|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:2548 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_1797 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde last onder dwangsom en de invordering van een dwangsom van € 5.000. Eiser wil op twee percelen paarden en alpaca’s houden. In verband daarmee heeft hij werkzaamheden verricht op de percelen. Het college heeft eiser onder oplegging van een dwangsom gelast om alle (geplande) (bouw)activiteiten op de percelen te staken en gestaakt te houden. Volgens het college heeft eiser de last overtreden door toch nog een aantal activiteiten te verrichten. Daarom heeft het een dwangsom van € 5.000 ingevorderd. Eiser is het niet eens met de last onder dwangsom en de invordering. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college – anders dan het zelf meent – geen bouwstop heeft opgelegd. Verder oordeelt de rechtbank dat eiser bouw- en aanlegactiviteiten heeft verricht zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Het college was bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding van de Omgevingswet en het omgevingsplan door het opleggen van een last onder dwangsom. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Daarom kon het college in redelijkheid gebruik maken van de bevoegdheid tot handhaving. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eiser de last heeft overtreden en dat het college daarom terecht heeft besloten om een dwangsom van € 5.000 in te vorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | bestuursdwang | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1797
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit de [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een aan [eiser] opgelegde last onder dwangsom en de invordering van een dwangsom van € 5.000. [eiser] wil op twee percelen in [plaats] paarden en alpaca’s houden. In verband daarmee heeft hij werkzaamheden verricht op de percelen. Het college heeft [eiser] onder oplegging van een dwangsom gelast om alle (geplande) (bouw)activiteiten op de percelen te staken en gestaakt te houden. Volgens het college heeft [eiser] de last overtreden door toch nog een aantal activiteiten te verrichten. Daarom heeft het een dwangsom van € 5.000 ingevorderd. [eiser] is het niet eens met de last onder dwangsom en de invordering. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college – anders dan het zelf meent – geen bouwstop heeft opgelegd. Verder oordeelt de rechtbank dat [eiser] bouw- en aanlegactiviteiten heeft verricht zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Het college was bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow) en het omgevingsplan door het opleggen van een last onder dwangsom. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Daarom kon het college in redelijkheid gebruik maken van de bevoegdheid tot handhaving. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat [eiser] de last onder dwangsom heeft overtreden en dat het college daarom terecht heeft besloten om een dwangsom van € 5.000 in te vorderen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft [eiser] met een besluit van 12 augustus 2024 een last onder dwangsom opgelegd (hierna: het dwangsombesluit). Met een besluit van 27 mei 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard en is het bij dat besluit gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Met een besluit van 30 juni 2025 heeft het college besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 5.000 (hierna: het invorderingsbesluit). Met een besluit van 29 januari 2026 heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard en is het bij dat besluit gebleven.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. [eiser] is op de zitting verschenen. Namens het college waren zijn gemachtigde en S.B. van der Hoorn aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiser] heeft een overeenkomst van huurkoop gesloten met de eigenaar van twee percelen aan de [adres] in [plaats], kadastraal bekend als gemeente [locatie 1] en [locatie 2] (hierna: de percelen). Na het betalen van de laatste huurtermijn wordt hij eigenaar van de percelen. [eiser] wil op deze percelen hobbymatig paarden en alpaca’s houden. In verband daarmee heeft hij werkzaamheden verricht op de percelen.
4. Op 29 juli 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente tijdens een controleronde geconstateerd dat op de percelen grond was verplaatst, afgegraven en opgebracht, een omheining in de vorm van een aarden wal en een stroomlint was aangebracht, ruiterpaden en een waterpoel waren aangelegd en twee hooiopslagen (de rechtbank begrijpt: voederplekken) en een schuilschuur voor paarden waren gerealiseerd. De toezichthouder heeft ter plekke [eiser] geadviseerd om met aanleggen te stoppen tot er duidelijkheid is over de mogelijkheden. De toezichthouder heeft zijn bevindingen neergelegd in een controlerapport van diezelfde datum (hierna: het controlerapport). In een e-mail van 29 juli 2024 heeft de toezichthouder [eiser] geadviseerd om het werk pas te hervatten wanneer duidelijk is wat de mogelijkheden zijn.
5. Het college heeft op basis van de bevindingen van de toezichthouder geconcludeerd dat [eiser] zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op de percelen bouw- en aanlegwerkzaamheden heeft verricht. Naar aanleiding daarvan heeft het college [eiser] met het dwangsombesluit gelast om met onmiddellijke ingang alle (geplande) (bouw)activiteiten op de percelen te staken en gestaakt te houden. Daarbij heeft het college meegedeeld dat als [eiser] niet aan deze last voldoet, hij per week dat de overtreding voortduurt een dwangsom van € 5.000 verbeurt met een maximum van € 50.000. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.
