Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:2142 
 
Datum uitspraak:07-04-2026
Datum gepubliceerd:20-04-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:11888846 CV EXPL 25-169 11888846 CV EXPL 25-169
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Aanneming van werk. Mondeling. Geen afspraken over de prijs. Vordering tot betaling van een redelijke prijs. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde in deze zaak geen beroep kan doen op consumentenbescherming. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
OVERIJSSEL


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 11888846 \ CV EXPL 25-1692


Vonnis van 7 april 2026


in de zaak van



[eiser]
, handelend onder de naam [bedrijf],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.F. Vanhommerig,

tegen



[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. C.C. Rooseboom.





1Samenvatting van de zaak


[eiser] en [gedaagde] hebben mondeling afgesproken dat [eiser] de houten luiken van de woning van [gedaagde] zal spuiten en lakken. Daarbij is geen prijs afgesproken. [eiser] vordert betaling voor de verrichte werkzaamheden. [gedaagde] doet een beroep op consumentenrechtbescherming en vordert in reconventie betaling van het reeds betaalde deel wegens onverschuldigde betaling. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] in deze zaak geen beroep kan doen op consumentenbescherming. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] gedeeltelijk toe en wijst de vordering in reconventie af.




2De procedure


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 september 2025- de conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten




3.1

[eiser] en [gedaagde] hebben in het najaar van 2020 afgesproken dat [eiser] twaalf nieuwe houten luiken van de woning van [gedaagde] gaat spuiten en (af)lakken. Zij hebben hierbij geen afspraken over de prijs gemaakt.



3.2
Op verzoek van [gedaagde] heeft [eiser] de spuitcabine van [gedaagde] en het door [gedaagde] geleverde verfsysteem zonder onderlaag, primer of plamuur gebruikt. Later heeft [eiser] de luiken in een spuitcabine in Vaassen gespoten.



3.3
Op 15 juni 2021 heeft [gedaagde] de luiken opgehaald, hoewel de werkzaamheden aan de luiken nog niet volledig waren afgerond.





4Het geschil


4.1

[eiser] vordert in conventie - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.057,54, vermeerderd met rente en kosten.



4.2

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] een redelijke prijs is verschuldigd voor het door [eiser] geleverde werk aan de houten luiken en dat [gedaagde] die redelijke prijs nog niet volledig heeft voldaan. De prijs voor de verrichte werkzaamheden bedraagt volgens [eiser] € 8.734,86. Daarnaast is [gedaagde] € 811,74 verschuldigd wegens buitengerechtelijke incassokosten en € 130,94 wegens verschenen rente. [gedaagde] heeft inmiddels een bedrag van € 4.620,00 betaald. [eiser] heeft dat bedrag in mindering gebracht op de in rekening gebrachte prijs, zodat een vordering van
€ 5.057,54 resteert.



4.3

[gedaagde] voert verweer hiertegen en beroept zich op consumentenbescherming omdat er sprake is van een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte die [gedaagde] tijdig heeft herroepen. Daarnaast voert hij aan dat [eiser] zijn wettelijke informatieverplichtingen heeft geschonden. Dat moet leiden tot de sanctie van gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst en vermindering van de hoofdsom. [gedaagde] betwist ten slotte dat er sprake is van een redelijke prijs.



4.4

[gedaagde] vordert in reconventie dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van
€ 4.620,00. [gedaagde] voert daarvoor aan dat hij deze deelbetaling voor de werkzaamheden onverschuldigd heeft gedaan.



4.5

[eiser] concludeert in reconventie tot afwijzing van de vordering van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.



4.6
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


In conventie



5.1
De overeenkomst tussen partijen kwalificeert als aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] heeft zich namelijk verplicht om de houten luiken te spuiten en te lakken. [eiser] en [gedaagde] hebben geen vaste prijs afgesproken en ook geen uurtarief.



5.2

[gedaagde] verweert zich allereerst tegen de vordering met een beroep op consumentenbescherming. Om het beroep van [gedaagde] op gebruikmaking van het consumentenbeschermende herroepingsrecht en de schending van de informatieverplichting te beoordelen, moet eerst worden vastgesteld of (i) er sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, (ii) die gesloten is buiten de verkoopruimte of op afstand. Alleen als daaraan is voldaan zijn de consumentenbeschermende bepalingen waar [gedaagde] zich op beroept immers van toepassing.


Is het consumentenrecht van toepassing?



