Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:2549 
 
Datum uitspraak:12-05-2026
Datum gepubliceerd:19-05-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:ak_25_1789 en ak_25_1593
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Meststoffenwet. Twee bestuurlijke boetes opgelegd aan intermediair. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister bevoegd om de bestuurlijke boetes op te leggen. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:dierlijke meststoffen
digestaat
landbouw
landbouwgrond
mestopslag
meststoffen
meststoffenwet
vervoersbewijs dierlijke meststoffen
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 25/1789 en 25/1593

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
V.O.F. [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres, hierna: [eiseres]
(gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
hierna de minister.



Samenvatting

Deze uitspraak gaat over twee bestuurlijke boetes die de minister aan [eiseres] heeft opgelegd vanwege het niet gebruiken van het realtime en digitaal Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (rVDM), het niet naar waarheid vooraf doorgeven van gegevens aan het rVDM en het als afnemer niet naar waarheid bevestigen van gegevens in het rVDM.


[eiseres] is het niet eens met deze twee boetes. Volgens haar zijn de boetes onterecht, omdat geen sprake is van overtredingen. De minister had verder volgens [eiseres] niet van de rapporten van bevindingen mogen uitgaan. Ook is [eiseres] van mening dat de minister eerst had moeten waarschuwen alvorens te beboeten, dat de boetes gematigd hadden moeten worden en dat de bestreden besluiten niet correct zijn ondertekend.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiseres] de overtredingen heeft begaan. De minister was bevoegd om [eiseres] daarvoor de bestuurlijke boetes op te leggen. De beroepsgronden van [eiseres] slagen niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

1. Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de minister een bestuurlijke boete ter hoogte van € 2.100,- aan [eiseres] opgelegd.


1.1.
Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij dat besluit gebleven.



1.2.
Bij een ander besluit van 22 januari 2025 heeft de minister een bestuurlijke boete ter hoogte van € 1.500,- aan [eiseres] opgelegd.


1.3.
Met het bestreden besluit van 29 april 2025 (bestreden besluit II) op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij dat besluit gebleven.



1.4.

[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen zowel bestreden besluit I (zaaknummer 25/1789) als bestreden besluit II (zaaknummer 25/1593).



1.5.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (vennoot van [eiseres]) en [eiseres] gemachtigde. Namens de minister zijn mr. B. de Haan, mr. M. Leegsma en [naam 2] (toezichthouder) verschenen.





Beoordeling door de rechtbank


Aanleiding


2. [eiseres] staat sinds december 2019 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geregistreerd als intermediair. Een RVO-intermediair is een bedrijf dat het transport van dierlijke mest regelt en specifieke administratieve en technische eisen moet naleven.


2.1.
Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben op 13 september 2024 en 25 september 2024 controles uitgevoerd in het kader van het toezicht op de naleving van de Meststoffenwet en daaraan gerelateerde wetgeving. De bevindingen van de toezichthouders zijn neergelegd in rapporten van bevindingen. Op basis van deze rapporten is de minister overgegaan tot de besluitvorming zoals beschreven onder ‘Procesverloop’.


De bestreden besluiten


3. Aan bestreden besluit I ligt een rapport van bevindingen van 14 november 2024 ten grondslag. Op basis van dit rapport heeft de minister vastgesteld dat [eiseres] als vervoerder op 13 september 2024 voor één vracht geen gebruik heeft gemaakt van het rVDM, dat [eiseres] het vervoer van dierlijke mest niet naar waarheid vooraf heeft doorgegeven aan het rVDM voor wat betreft rVDM [nummer 1] en dat [eiseres] de gegevens als afnemer niet naar waarheid heeft bevestigd. Hiermee heeft [eiseres] volgens de minister overtredingen met de feitcodes M233, M230 en M248 begaan, in verband waarmee de minister een bestuurlijke boete van € 2.100,- (€ 1.500,- + € 300,- + € 300,-) aan [eiseres] heeft opgelegd.

4. Aan bestreden besluit II ligt een rapport van bevindingen van 7 november 2024 ten grondslag. Op basis van dit rapport heeft de minister vastgesteld dat [eiseres] als vervoerder op 25 september 2024 voor één vracht geen gebruik heeft gemaakt van het rVDM. Hiermee heeft [eiseres] volgens de minister de overtreding met feitcode M233 begaan, in verband waarmee een bestuurlijke boete van € 1.500,- aan [eiseres] is opgelegd.






