Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:1925 
 
Datum uitspraak:09-04-2026
Datum gepubliceerd:16-04-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:C/08/344889 / KG ZA 26-32
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Op het landbouwperceel van eisers is grond gestort. Eisers en gedaagde 1 hebben een overeenkomst gesloten waarbij gedaagde 1 grond zou laten uitrijden op het perceel van eisers. Tussen partijen is in discussie of gedaagde 2 ook partij was bij die overeenkomst. Gebleken is dat de op het landbouwperceel van eisers gestorte grond bodemkwaliteitsklasse ‘wonen’ heeft en niet geschikt is voor toepassing op landbouwgrond. Eisers willen dat gedaagde 1 en (zijn onderneming) gedaagde 2 die grond verwijderen op hun kosten, primair uit hoofde van nakoming en subsidiair uit hoofde van onrechtmatig handelen. Gedaagden weigeren dat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gedaagden gehouden zijn om de grond te (laten) verwijderen op hun kosten en op straffe van een dwangsom. Gedaagden hebben onrechtmatig gehandeld jegens eisers. De vorderingen van eisers worden toegewezen.
Trefwoorden:bodemonderzoek
gewassen
landbouw
landbouwgrond
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/344889 / KG ZA 26-32


Vonnis in kort geding van 9 april 2026


in de zaak van




1 [eiser] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiseres],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.H. Adema,

tegen




1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. M.B. Bollen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de producties van [gedaagde 1] c.s.- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026- de pleitnota van [eisers]- de pleitnota van [gedaagde 1] c.s.






2Samenvatting

Op het landbouwperceel van [eisers] is grond gestort. [eisers] en [gedaagde 1] hebben een overeenkomst gesloten waarbij [gedaagde 1] grond zou laten uitrijden op het perceel van [eisers] . Tussen partijen is in discussie of [gedaagde 2] ook partij was bij die overeenkomst. Gebleken is dat de op het landbouwperceel van [eisers] gestorte grond bodemkwaliteitsklasse ‘wonen’ heeft en niet geschikt is voor toepassing op landbouwgrond. [eisers] willen dat [gedaagde 1] en (zijn onderneming) [gedaagde 2] die grond verwijderen op hun kosten, primair uit hoofde van nakoming en subsidiair uit hoofde van onrechtmatig handelen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] weigeren dat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden zijn om de grond te (laten) verwijderen op hun kosten en op straffe van een dwangsom. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] . De vorderingen van [eisers] worden toegewezen. De voorzieningenrechter licht zijn beslissing hieronder toe.





3De feiten


3.1.

[eisers] exploiteren een melkveebedrijf in [woonplaats 1] .



3.2.

[gedaagde 1] is directeur van [gedaagde 2] , een vastgoedbeheerbedrijf in [vestigingsplaats] .



3.3.
In 2023 heeft [gedaagde 1] / [gedaagde 2] een perceel gekocht aan [adres] . Voorafgaand aan de koop is in opdracht van [gedaagde 2] een verkennend bodenonderzoek uitgevoerd door Milieutechniek Rouwmaat Groenlo B.V. (hierna: Rouwmaat). Uit het onderzoek volgt onder meer dat de bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond van de ingebrachte zandgrond voldoet aan bodemkwaliteitsklasse industrie.



3.4.
In september/oktober 2024 zijn [eisers] via vrienden in contact gekomen met [gedaagde 1] (de schoonzoon van die vrienden) over grond. [gedaagde 1] moest met spoed grond kwijt en [eisers] konden wel grond gebruiken om hun landbouwperceel op te hogen.



3.5.
In oktober/november 2024 hebben [eisers] en [gedaagde 1] hierover telefonisch contact met elkaar gehad.



3.6.
Op 15 oktober 2024 heeft [eiser] de grond, 800 kuub, bekeken bij [bedrijf 1] , de locatie waar de grond op dat moment lag opgeslagen. [gedaagde 1] was daar ook bij aanwezig.



3.7.
Midden december 2024 hebben [gedaagde 1] en [bedrijf 1] het landbouwperceel van [eisers] , waar de grond zou worden gestort en uitgereden, bekeken.



3.8.
Op 23 januari 2025 is de grond gestort op het perceel van [eisers] door transporteur [naam] .



3.9.
Eind januari 2025 is [eisers] geïnformeerd door de Omgevingsdienst Twente dat de grond gemeld had moeten worden bij het Omgevingsloket en dat de grond beoordeeld moet worden.



3.10.