6. Op 24 maart 2025 heeft een toezichthouder van de gemeente tijdens een controle geconstateerd dat aan de noordkant van de percelen extra hout en wit zand zijn opgeslagen en dat aan de zuidkant van de percelen extra wit zand is aangebracht, een pad van wit zand verder is uitgebreid en een nieuwe weide is ingericht.
7. Naar aanleiding daarvan heeft het college met het invorderingsbesluit besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 5.000. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep van [eiser] tegen het bestreden besluit ook betrekking op het invorderingsbesluit.
8. Met een besluit van 29 januari 2026 heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard en is het bij dit besluit gebleven.
Toetsingskader
9. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. In dit geval hebben alle handelingen plaatsgevonden na die datum. Daarom is de Ow van toepassing op de hiervoor genoemde besluiten van het college.
9.1.
Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor de gemeente Twenterand is dit het Omgevingsplan gemeente Twenterand (hierna: het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Vóór deze datum gold voor de percelen het bestemmingsplan “Buitengebied Twenterand” (hierna: het bestemmingsplan). Dit plan maakt nu dus deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
9.2.
De percelen hebben op grond van het bestemmingsplan de bestemming “Bos”. Op grond van artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bos” aangewezen gronden - voor zover in deze zaak van belang - bestemd voor (a) bos en bosbouw, (b) het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden en landschapswaarden en (c) extensieve recreatie, met de daarbij behorende ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
9.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het college aan [eiser] een bouwstop opgelegd?
10. De Ow kent geen (expliciete) bevoegdheid tot het opleggen van een bouwstop als een bijzondere vorm van bestuursdwang. Daarvoor is doorslaggevend geweest dat de bouwstop als overbodig werd beschouwd omdat een bestuurlijke sanctie in artikel 5:2 van de Awb zodanig ruim is gedefinieerd, dat daaronder ook het treffen van beheersmaatregelen (het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding) valt. De grondslag voor de bouwstop is nu gelegen in artikel 18.1 van de Ow, in samenhang met – omdat het college in dit geval bevoegd gezag is – artikel 125 van de Gemeentewet. Aan een bouwstop kan een last onder dwangsom worden verbonden die het doel heeft om de beëindigde illegale bouwactiviteit beëindigd te houden. De grondslag daarvoor is, in aanvulling op de hiervoor genoemde bepalingen, artikel 5:32 van de Awb. Overigens zal de rechtbank hierna de term bouwstop blijven gebruiken en de bestaande rechtspraak met betrekking tot de bouwstop bij haar oordeel betrekken.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een op 29 juli 2024 mondeling en per e-mail opgelegde bouwstop en dat deze dus ook niet in het besluit van 12 augustus 2024 is bekrachtigd. Uit het controlerapport en de e-mail blijkt dat op 29 juli 2024 alleen het advies is gegeven om met de werkzaamheden te stoppen en dat geen verplichting is opgelegd om dit te doen. Hieruit volgt dat geen bouwstop is opgelegd en dat dus ook geen sprake kan zijn van de bekrachtiging daarvan.
Waarop ziet de met het besluit van 12 augustus 2024 opgelegde last onder dwangsom?
11. Met het dwangsombesluit van 12 augustus 2024 heeft het college [eiser] gelast om met onmiddellijke ingang alle (geplande) (bouw)activiteiten op de percelen te staken en gestaakt te houden. Dit besluit is gebaseerd op het controlerapport. De rechtbank is van oordeel dat uit dit besluit, gelezen in combinatie met het controlerapport, blijkt dat deze last erop is gericht om te voorkomen dat nieuwe bouwwerken worden gebouwd, dat verder wordt gegaan met het (ver)bouwen van bestaande bouwwerken en dat nieuwe of verdere aanlegwerkzaamheden worden verricht. De last ziet dus niet op het afbreken of verwijderen van bestaande bouwwerken of het ongedaan maken van al verrichte aanlegwerkzaamheden. Dit betekent dat het gaat om een preventieve last. Het college heeft op de zitting nog een keer uitdrukkelijk bevestigd dat de last ook niet ziet op het (voorgenomen) gebruik van de percelen. Daarom is in het kader van deze procedure beantwoording van de vraag of het houden van paarden en alpaca’s valt onder extensieve recreatie in de zin van artikel 6.1 van de planregels van het bestemmingsplan niet van belang.