Beoordelingskader


5. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van een overtreding, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, rust op de minister, als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat [eiseres] de genoemde bepalingen uit de meststoffenwetgeving heeft overtreden en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Bij de hier bestreden besluiten heeft de minister hiervoor gewezen op de inhoud van de rapporten van bevindingen van de NVWA.



5.1.
Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het toezichtrapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.



5.2.
De rechtbank zal hierna per bestreden besluit beoordelen of de minister het bewijs heeft geleverd dat [eiseres] de door de minister gestelde overtredingen heeft begaan en of de in verband daarmee opgelegde boetes in stand kunnen blijven.


Is sprake van de overtredingen genoemd in bestreden besluit I?



Het rapport van bevindingen van 14 november 2024


6. Uit het rapport van bevindingen van 14 november 2024 volgt dat toezichthouder [naam 3] op 13 september 2024 een controle uitvoerde. Vanuit een dienstauto deed hij waarnemingen in [plaats 1].



6.1

[naam 3] zag daarbij een vrachtwagencombinatie stoppen bij een mestopslag. Hij raadpleegde de Inspectie-app en zag daarin de actieve vracht rVDM [nummer 2]. Om 12:18 uur verscheen in de Inspectie-app een GR-GPS losmelding van rVDM [nummer 2] bij deze opslag. [naam 3] zag de vrachtwagencombinatie vervolgens om 12:38 uur vertrekken vanaf de mestopslag. [naam 3] heeft waargenomen dat de vrachtwagencombinatie van [eiseres] met alle wielen aan de grond vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] is gereden. Gelet op het geluid van de optrekkende vrachtwagencombinatie en de trage acceleratie, heeft [naam 3] vastgesteld dat de vrachtwagencombinatie na de losmelding weer geladen moest zijn. Daarom is hij de vrachtwagencombinatie achternagegaan. Omstreeks 13:00 uur stopte de chauffeur bij een mestopslag aan de [adres 1] in [plaats 2]. De chauffeur gaf op vragen van [naam 3] aan dat hij geen rVDM bij zich had en dat hij geladen had bij mestopslag [nummer 3] aan de [adres 2] voor een intern transport tussen geregistreerde mestopslagen van [eiseres]. De toezichthouder heeft vervolgens aan de chauffeur medegedeeld dat de geladen vracht zonder rVDM niet gelost mocht worden in de mestopslag aan de [adres 1] in [plaats 2]. De chauffeur is daarop om 13:13 uur teruggereden naar de mestopslag [nummer 3] in [plaats 1]. [naam 3] is achter hem aan gereden en heeft vastgesteld dat de vracht daar is gelost. De chauffeur gaf aan dat hij de vracht weer zou laden en naar een geregistreerde opslag van [eiseres] in [plaats 3] zou brengen. De chauffeur toonde de toezichthouder hierbij rVDM [nummer 1].



6.2
Op 16 september 2024 constateerde [naam 3] in het digitale dossier dat de GR-GPS losmelding rVDM [nummer 1] niet op de locatie van mestopslag [nummer 4] in [plaats 3] was verstuurd, maar op een locatie aan de Kerkakkerweg in [plaats 4]. De toezichthouder heeft deze locatie bezocht en enkele dagen later E-cert gecontroleerd om de bevestiging van de rVDM's na te gaan. Hieruit bleek onder meer dat [eiseres] op 23 september 2024 om 15:58 uur rVDM [nummer 1] heeft bevestigd als afnemer.



6.3
De rechtbank overweegt dat het rapport van bevindingen van 14 november 2024 is opgesteld door een toezichthouder van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van wat hij heeft waargenomen. Het betoog dat toezichthouder [naam 3] onkundig dan wel vooringenomen is, heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd. De enkele opmerking dat [naam 3] in het verleden bij een concurrent zou hebben gewerkt is hiervoor onvoldoende. Uit het rapport blijkt niet van onrechtmatig handelen van deze toezichthouder. De toezichthouder heeft in het rapport zijn activiteiten inzichtelijk gemaakt en de waarnemingen en bevindingen helder uiteengezet. De rechtbank ziet in [eiseres] betoog geen tekenen van ambtsmisbruik door [naam 3] en geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het rapport van bevindingen van 14 november 2024. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat de minister om deze reden zijn besluitvorming niet mocht baseren op het rapport van bevindingen van 14 november 2024. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, is van onrechtmatig verkregen bewijs geen sprake.