[eisers] en [gedaagde 1] hebben vervolgens veelvuldig contact gehad met elkaar en [naam] , over keuring, toepassing en verwijdering van de grond.



3.11.
In februari 2025 heeft [bedrijf 2] B.V. in opdracht van [gedaagde 2] . In het rapport van 14 februari 2025 staat onder meer het volgende:
“[…]

Op basis van voorinformatie werd verwacht dat de partij in de kwaliteitsklasse “industrie” valt.


[…]


Op basis hiervan valt de partij in de kwaliteitsklasse “wonen”.


[…]”.



3.12.
Op 11 oktober 2025 hebben [eisers] een brief ontvangen van de Omgevingsdienst waarin staat dat zij voornemens is om aan [eisers] een last onder dwangsom te gaan opleggen. [eisers] hebben daartegen een zienswijze ingediend.



3.13.
Bij brief van 13 november 2025 hebben [eisers] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de schade en verzocht de grond te laten verwijderen. [gedaagde 1] heeft hier afwijzend op gereageerd bij brief van 23 november 2025.



3.14.
Op 28 november 2025 hebben [eisers] een reactie op de door hen ingediende zienswijze ontvangen waaruit volgt dat de gemeente blijft bij haar standpunt dat [eisers] de grond dienen te laten verwijderen. [eisers] hebben uiteindelijk tot 1 mei 2026 de mogelijkheid om de grond te (laten) verwijderen voordat de gemeente een last onder dwangsom zal opleggen.



3.15.

[eiser] c.s. hebben het stuk land waarop de grond is gestort tot op heden niet kunnen gebruiken als landbouwgrond om mais op te verbouwen.



3.16.
Op 6 maart 2026 is de dagvaarding in dit kort geding betekend aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .






4De vordering


4.1.

[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad,:
I. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt om op zijn en/of haar kosten tot verwijdering van de grond over te gaan binnen drie (3) dagen na betekening
van het vonnis, dan wel op een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen korte termijn;
II. ten aanzien van hetgeen gevorderd wordt onder sub I. bepaalt dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , voor zover mogelijk hoofdelijk, een dwangsom van EUR 5.000,- verbeuren per dag dat zij hieraan niet voldoen, dan wel een dwangsom ter hoogte van een door de
voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
III. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt in de kosten van dit
geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen
na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet
binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over
de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.



4.2.

[eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehouden tot verwijdering van de grond. Primair uit hoofde van nakoming van hun verplichting om schone grond te leveren die toepasbaar is op landbouwgrond. Subsidiair uit hoofde van onrechtmatige daad.



4.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich allereerst op het standpunt dat [gedaagde 2] geen partij is bij de overeenkomst. Verder is [gedaagde 1] niet met [eisers] overeengekomen dat de grond geschikt zou moeten zijn voor toepassing op landbouwgrond of dat er een schone grond geleverd zou worden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoeven, zo stellen zij, niet over te gaan tot verwijdering van de grond.



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






5De beoordeling


5.1.
Tussen partijen is in dit kort geding in geschil of [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] gehouden zijn tot verwijdering van de grond over te gaan, zoals [eisers] vorderen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten.


Spoedeisend belang



5.2.

[eisers] hebben spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorzieningen.
De gestorte grond, die niet toepasbaar is op landbouwgrond, ligt nog steeds op het landbouwperceel van [eisers] . Dat gedeelte van het perceel is voor [eisers] niet bruikbaar als landbouwperceel, terwijl de Omgevingsdienst inmiddels ook een last onder dwangsom aan [eisers] heeft opgelegd en dreigt met handhaving. [eisers] lijden schade. Van [eisers] kan niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwachten. [eisers] zijn ontvankelijk in hun vorderingen.



5.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uitgangspunt is dat hij zich bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. Dat betekent in dit geval dat de vordering, die strekt tot verwijdering van de grond door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , in beginsel alleen kan worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] is gehouden tot nakoming dan wel dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig handelen kan worden verweten. Bovendien moet bij het treffen van een onmiddellijke voorziening het belang van [eisers] zwaarder wegen dan het belang van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] bij afwijzing van de vordering.



5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eisers] zich lenen voor een beoordeling in kort geding en dat deze kunnen worden toegewezen, tegen zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] . De subsidiaire grondslag slaagt. Het volgende is daarvoor redengevend.


