij de verzekeringsarts en bij hemzelf in de gespreksvoering geen aanwijzingen bleken voor cognitieve beperkingen. Volgens Ouwens zou een valide NPO meer duidelijkheid kunnen geven of al dan niet sprake is van cognitieve functiestoornissen. Gelet op de beschreven bevindingen acht hij de kans dat dan cognitieve stoornissen blijken echter erg gering.
6.5.
[eiseres] heeft er in haar reactie op het rapport op gewezen dat het onderzoek van Ouwens ruim na de data in geding plaatsvond. Verder heeft zij gesteld dat nader onderzoek naar het bestaan van blijvende hersenschade dient te volgen en dat de beoordeling van geduide voorbeeldfuncties op basis van aanwezig geachte belastbaarheid door een arbeidsdeskundige noodzakelijk is.
6.6.
Ouwens heeft hierop gereageerd in zijn nadere rapport van 20 juli 2023.
6.6.1.
Hij heeft toegelicht dat hij zijn conclusie over de belastbaarheid van [eiseres] op de data in geding niet alleen heeft gebaseerd op de bevindingen tijdens zijn eigen onderzoek, maar ook op informatie van [eiseres] en medische informatie die betrekking heeft op de data in geding. Hij heeft hierover nog aanvullende informatie opgevraagd.
6.6.2.
Ouwens is ook nader ingegaan op de vraag of een NPO naar (de gevolgen van) hersenschade zou moeten plaatsvinden. Hij vindt een NPO niet zinvol, maakt een fors voorbehoud en heeft er zeer bescheiden verwachtingen van. Hij merkt op dat behandelaren geen aanleiding hebben gezien voor het verrichten van een NPO. Verder wijst hij erop dat meermaals in gesprekken een ruim voldoende cognitief functioneren is beschreven en dat dan de kans dat bij een NPO afwijkingen op stoornis niveau blijken erg gering is. Volgens Ouwens vormt, als sprake is van dergelijke afwijkingen, dat beperkt bewijs voor hersenschade. En als sprake is van hersenschade dan is het volgens Ouwens nog lang niet zeker dat daarmee aanvullende beperkingen in de FML onderbouwd kunnen worden. Verder merkt Ouwens op dat tussen een nog uit te voeren NPO en de data in geding een lange periode ligt.
6.7.
[eiseres] heeft hierop gereageerd. Ze vindt dat Ouwens ook bij zijn overwegingen moet betrekken dat het tot wel drie dagen heeft gevergd voor [eiseres] van het bezoek herstelde. Verder heeft zij de rechtbank verzocht nader onderzoek te laten uitvoeren. Uit de reactie van Ouwens van 26 september 2023 blijkt dat hij bij zijn eerder gegeven visie blijft. [eiseres] verzoekt de rechtbank in haar brief van 6 november 2023 om een NPO te laten uitvoeren. De rechtbank heeft partijen in een brief van 22 november 2023 gemeld dat zij geen aanleiding ziet om een NPO uit te laten voeren. Vervolgens heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld uiteindelijk uiterlijk op 15 november 2024 een NPO rapport of andere nadere medische informatie in te brengen.
6.8.
[eiseres] heeft vervolgens met een brief van 11 november 2024 nadere medische informatie toegestuurd. Het gaat om brieven van 2 september 2024 en 25 september 2024 van neurologen en een brief van 3 november 2024 van een medisch specialist verloskunde/Gynaecologie prenatale Diagnostiek en therapie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 27 november 2024 laten weten dat de nadere informatie zijn standpunt niet wijzigt. [eiseres] heeft er daarop in haar brief van 8 januari 2025 op gewezen dat de informatie bij de brief van 11 november 2024 nieuw is en dat deze van belang is voor de belastbaarheid van [eiseres] op de data in geding.
6.9.
De deskundige Ouwens heeft in zijn op 24 februari 2025 aan de rechtbank gezonden nadere rapport van 17 februari 2025 de nadere medische stukken beoordeeld en gemotiveerd toegelicht dat naar zijn mening er geen aanleiding is om aanvullende of verdergaande beperkingen voor [eiseres] in de beide FMLen op te nemen. Ook de reactie van [eiseres] op zijn laatste rapport geeft hem geen aanleiding tot herziening van de conclusies.
6.10.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundige Ouwens in zijn goed gemotiveerde rapporten, gebaseerd op onderzoek van [eiseres] en op een grote hoeveelheid medische informatie, overtuigend heeft gemotiveerd dat er geen reden is om de in de FMLen van 30 januari 2020 en 6 september 2021 opgenomen beperkingen van [eiseres] aan te passen. De deskundige heeft goed zicht gehad op de kern van het geschil tussen partijen, was zich bewust van het complexe ziektebeeld van [eiseres] en heeft goed gemotiveerd dat een nader NPO in deze zaak, enkele jaren na de relevante data, geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat betekent dat het UWV de beide FMLen terecht als basis heeft gehanteerd bij het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres].
Arbeidskundig onderzoek
7.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor [eiseres] vanaf 21 december 2019 de volgende functies geselecteerd: productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en medewerker linnenkamer (SBC-code 372040). In eerste instantie heeft de arbeidsdeskundige ook de functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) geduid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deze functies echter laten vervallen, omdat de fysieke totaalbelasting voor [eiseres] te groot is.
7.2.
Uitgaande van de FML van 30 januari 2020 is het aannemelijk dat [eiseres] in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 17 februari 2020 en de motivering bij de functieduiding van
2 juni 2020 uitgelegd waarom [eiseres] deze functies kan vervullen. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van [eiseres] zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van [eiseres] mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat de functies toch passend zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deze toelichtingen in de rapportage van 2 november 2020 onderschreven. Ook de totaalbelasting van de functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzocht. Hiermee is de geschiktheid voldoende overtuigend toegelicht.
7.3.
De arbeidsdeskundige heeft voor [eiseres] vanaf de datum 5 april 2021 de volgende functies geselecteerd: productiemedewerker industrie (samenstellen van producten)
(SBC-code 111180), machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (SBC-code 264122) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Aanvullend heeft de arbeidsdeskundige nog de functies Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) en samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130) geselecteerd.
7.4.
Uitgaande van de FML van 6 september 2021 is het aannemelijk dat [eiseres] in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 13 september 2021 en de daarbij gevoegde resultaat functiebeoordeling van 13 september 2021 toegelicht waarom [eiseres] deze functies kan vervullen. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van [eiseres] zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van [eiseres] mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat de functies toch passend zijn. Uit het rapport van 25 april 2022 blijkt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich hierin kan vinden. Ook de totaalbelasting van de functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzocht. Hiermee is de geschiktheid voldoende overtuigend toegelicht.
Slotsom
8. Het voorgaande betekent dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf
21 december 2019 terecht heeft vastgesteld op 64,16%, zodat het bestreden besluit van
19 november 2020 in stand blijft. Het UWV heeft ook de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vanaf 5 april 2021 correct vastgesteld op 65 tot 80%, 66,59%, zodat ook het bestreden besluit van 23 december 2021 in stand blijft.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 30 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:274 en CRvB 5 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1146 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|