Feitcode M233


7. Volgens [eiseres] was op 13 september 2024 geen sprake van het vervoeren van meststoffen, maar van intern transport. Daarom hoefde zij naar haar mening geen gebruik te maken van het rVDM en is in verband daarmee ten onrechte een boete opgelegd.



7.1
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder s, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (het Uitvoeringsbesluit) bepaalt dat onder het vervoeren van meststoffen wordt verstaan: elk feitelijk transporteren van meststoffen, het laden en lossen van deze meststoffen inbegrepen, met uitzondering van het feitelijk transporteren binnen een bedrijf.



7.2
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder o, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt dat onder een intermediaire onderneming wordt verstaan: een onderneming, niet zijnde een bedrijf, in het kader waarvan al dan niet uitsluitend dierlijke meststoffen worden verhandeld of worden gebruikt.



7.3
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Meststoffenwet bepaalt dat onder een bedrijf wordt verstaan: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden.



7.4
De rechtbank overweegt dat [eiseres] een intermediaire onderneming is en geen bedrijf. Dit staat tussen partijen vast. Gelet op de hiervoor genoemde bepalingen betekent dit dat geen sprake kan zijn geweest van het feitelijk transporteren binnen een bedrijf zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder s en i, van het Uitvoeringsbesluit. In het rapport van bevindingen zijn de waarnemingen beschreven op basis waarvan [naam 3] heeft vastgesteld dat de vrachtwagencombinatie na de losmelding weer geladen moest zijn. Dat in [plaats 2] sprake was van een geladen vrachtwagencombinatie, is ook niet betwist. Dit betekent dat op 13 september 2024 in [plaats 2] dus sprake was van het vervoeren van meststoffen. Op grond van artikel 51, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit en artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (de Uitvoeringsregeling) moest [eiseres] hierbij gebruik maken van het rVDM. Uit het rapport van 14 november 2024 volgt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat op het moment van controle door de toezichthouder bij de mestopslag aan de [adres 1] in [plaats 2], [eiseres] geen gebruik maakte van het rVDM. Hieruit volgt dat de minister bevoegd was om [eiseres] een boete op te leggen voor het overtreden van de verplichting om gebruik te maken van het rVDM bij het vervoeren van meststoffen.


Feitcode M230


8. De minister heeft [eiseres] tegengeworpen dat bij de vooraanmelding bij rVDM [nummer 1] een onjuiste afnemer is vermeld. Het gaat hierbij om de vracht die is geladen in [plaats 1] nadat de toezichthouder de chauffeur vanuit [plaats 2] had laten terugrijden om in [plaats 1] te lossen.



8.1.
Volgens [eiseres] zijn de naam en het adres van de afnemer verkeerd aan hem doorgegeven en wist hij niet dat hij de verkeerde gegevens aan het rVDM doorgaf. Op het moment dat hij daar achter kwam, heeft hij de juiste gegevens alsnog via een wijzigingsverzoek aan de minister doorgegeven.



8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kon de minister uit het rapport van 14 november 2024 concluderen dat [eiseres] bij rVDM [nummer 1] niet de juiste gegevens in de vooraanmelding heeft doorgegeven. Als afnemer stond een geregistreerde opslag van [eiseres] in [plaats 3] vermeld, terwijl deze vracht niet naar [plaats 3] maar naar een overstortcontainer in [plaats 4] en daarna naar een particulier is gegaan. Uit artikel 54, tiende lid, van de Uitvoeringsregeling volgt dat de gegevens over de afnemer die bij de vooraanmelding moeten worden doorgegeven, nog gewijzigd kunnen worden tot het tijdstip van lossen. Dit is niet gebeurd. [eiseres] is hierbij zelf verantwoordelijk voor het naar waarheid doorgeven van gegevens. De chauffeur was aanwezig bij het lossen en kon op dat moment weten dat hij niet in [plaats 3] was. Dat [eiseres] op een later moment nog een wijzigingsverzoek heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders. De minister was bevoegd om [eiseres] een boete op te leggen voor de overtreding met de feitcode M230.