Was het college bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen?
12. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het college hem ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd. Daartoe voert hij aan dat op het grootste deel van de percelen geen bomen staan. Daarom kunnen de percelen volgens [eiser] nooit (meer) de bestemming “Bos” hebben. Verder voert [eiser] aan dat het houden van paarden op de percelen is toegestaan, nu deze percelen mede zijn bestemd voor extensieve recreatie. Daarnaast voert hij aan dat de door hem geplaatste schuilstal en voederplekken geen bouwwerken zijn, omdat deze lager zijn dan 2 meter en verrijdbaar zijn. Ook voert hij aan dat de bestaande gebouwen al minstens 60 jaar op het perceel staan en al die tijd zijn gedoogd. Volgens [eiser] is de waterpoel ook al 60 jaar aanwezig en is deze slechts opgeschoond. [eiser] stelt dat hij wit zand heeft aangebracht voor het bereikbaar houden van het perceel en het welzijn van de paarden in natte perioden. Het vernieuwen van de 30 jaar oude afrastering is volgens [eiser] geen bouwen maar een normale werkzaamheid.
13. De rechtbank is van oordeel dat het college bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen. Zij zal dit hierna uitleggen.
13.1.
De rechtbank stelt voorop dat de percelen op grond van het bestemmingsplan de bestemming “Bos” hebben en dat dit bij de beoordeling van dit beroep een gegeven is. Het betoog van [eiser] dat op het grootste deel van de percelen geen of weinig bomen staan, betekent niet dat de bestemming niet meer geldt. Wat [eiser] aanvoert kan daarom niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van een overtreding. Als [eiser] wil dat de percelen een andere bestemming krijgen, kan hij de gemeenteraad verzoeken om het omgevingsplan te wijzigen. Dat is echter niet aan de orde in deze beroepsprocedure.
13.2.
Op grond van artikel 22.26 van de planregels van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. Uit de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow volgt dat onder een bouwactiviteit wordt verstaan: een activiteit inhoudende het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. Onder een bouwwerk wordt op grond van deze bijlage – voor zover in deze zaak van belang – verstaan: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Deze begripsomschrijving is gelijk aan de omschrijving in artikel 1, onder 1.33, van de planregels van het bestemmingsplan.
13.3.
Op grond van artikel 6.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 6.1 bedoelde gronden de onderstaande werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
e. aanleggen waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
f. aanleggen en verharden van wegen, paden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen.
13.4.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit wordt op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow verstaan een activiteit inhoudende:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
13.5.
Uit deze bepalingen volgt dat voor het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk en het verrichten van aanlegactiviteiten op de percelen in beginsel een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig was.
13.5.1.
De rechtbank stelt vast dat de last geen betrekking heeft op (het afbreken of verwijderen van) de gebouwen die al op het perceel stonden. Daarom laat de rechtbank wat [eiser] heeft aangevoerd over deze gebouwen verder buiten beschouwing. De rechtbank wijst er wel op dat voor het verbouwen van deze gebouwen mogelijk ook een omgevingsvergunning nodig is.
13.5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser] geplaatste schuilstal en voederplekken moeten worden aangemerkt als bouwwerken. Het gaat om constructies van enige omvang van hout, metaal en/of ander materiaal, die op de plaats van bestemming steun vinden op de grond. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze constructies ook bedoeld om ter plaatse te functioneren. Uit de door [eiser] gegeven toelichting blijkt dat het de bedoeling is dat de dieren die hij op het perceel wil houden bij slecht weer in de schuilstal kunnen schuilen en dat zij bij de voederplekken hooi kunnen eten. Ook blijkt daaruit dat het de bedoeling is dat deze schuilstal en voederplekken op een vaste plek op de percelen blijven staan. Dat deze constructies verrijdbaar zijn, zoals [eiser] heeft gesteld, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Nu de constructies niet in een voor- of achtererf staan, is de hoogte van de constructies niet van belang voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van (vergunningsvrije) bouwwerken.
13.5.3.