Ook [gedaagde 2] kan worden aangesproken



5.5.
Partijen twisten over het antwoord op de vraag of [eisers] zich met hun vorderingen ook kunnen richten tot [gedaagde 2] . De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij van oordeel is dat de feitelijke handelingen die [eisers] aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, ook door dan wel mede namens [gedaagde 2] zijn verricht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben weliswaar naar voren gebracht dat [gedaagde 2] geen partij is en enkel het transport van [bedrijf 1] namens [gedaagde 1] heeft gefinancierd, maar dat standpunt slaagt niet. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun standpunt ook niet onderbouwd. Uit het rapport van het bodemonderzoek door [bedrijf 2] B.V. van 14 februari 2025, dat als productie 12 door [eisers] is overgelegd, volgt dat het bodemonderzoek van de grond in opdracht van [gedaagde 2] is uitgevoerd. Uit de door [eisers] als productie 11 overgelegde facturen van [bedrijf 2] B.V. (partijkeuring van de grond) en Afvaldienst Twente (transport grond en rijplaten) volgt dat die facturen zijn gericht aan [gedaagde 2] . Op basis daarvan concludeert de voorzieningenrechter dat [gedaagde 2] ook kan worden aangesproken door [eisers] tot verwijdering van de grond.


Primaire rechtsgrond nakoming slaagt niet



5.6.

[eisers] hebben verwijdering van de grond gevorderd. Primair hebben zij daaraan ten grondslag gelegd dat is overeengekomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schone, gezeefde en voor landbouw geschikte grond zouden storten en uitrijden op het landbouwperceel van [eisers] . Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze verplichting niet zijn nagekomen, dienen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de gestorte grond te verwijderen, aldus [eisers] .

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dat standpunt van [eisers] gemotiveerd betwist en naar voren gebracht dat niet is overeengekomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden zouden zijn tot verwijdering van de grond. De gevorderde verwijdering van de grond is dus geen nakomingsvordering. [eisers] hebben zich daarnaast ook niet beroepen op een (buitengerechtelijke) ontbinding waaruit deze ongedaanmakingsverbintenis zou kunnen volgen.



5.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet dan wel onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eisers] jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een afdwingbaar recht op nakoming tot verwijdering van de grond hebben. Het is aan [eisers] , die zich beroepen op het rechtsgevolg, om voldoende aannemelijk te maken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit hoofde van de overeenkomst gehouden zijn om de grond te verwijderen van het perceel van [eisers] . Dat hebben [eisers] – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – niet gedaan. Uit de enkele verwijzing door [eisers] naar de tussen partijen gemaakte – door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overigens niet weersproken – afspraak dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de grond zouden laten zeven door [bedrijf 1] , zodat de grond vrij was van puin en brokstukken en dat zij de gezeefde grond zouden laten uitrijden op het perceel van [eisers] , kan niet worden afgeleid dat er een afdwingbaar recht tot nakoming voor [eisers] is ontstaan tot verwijdering van de gestorte grond. Met andere woorden: ook al zouden partijen een zogenaamde schone grond verklaring zijn overeengekomen (in die zin dat de grond toepasbaar is voor landbouw) en zou er in strijd met de gemaakte afspraken (verontreinigde) grond zijn gestort (die niet toepasbaar is voor landbouw), dan nog kunnen [eisers] niet uit hoofde van nakoming verwijdering van de grond verlangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toezeggingen hebben gedaan om de grond te verwijderen, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders.


Subsidiaire rechtsgrond onrechtmatig handelen slaagt



5.8.

[eisers] hebben subsidiair onrechtmatig handelen aan hun vordering tot verwijdering van de grond ten grondslag gelegd. Die rechtsgrond slaagt wel.



5.9.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] maken door de storting van de, niet voor toepassing van landbouw bruikbare, grond inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] , welke inbreuk

[eisers] in beginsel niet hoeven te accepteren. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarnaast ook gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid.



5.10.
Niet in geschil is tussen partijen dat de grond die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gestort op het landbouwperceel van [eisers] niet toepasbaar is voor landbouw, hetgeen ook volgt uit het rapport van [bedrijf 2] van 14 februari 2025. Voorts is, op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting door [gedaagde 1] is verklaard, gebleken dat de grond afkomstig was van een in 2023 door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] gekocht perceel, ten behoeve waarvan [gedaagde 2] voorafgaand aan die koop opdracht heeft gegeven aan Rouwmaat om een bodemonderzoek uit te laten voeren. Uitkomst van dat bodemonderzoek was – kort gezegd – dat er sprake was van bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren er dus (in tegenstelling tot [eisers] ) mee bekend dat de grond aanvankelijk kwaliteitsklasse industrie had. Feit van algemene bekendheid is dat grond met een industriële kwaliteit niet zomaar (op elke grond) en zonder nadere bewerking kan worden toegepast en al helemaal niet op landbouwgrond. Toepassing van industriegrond op landbouwgrond zal immers in de regel immers niet alleen ecologische risico’s met zich meebrengen, maar ook gezondheidsrisico’s voor de mens.