Feitcode M248


9. Bij feitcode M248 gaat het om het bevestigen van gegevens die niet naar waarheid zijn vastgelegd en opgenomen in rVDM.


9.1.
Volgens [eiseres] kan geen sprake zijn van het verstrekken van foutieve gegevens als de gegevens door een derde verkeerd aan hem zijn verstrekt.



9.2.
Uit het rapport van bevindingen volgt dat bij rVDM [nummer 1] [eiseres] als afnemer staat vermeld en dat [eiseres] op 23 september 2024 om 15:58 uur is bevestigd als afnemer. Zoals ook in rechtsoverweging 8.2 is overwogen, was [eiseres] niet de afnemer van de vracht met dit rVDM nummer. [eiseres] is zelf verantwoordelijk voor het naar waarheid doorgeven en bevestigen van gegevens. Het rapport van bevindingen van 14 november 2024 vormt daarmee een voldoende grondslag voor deze overtreding. Het door [eiseres] op 9 december 2024 ingediende wijzigingsverzoek doet hier niet aan af, omdat er tussen het bevestigen van de gegevens en het indienen van het wijzigingsverzoek veel tijd zit (meer dan twee maanden). Het herstellen van verkeerde gegevens op een later moment betekent bovendien niet dat voor de gemaakte fout geen sanctie kan worden opgelegd. De minister was naar het oordeel van de rechtbank daarom bevoegd om [eiseres] een boete op te leggen voor de overtreding met de feitcode M248.


Heeft de minister hiervoor een boete van € 2.100,- in bestreden besluit I kunnen opleggen?



Eerst waarschuwen?


10. [eiseres] is van mening dat de minister eerst had moeten waarschuwen voordat tot boeteoplegging kon worden overgegaan. Volgens haar gaat het niet om ernstige overtredingen en wordt in andere gevallen soms ook eerst gewaarschuwd.



10.1.
De rechtbank volgt [eiseres] niet in dit betoog. In het boetebeleid Meststoffenwet RVO is expliciet vermeld dat de NVWA alle overtredingen die krachtens de Meststoffenwet kunnen worden begaan, aangemerkt heeft als ernstige overtredingen, dat bij deze overtredingen een sanctionerende en/of een corrigerende interventie wordt opgelegd en dat aan dit type overtredingen dus geen waarschuwing voorafgaat. Dat [eiseres] de haar verweten overtredingen niet ernstig vindt, maakt niet dat dit beleid niet toegepast zou moeten worden. Verder volgt uit het Specifiek interventiebeleid NVWA meststoffen evenmin dat op de minister de verplichting rust om eerst te waarschuwen. [eiseres] heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat de minister met deze boeteoplegging in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt.


Bijzondere omstandigheden?


11. Niet in geschil is dat de minister voor de overtreding die betrekking heeft op feitcode M233, een boete ter hoogte van € 1.500,- kon opleggen. Volgens [eiseres] hadden de boetes voor de overtredingen die betrekking hebben op de feitcodes M230 en M248, echter gematigd moeten worden op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



11.1.
De rechtbank moet toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. De boetebedragen van € 300,- voor de overtreding met feitcode M230 en € 300,- voor de overtreding met feitcode M248 zijn vastgelegd in een wettelijk voorschrift. De boetecategorieën zijn namelijk in bijlage M bij de Uitvoeringsregeling opgenomen. Bij deze indeling van overtredingen in boetecategorieën is al rekening gehouden met de ernst van de gevolgen van een overtreding.



11.2.
Uit artikel 5:46, derde lid, van de Awb volgt daarnaast dat, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, zoals hier het geval is, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.



11.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres], met het betoog dat hij geen enkel economisch belang of motief heeft om de gegevens niet naar waarheid aan de minister door te geven, geen bijzondere omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de boete van in totaal € 600,- voor de overtredingen met betrekking tot de feitcodes M230 en M248 te hoog zou zijn.


Voortgezette handeling?


12. Dat bij de feitcodes M230 en M248 sprake is van een voortgezette handeling zodat [eiseres] daarvan slechts één verwijt kan worden gemaakt, volgt de rechtbank niet. Er is in deze situatie sprake van twee gedragingen, namelijk het niet naar waarheid verstrekken van de gegevens van de vooraanmelding door de vervoerder aan het rVDM op 13 september 2024 en het bevestigen van gegevens die niet naar waarheid zijn vastgelegd en opgenomen in het rVDM op 23 september 2024. Dit zijn verschillende handelingen die op verschillende momenten hebben plaatsgevonden. De minister heeft daarom voor beide overtredingen afzonderlijk een boete van € 300,- kunnen opleggen.