5.3

[gedaagde] stelt dat er sprake is van een overeenkomst buiten de verkoopruimte of op afstand tussen een handelaar ([eiser]) en consument ([gedaagde]). [eiser] weerspreekt dit.



5.4
De kantonrechter overweegt dat vast is komen te staan dat partijen elkaar al vele jaren kennen en dat zij eerder naar tevredenheid opdrachten aan elkaar verstrekten waarbij vooraf niet over geld werd gepraat. Zij wisten wat zij aan elkaar hadden en gunden elkaar wat. Soms werd er achteraf een (zakelijke) factuur gestuurd, soms niet. Op enig moment wilde [gedaagde] twaalf nieuwe houten luiken van zijn woning gespoten en afgelakt hebben. Daarvoor vroeg hij [eiser] en [eiser] stemde in. Niet ter discussie staat dat de opdracht van [gedaagde] luidde dat de luiken er goed uit moesten komen te zien. Over een prijs of uurtarief is niet gesproken, want het resultaat stond voorop. Het spuiten van luiken van een woning deed [eiser] niet vaker. Vast staat ook dat [eiser] heeft gezegd dat hij niet weet hoeveel tijd de klus gaat kosten. Afgesproken werd dat er “cash” zou worden betaald. Ter zitting hebben partijen erkend dat zij daaronder verstonden dat er geen btw zou worden gerekend. De kantonrechter leidt hieruit ook af dat geen (zakelijke) factuur met btw zou worden gestuurd. Op verzoek van [gedaagde] werd bij de werkzaamheden de spuitcabine in zijn bedrijf en het door hem geleverde verfsysteem gebruikt.



5.5
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het feit dat geen btw zou worden gerekend, sprake is van een overeenkomst tussen twee personen in privé en niet van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Dat [eiser] later alsnog een factuur met btw heeft gestuurd voor de werkzaamheden, maakt niet dat [eiser] achteraf gezien in de relatie tot [gedaagde] als handelaar in de zin van de wet moet worden gekwalificeerd.
De factuur is immers pas gestuurd nadat [gedaagde] jarenlang weigerde te betalen en kan dan ook niet zomaar onderdeel van de overeenkomst zijn.



5.6
De conclusie luidt dat er geen sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daardoor is het in afdeling 2b van titel 5 van het Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde over het herroepingsrecht en de informatieverplichting niet van toepassing en kunnen de daarop gebaseerde verweren van [gedaagde] niet slagen.


Is er een redelijke prijs in rekening gebracht?



5.7

[eiser] stelt dat, nu er geen afspraken over de prijs zijn gemaakt, [gedaagde] een redelijke prijs van € 8.734,86 inclusief btw voor de werkzaamheden is verschuldigd. De kantonrechter moet de vraag beantwoorden of dat inderdaad een redelijke prijs is.



5.8
De kantonrechter stelt vast dat het feit dat de luiken zijn opgehaald voordat de werkzaamheden volledig waren afgerond bij de beoordeling van deze prijs geen rol speelt. Vast staat dat partijen aanvankelijk afspraken dat de luiken weer terug zouden gaan naar [eiser] om het werk af te maken, maar dat [gedaagde] dat later niet meer wilde. [gedaagde] heeft [eiser] daarmee belet om het werk af te maken en [eiser] vordert in deze procedure alleen een vergoeding voor de daadwerkelijke verrichte werkzaamheden tot 15 juni 2021. Daarmee moet geacht worden het werk te zijn opgeleverd. De vraag is of de prijs die [gedaagde] vordert voor zijn werk redelijk is.



5.9
Volgens [eiser] is een redelijke prijs voor de werkzaamheden € 8.734,86 inclusief btw. Dit bedrag bestaat uit:


€ 6.930,00 ex btw voor arbeid (154 uur maal € 45,00 exclusief btw per uur),


€ 113,89 voor kernmateriaal,


€ 175,00 voor facilitair en cabine, en


€ 35,00 voor vervoer naar Vaassen.





5.10

[eiser] legt ter onderbouwing van de prijs voor arbeid een urenregistratie over.



5.11

[gedaagde] betwist dat de in rekening gebrachte prijs van € 8.734,86 redelijk is. Hij voert daarvoor diverse argumenten aan, waarop de kantonrechter hierna in zal gaan.