De rechtbank is van oordeel dat ook de door [eiser] geplaatste palen met stroomlinten moeten worden aangemerkt als een bouwwerk. De palen met de daartussen gespannen stroomlinten vormen tezamen een constructie van enige omvang. Deze constructie is met de grond verbonden en is bedoeld om ter plaatse te functioneren. Voor zover [eiser] bedoeld heeft aan te voeren dat het plaatsen van de palen met stroomlinten vergunningsvrij is op grond van artikel 22.27 van de planregels van het omgevingsplan of artikel 2.29, aanhef en onder a en j, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, slaagt dit betoog niet. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de palen met stroomlinten niet worden aangemerkt als erfafscheiding, omdat deze niet alleen langs de randen van de percelen zijn geplaatst maar (voor een groot deel) ook binnen in deze percelen. [eiser] heeft op de zitting uitgelegd dat de palen met stroomlinten onderdeel zijn van een paddocksysteem dat bedoeld is om de dieren constant in beweging te houden. Dit systeem was eerder niet aanwezig. Hieruit volgt ook dat geen sprake is van normaal onderhoud van een bestaande erfafscheiding.
13.5.4.
Voor zover [eiser] bedoeld heeft aan te voeren dat het uitgraven van de waterpoel vergunningsvrij was op grond van artikel 6.4.3, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan, slaagt dit betoog ook niet. Het college heeft gemotiveerd betwist dat deze waterpoel al op de percelen aanwezig was. Voor zover de waterpoel al wel aanwezig was, kan het uitgraven daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als normaal onderhoud en beheer. Deze activiteit gaat namelijk verder dan onderhoud dat, gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer, behoud en gebruik van de gronden, als bedoeld in artikel 1, onder 1.70, van de planregels.
13.6.
Het staat vast dat [eiser] geen omgevingsvergunning had voor de in het controlerapport van 29 juli 2024 beschreven bouw- en aanlegactiviteiten. Hieruit volgt dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met de artikelen 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow, artikel 22.26 van de planregels van het omgevingsplan en artikel 6.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan. Het college was bevoegd om hiertegen handhavend op te treden door middel van het opleggen van een preventieve last onder dwangsom. Daarbij is van belang dat op het moment dat deze last werd opgelegd sprake was van een concrete dreiging van verdere overtreding van de genoemde bepalingen. Uit het dossier blijkt namelijk dat [eiser] van plan was om op de percelen nog meer vergelijkbare bouw- en aanlegactiviteiten te verrichten en hij heeft dit ook niet betwist.
13.7.
Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Kon het college in redelijkheid gebruik maken van zijn handhavingsbevoegdheid?
14. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat het college had moeten afzien van handhavend optreden. Het uitgangspunt is dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie. Het betoog van [eiser] dat hij meerdere plannen heeft ingediend bij het college geeft geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een bijzonder geval. Er is namelijk geen concreet zicht op legalisatie omdat [eiser] (nog) geen verzoek heeft ingediend tot wijziging van het omgevingsplan. Ook heeft hij geen aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van de verrichte bouw- en aanlegactiviteiten. De enkele stelling van [eiser] dat hij bereid is om een omgevingsvergunning aan te vragen is onvoldoende. Bovendien heeft het college meegedeeld dat het niet bereid is om een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het omgevingsplan. Daarom heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn handhavingsbevoegdheid en slaagt deze beroepsgrond niet.
Heeft het college terecht een dwangsom van € 5.000 ingevorderd?
15. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte een dwangsom van € 5.000 heeft ingevorderd. Daartoe voert [eiser] aan dat hij de last niet heeft overtreden. Volgens [eiser] heeft hij geen bouwactiviteiten verricht, maar heeft hij alleen normale dagelijkse werkzaamheden tot instandhouding van het perceel uitgevoerd. Verder voert [eiser] aan dat het witte zand en het hout slechts tijdelijk op de percelen liggen.
16. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht een dwangsom van € 5.000 heeft ingevorderd. Zij zal dit hierna toelichten.
16.1.
De rechtbank stelt vast dat het college ten onrechte heeft beslist op het bezwaar van [eiser] tegen het invorderingsbesluit. Nu het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede betrekking heeft op het invorderingsbesluit van 30 juni 2025, stond daartegen niet meer zelfstandig bezwaar open. Het college had het bezwaar dan ook moeten doorsturen naar de rechtbank. De rechtbank zal daarom het besluit op bezwaar van 29 januari 2026 vernietigen en het bezwaar van [eiser] tegen het invorderingsbesluit als beroep behandelen.
16.2.
De rechtbank stelt verder vast dat het invorderingsbesluit geen betrekking heeft op het bouwen van een schuilhut voor pony’s. Daarom zal de rechtbank niet ingaan op wat [eiser] daarover heeft aangevoerd.
16.3.