Conclusie bestreden besluit I


13. Het voorgaande betekent dat de minister naar het oordeel van de rechtbank aan [eiseres] een boete van € 2.100,- kon opleggen.


Is sprake van de overtreding genoemd in bestreden besluit II?



Het rapport van 7 november 2024


14. Uit het rapport van bevindingen van 7 november 2024 volgt dat de toezichthouders [naam 3] en [naam 2] op 25 september 2024 een controle hebben uitgevoerd in [plaats 1]. Zij hebben waarnemingen gedaan en de Inspectie-app geraadpleegd met betrekking tot een zwarte truck met een rode mestoplegger die geregistreerd staat op naam van [eiseres].



14.1.
Volgens de Inspectie-app zou een vracht met rVDM nummer [nummer 5] gelost worden in opslagnummer [nummer 3] (een mestopslag in gebruik bij [eiseres]). Om 11.23 uur verscheen in de Inspectie-app bij deze mestopslag een GR-GPS losmelding die betrekking had op dit rVDM. Gelet op deze bevindingen was de betreffende vracht digestaat gelost in opslagnummer [nummer 3]. Om 11:33 uur zagen de toezichthouders de genoemde vrachtwagencombinatie vertrekken. Bij het voorbijrijden zagen zij dat alle wielen van de mestoplegger op de grond waren en mede gelet op het geluid van de optrekkende vrachtwagencombinatie en de trage acceleratie hiervan, stelden zij dat deze kennelijk was geladen. In de Inspectie-app was voor de vrachtwagencombinatie op dat moment geen actief rVDM zichtbaar en bij genoemde mestopslag stond geen recente GR-GPS laadmelding.



14.2.
De toezichthouders zijn de vrachtwagencombinatie achternagereden om deze te kunnen controleren. De vrachtwagencombinatie reed naar [plaats 5], waar deze zeer langzaam begon te rijden en wat begon te slingeren. Vermoedelijk zodat de chauffeur beter in de spiegels kon kijken wie achter hem reed. De vrachtwagencombinatie heeft vervolgens enkele afslagen genomen, waardoor een rondje is gereden. Vermoedelijk had de chauffeur door dat hij werd gevolgd. De vrachtwagencombinatie reed vervolgens naar [bedrijf] in [plaats 6]. De chauffeur wilde daar desgevraagd zijn persoonsgegevens niet aan de toezichthouders bekendmaken en gaf aan dat hij een probleem had met de vrachtwagencombinatie. De chauffeur heeft uiteindelijk een handgeschreven weegbon getoond en, op de vraag of hij een actieve rVDM bij zich had, geantwoord dat hij alles had laten zien wat hij bij zich had en dat de toezichthouders niets meer te zien kregen.



14.3.
De toezichthouders hebben daarop het vermoeden geuit dat de chauffeur na het lossen van de rVDM [nummer 5] weer had geladen uit opslag [nummer 3] en een vracht zonder rVDM bij zich had. In reactie op de vraag of hij een aan boord-weging wilde doen, antwoordde de chauffeur dat niets van de oplegger meer werkte en een aan boord-weging niet mogelijk was. De chauffeur en een monteur zijn vervolgens in de cabine van de truck gestapt. De toezichthouders zagen dat de monteur met vermoedelijk een schroevendraaier iets draaide bij het dashboard van de truck en later een multimeter bij het dashboard hield. Enkele minuten later stapte de monteur uit de cabine en gaf aan dat de pomp het weer moest doen. Volgens de toezichthouders was er niets werkelijk gerepareerd, aangezien de monteur slechts enkele minuten bij het dashboard aan de bijrijderskant van de truck was geweest en de pomp achter op de mestoplegger zit.



14.4.
De toezichthouders zijn om 13:15 uur achter de vrachtwagencombinatie aan teruggereden naar de mestopslag in [plaats 1]. Om 13:53 uur is de mestoplegger daar gelost. De toezichthouders hebben op 10 oktober 2024 met [eiseres] gesproken en op 17 oktober 2024 met de eigenaar van [bedrijf].