5.12

[gedaagde] voert aan dat er buitensporig veel tijd is besteed door [eiser]. Gelet op de door [eiser] overgelegde urenregistratie had het echter op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn betwisting nader te onderbouwen. Bijvoorbeeld met een offerte waaruit volgt dat de tijdsbesteding – in aanmerking genomen het beoogde resultaat – niet redelijk is. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter acht de betwisting door [gedaagde] daarom onvoldoende onderbouwd.



5.13

[gedaagde] voert verder aan dat het door [eiser] verrichte werk gebrekkig is en dat hij hierover mondeling heeft geklaagd. [eiser] weerspreekt dit. Nog afgezien van de vraag welk rechtsgevolg [gedaagde] aan zijn stelling verbindt en of [eiser] in de gelegenheid is gesteld om de vermeende gebreken te herstellen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de gebrekkigheid van het werk onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde] legt ter onderbouwing foto’s van de luiken uit 2025 over. Omdat deze foto’s pas jaren na de verrichte werkzaamheden zijn gemaakt, kan op basis daarvan niet komen vast te staan dat het in 2021 uitgevoerde werk door [eiser] gebrekkig was.



5.14

[gedaagde] voert ten slotte aan dat partijen hebben afgesproken dat er “cash”, dat wil zeggen zonder btw, zou worden betaald. [eiser] erkent dit. De kantonrechter begrijpt het zo dat [eiser] vier jaar later als gevolg van de wanbetaling door [gedaagde] alsnog een factuur heeft opgemaakt van € 8.734,86 inclusief btw, waarop de onder 5.9 genoemde posten staan. Ter zitting is komen vast te staan dat [eiser] kort nadat de luiken op 15 juni 2021 zijn opgehaald een briefje bij [gedaagde] heeft afgeleverd waarop staat dat de totale prijs voor de twaalf luiken € 5.820,00 bedraagt. De kantonrechter concludeert hieruit dat dit volgens [eiser] destijds dus de redelijke prijs voor de werkzaamheden was. Aangezien er daarna geen werkzaamheden meer zijn verricht, ziet de kantonrechter niet in waarom de door [eiser] in deze procedure gevorderde (hogere) prijs zou zijn verschuldigd.



5.15
De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat € 5.820,00 een redelijke prijs is voor de verrichte werkzaamheden en wijst de vordering in zoverre toe.


Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente



5.16

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal worden berekend op basis van de hoofdsom van € 5.820,00 die in deze procedure wordt toegewezen. De kantonrechter wijst een bedrag toe van € 666,00.



5.17
De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen, omdat deze is berekend over een te hoge hoofdsom en tot en met 29 augustus 2025, terwijl [gedaagde] op 22 juli 2025 een deelbetaling heeft gedaan. Over het bedrag van de deelbetaling is na 22 juli 2025 geen rente meer verschuldigd. Een gedeeltelijke toewijzing van de gevorderde rente is niet mogelijk, omdat [eiser] geen renteberekening heeft overgelegd en het niet aan de kantonrechter is om zelf een renteberekening te maken. De wettelijke rente zal worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf de datum van de dagvaarding.


Totaal toe te wijzen bedrag



5.18
Uit het voorgaande - en met inachtneming van artikel 6:44 BW - volgt dat in totaal
€ 1.866,00 wordt toegewezen:

- hoofdsom € 5.820,00
- buitengerechtelijke incassokosten € 666,00 +









- betalingen





4.620,00


-/-




Totaal





1.866,00










In reconventie




5.19

[gedaagde] stelt dat de (deel)betaling van € 4.620,00 voor de werkzaamheden aan de houten luiken zonder rechtsgrond is verricht en vordert deze betaling daarom als onverschuldigd terug. De kantonrechter wijst deze vordering af, omdat in conventie is geoordeeld dat voor de verrichte werkzaamheden een prijs van € 5.820,00 is verschuldigd. Daaruit volgt dat de (deel)betaling door [gedaagde] niet zonder rechtsgrond is verricht.


Proceskosten in conventie en in reconventie




5.20

[gedaagde] is in conventie gedeeltelijk in het ongelijk gesteld en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en reconventie worden de proceskosten van [eiser] begroot op:









- kosten van de dagvaarding





120,21







- griffierecht





257,00







- salaris gemachtigde





900,00


(2,5 punten × € 360,00)




- nakosten





108,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.385,71










6 De beslissing


De kantonrechter


In conventie




6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.866,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 11 september 2025, tot de dag van volledige betaling,


In reconventie




6.2
wijst de vordering van [gedaagde] af,


In conventie en reconventie




6.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.385,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. N. Wilmink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Link naar deze uitspraak