5.11.
De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] er rekening mee dienden te houden dat de grond zou worden toegepast als landbouwgrond. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen weliswaar dat er helemaal niet is gesproken over de (toegestane) manier van toepassing en dat zij slechts wisten dat [eisers] wel grond zouden kunnen gebruiken, maar dat standpunt verwerpt de voorzieningenrechter. Niet in geschil is tussen partijen dat [gedaagde 1] (en [bedrijf 1] ) midden december 2024 het landbouwperceel van [eisers] waar de grond zou worden gestort en uitgereden, hebben bekeken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorts de stelling van [eisers] dat zij de grond nodig hadden voor ophoging van hun landbouwperceel vanwege natte grond niet weersproken. Echter, zelfs in het geval dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op de hoogte waren van de beoogde toepassing van de grond door [eisers] , dan nog komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de storting van de grond op het landbouwperceel in het maatschappelijk verkeer voor rekening en risico van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , nu zij wisten dat deze grond in 2023 bodemkwaliteitsklasse industrie had en (dus) niet voor elke toepassing geschikt was. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dachten dat de gestorte grond niet verontreinigd was omdat deze gestorte grond de bovenste laag betrof van de in 2023 gekeurde en afgegraven grond met kwaliteitsklasse industrie, maakt het voorgaande niet anders. Zij dienden immers (zonder nader onderzoek) rekening te houden met de omstandigheid dat ook de bovenste laag van de afgegraven grond de kwaliteitsklasse industrie had.



5.12.
Vanzelfsprekend wensen en dienen [eisers] de kwaliteit van de grond op haar perceel, alsmede de op het perceel te verbouwen gewassen te waarborgen ten behoeve van het milieu, het welzijn van haar dieren alsook ten behoeve van de menselijke voedselketen.
Dat de Omgevingsdienst zich heeft gemeld in deze kwestie is niet onbegrijpelijk.
De Omgevingsdienst dient immers te controleren of de grond geschikt is voor de beoogde toepassing.



5.13.

[eisers] kunnen hun perceel waarop de gestorte grond nog steeds ligt, niet gebruiken waarvoor ze het zouden willen gebruiken, het verbouwen van mais, en lijden daardoor schade. Schade die zij niet zouden hebben geleden als de grond niet zou zijn gestort door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .



5.14.

[eisers] hebben belang bij verwijdering van de grond. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daartegenover geen belang gesteld dat maakt dat [eisers] het laten liggen van de grond zouden moeten dulden en in redelijkheid niet tot het afdwingen van het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] laten verwijderen van de grond zouden kunnen overgaan.



5.15.
Gelet op het voorgaande valt met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de door [eisers] geleden schade en dat zij gehouden zijn om op hun kosten tot verwijdering van de grond over te gaan.



5.16.
De stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij niet eerder met het storten van grond te maken hebben gehad en niet wisten hoe te handelen in deze omstandigheden, maakt het voorgaande niet anders en kan hen dan ook niet vrijwaren van hun verplichting om over te gaan tot verwijdering van de grond op hun kosten.



5.17.
Het debat tussen partijen hoe de onderzoeksplicht van [eisers] zich verhoudt tot de waarschuwingsplicht van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , behoeft geen verdere bespreking in het kader van de subsidiaire grondslag van het gevorderde. Indien en voor zover [eisers] zich op het standpunt hebben gesteld dat de overeenkomst moet worden vernietigd wegens dwaling, dan kan dat standpunt niet slagen. Gesteld noch gebleken is immers dat [eisers] de (buitengerechtelijke) vernietiging van de overeenkomst hebben ingeroepen dan wel dat zij voornemens zijn dat (buiten of in rechte) te gaan doen. Een beoordeling van dat vraagstuk ligt dan ook niet voor in deze procedure.



5.18.
Tegen de gevorderde termijn van drie dagen na betekening van het vonnis is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze termijn kan worden toegewezen.



5.19.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.



5.20.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





151,94







- griffierecht





341,00







- salaris advocaat





1.177,00







- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.858,94











5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proces en nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






6De beslissing

De voorzieningenrechter


6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om op hun kosten tot verwijdering van de grond over te gaan binnen drie dagen na betekening van dit vonnis,



6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,



6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proces- en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op
9 april 2026.
Link naar deze uitspraak