14.5.
Het rapport van 7 november 2024 is opgesteld en ondertekend door de toezichthouders [naam 3] en [naam 2]. Uit het rapport blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van onrechtmatig handelen van deze toezichthouders. Zij hebben in het rapport de activiteiten inzichtelijk gemaakt en de waarnemingen en bevindingen helder uiteengezet. Voor zover [eiseres] twijfels heeft geuit over het functioneren van [naam 3], verwijst de rechtbank naar de overwegingen hierover in rechtsoverweging 6.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het rapport van 7 november 2024.


Feitcode M233


15. Volgens [eiseres] heeft geen overtreding plaatsgevonden en heeft de minister de overtreding niet bewezen. [eiseres] heeft gesteld dat de pomp kapot is gegaan tijdens het lossen bij opslag [nummer 3]. Er is op dat moment ten onrechte al een automatische losmelding verzonden. De chauffeur heeft de pomp vervolgens in [plaats 6] laten repareren en daarna de vracht verder gelost bij de mestopslag met nummer [nummer 3]. Dit is volgens [eiseres] conform het rVDM.



15.1.
Het betoog dat sprake was van een kapotte pomp waardoor het lossen niet goed is gegaan en ten onrechte een losmelding is verstuurd, volgt de rechtbank niet. De toezichthouders hebben in het rapport het vermoeden beschreven dat niet werkelijk iets is gerepareerd bij [bedrijf], aangezien de monteur slechts enkele minuten bij het dashboard aan de bijrijderskant van de truck is geweest en de pomp achter op de mestoplegger zit. Aangezien toezichthouders geacht worden te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden, kan aan deze bevinding niet zomaar voorbij worden gegaan. Het vermoeden van de toezichthouders dat er niets is gerepareerd, is vervolgens bevestigd door een verklaring van de eigenaar van [bedrijf]. Deze eigenaar heeft op 17 oktober 2024 over de gebeurtenissen op 25 september 2024 verklaard dat er niets is gerepareerd en dat er ook geen factuur is. Verder is van belang dat de chauffeur eerst een rondje heeft gereden voordat hij naar [bedrijf] is gegaan. Dit ligt bij een defecte pomp niet voor de hand. Ook is er wisselend verklaard over wat het defect aan de pomp zou zijn. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is het magneetventiel genoemd, maar [eiseres] heeft op 10 oktober 2024 verklaard dat de printplaat achter op de VMA-kast kapotging. Gelet op het rapport van bevindingen en deze wisselende verklaringen acht de rechtbank niet aannemelijk dat de pomp stuk was en dat deze bij [bedrijf] is gerepareerd. Aan de pas op een veel later moment overgelegde factuur van [bedrijf] met de datum 9 oktober 2024 kent de rechtbank dan ook geen betekenis toe. Dat de losmelding van 25 september 2024 om 11:23 uur ten onrechte zou zijn verzonden, blijkt voorts ook niet uit de door [eiseres] zelf gegeven bevestiging van deze losmelding op 26 september 2024. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de chauffeur bewust bij opslagnummer [nummer 3] is weggereden met een (deels of opnieuw) geladen mestoplegger.



15.2.
Uit het rapport van bevindingen van 7 november 2024 volgt dat er een GR-GPS losmelding om 11:23 uur verscheen bij opslag [nummer 3]. Mede gelet op wat in rechtsoverweging 15.1 is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet van de juistheid van deze losmelding uit te gaan. Verder kan uit de waarnemingen van de toezichthouders over het daarna wegrijden met de wielen aan de grond en het trage accelereren worden afgeleid dat de vrachtwagencombinatie (weer) met dierlijke mest geladen was. De chauffeur is in [plaats 6] nog in de gelegenheid gesteld het tegendeel te bewijzen door een aan boord-weging te doen, maar heeft hieraan niet willen meewerken. Dat de vrachtwagencombinatie – voorafgaand aan het bezoek aan [plaats 6] – bij mestopslag [nummer 3] geladen was, volgt ook uit de omstandigheid dat de vrachtwagencombinatie kon worden gelost na het bezoek aan [bedrijf] in [plaats 6]. Dit is alleen mogelijk als ze (deels of opnieuw) geladen was. Uit het rapport van 7 november 2024 volgt verder dat ten tijde van de controle door de toezichthouders in [plaats 6] geen sprake was van een actief rVDM. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bevoegd was om [eiseres] een boete op te leggen voor het overtreden van de verplichting om gebruik te maken van het rVDM bij het vervoeren van meststoffen.