Het college heeft het besluit tot het invorderen van een dwangsom gebaseerd op:
a. a) het opslaan van hout en wit zand aan de noordkant van de percelen;
b) het aanbrengen van extra wit zand en het inrichten van paden door het aanbrengen van wit zand en het plaatsen van palen met linten aan de zuidkant van de percelen;
c) het inrichten van een weide door het plaatsen van palen met linten aan de zuidkant van de percelen.
16.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bij de onder a) genoemde opslag niet gaat om bouw- of aanlegactiviteiten maar om het gebruik van de percelen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, ziet de last onder dwangsom niet op het gebruik van de percelen. Daarom leidt het tijdelijk opslaan van hout en wit zand aan de noordkant van de percelen niet tot een overtreding van de last. Het college heeft dit op de zitting ook erkend.
16.3.2.
[eiser] heeft niet betwist dat hij de onder b) en c) genoemde activiteiten heeft verricht. Het aanbrengen van extra wit zand en het inrichten van paden door het aanbrengen van wit zand zijn aanlegactiviteiten die vergunningplichtig zijn op grond van artikel 6.4.1, aanhef en onder c en f, van de planregels van het bestemmingsplan. De last is mede gericht op het gestaakt houden van dergelijke activiteiten. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hierbij niet om werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, als bedoeld in artikel 6.4.3 van de planregels. Het ophogen van de ondergrond met wit zand en het aanleggen van nieuwe paden met wit zand kan niet worden aangemerkt als onderhoud dat, gelet op de bestemming “Bos”, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer, behoud en gebruik van de gronden, als bedoeld in artikel 1, onder 1.70, van de planregels. Het plaatsen van palen met linten is een bouwactiviteit die vergunningplichtig is op grond van artikel 22.26 van de planregels van het omgevingsplan. Nu het hier niet gaat om een erfafscheiding en ook niet om onderhoud aan een bestaande omheining, is deze activiteit niet vergunningsvrij. De rechtbank verwijst in dit kader naar wat zij hiervoor heeft overwogen in 13.5.3. De last is mede gericht op het gestaakt houden van dergelijke bouwactiviteiten. Hieruit volgt dat [eiser] door het verrichten van de onder b) en c) genoemde activiteiten de last onder dwangsom heeft overtreden.
16.3.3.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat een dwangsom van € 5.000 is verbeurd en dat het college deze dwangsom bij besluit van 30 juni 2025 terecht heeft ingevorderd. Dit betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond, zowel voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit als voor zover het is gericht tegen het invorderingsbesluit. Dit betekent dat het dwangsombesluit en het invorderingsbesluit van 30 juni 2025 in stand blijven.
18. De rechtbank zal echter wel het besluit op bezwaar van 29 januari 2026 ter zake van de invordering van de dwangsom vernietigen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht aan [eiser] moet vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat niet is gebleken dat [eiser] in het kader van deze beroepsprocedure kosten heeft gemaakt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 29 januari 2026;
- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het invorderingsbesluit van 30 juni 2025;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194 aan [eiser] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
artikel 5:39, eerste lid
Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Omgevingswet (Ow)
artikel 1.1, eerste lid
De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
artikel 5.1, eerste lid
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit […].
artikel 22.1
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, […].
Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: […]
bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk;
bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten;
bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, […].
Invoeringswet Omgevingswet
artikel 4.6, eerste lid
Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden: […]
g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, […].
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
artikel 2.29
Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
a. een bouwwerk voor zover daaraan gewoon onderhoud wordt verricht en daarbij detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet wijzigen; […];
j. een erf- of perceelafscheiding, als die niet hoger is dan 1 m; […].
Omgevingsplan gemeente Twenterand (het omgevingsplan)
artikel 22.26
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
artikel 22.27
Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: […];
f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: […].
Bestemmingsplan “Buitengebied Twenterand” (het bestemmingsplan)
artikel 1
In deze regels wordt verstaan onder: […];
1.28
bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk […];
1.33
bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; […];
1.41
extensieve recreatie: recreatief gebruik van gronden, zoals paardrijden […] en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden alsmede rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair; […];
1.70
normaal onderhoud: het onderhoud dat, gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer, behoud en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren; […].
artikel 6.1
De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bos en bosbouw;
b. het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden en landschapswaarden;
c. extensieve recreatie; […];
met de daarbij behorende ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
artikel 6.4.1
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 6.1 bedoelde gronden de onderstaande werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: […];
c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; […];
e. aanleggen waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
f. aanleggen en verharden van wegen, paden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen.
artikel 6.4.3
De in artikel 6.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden:
a. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; […].
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 244.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1951, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 2.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:911, r.o. 8.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0743, r.o. 2.10. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|