Heeft de minister hiervoor een boete van € 1.500,- in bestreden besluit II kunnen opleggen?



Bijzondere omstandigheden?


16. Volgens [eiseres] had deze boete gematigd moeten worden op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb.



16.1.
Voor het hierbij relevante toetsingskader verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 11.2.



16.2.
Niet in geschil is dat de minister voor de overtreding die betrekking heeft op feitcode M233, een boete ter hoogte van € 1.500,- kon opleggen.



16.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] met het betoog dat hij geen economisch voordeel heeft gehad, geen bijzondere omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de boete van in totaal € 1.500,- voor deze overtreding te hoog is. Op de zitting heeft [eiseres] er nog op gewezen dat de storing aan de pomp ook maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot een matiging. Dit betoog slaagt niet, omdat niet wordt gevolgd dat de pomp kapot was.


Dezelfde overtreding?


17. Voor zover [eiseres] heeft betoogd dat deze boete gematigd had moeten worden omdat op 13 september 2024 dezelfde overtreding is vastgesteld, volgt de rechtbank dat niet. Uit het in het Boetebeleid Meststoffenwet RVO opgenomen matigingsbeleid volgt dat bij meerdere overtredingen bij één controle, de minimale boete eenmaal het boetebedrag bedraagt dat voor de bewuste overtreding kan worden opgelegd. Bij de op 13 september 2024 en 25 september 2024 geconstateerde overtredingen was echter sprake van twee verschillende controles. Het ging om controles op verschillende dagen en ten aanzien van verschillende vrachtwagencombinaties. Daarom biedt voornoemd matigingsbeleid geen aanknopingspunt om tot een matiging van de boete over te gaan.


Conclusie bestreden besluit II


18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan [eiseres] een boete van € 1.500,- op kunnen leggen.


Overige beroepsgronden



Digitale ondertekening


19. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat bestreden besluit I en bestreden besluit II geen stand kunnen houden omdat ze niet voldoen aan de vereisten voor een elektronische handtekening. De besluiten zijn namelijk met een gescande handtekening ondertekend.



19.1.
In navolging van de uitspraak van 3 maart 2026 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven ziet de rechtbank geen reden voor twijfel aan de juistheid en betrouwbaarheid van de ondertekening van de hier bestreden besluiten of voor strijd met bepalingen voor het uitoefenen van mandaat uit afdeling 10.1.1 van de Awb. De stelling dat niet valt te controleren of degene wiens naam onder de beslissing staat, deze beslissing ook daadwerkelijk heeft ondertekend, is daarvoor onvoldoende.


Geen uitstel van betaling


20. [eiseres] heeft verzocht om uitstel van betaling van beide boetes. Naar zijn mening is de afwijzing van dit verzoek door de minister in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.



20.1.
Wat betreft het gelijkheidsbeginsel heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt dat in gelijke gevallen ongelijk is gehandeld. Zoals de minister op de zitting heeft toegelicht, kan bij het overleggen van een bankverklaring uitstel van betaling worden verleend. Mogelijk was dat aan de orde in de door [eiseres] aangehaalde andere situatie. Wat betreft het evenredigheidsbeginsel heeft [eiseres] ter zitting bevestigd dat de boetes zijn betaald en dat het bedrijf niet op omvallen staat. Van strijd met dit beginsel is de rechtbank dan ook niet gebleken.





Conclusie en gevolgen

21. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/1789 is ongegrond. Bestreden besluit I blijft in stand.


21.1.
Het beroep met zaaknummer ZWO 25/1593 is ongegrond. Bestreden besluit II blijft in stand.



21.2.
Dit betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. [eiseres] krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug. [eiseres] krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.


















Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ZWO 25/1789 ongegrond;
- verklaart het beroep ZWO 25/1593 ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzitter, en mr. K. Ides en mr. A.J.G.M. van Montfort, leden, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op












griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



GR-GPS staat voor Gegevens Registratie – Global Positioning System.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juni 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2024:388.


GR-GPS staat voor Gegevens Registratie – Global Positioning System.


ECLI:NL:CBB:2026:63
Link naar deze uitspraak