Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:3304 
 
Datum uitspraak:12-06-2026
Datum gepubliceerd:19-06-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:AK_25_1688
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de Participatiewet (PW) -uitkering van eiser over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023. Eiser verbleef in die periode in het buitenland. Schending inlichtingenplicht. Niet verschoonbaar. Na zijn terugkeer in november 23 heeft eiser in februari 24 opnieuw een uitkering gekregen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
huurovereenkomst
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1688

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], [eiser]
(gemachtigde: mr. L. de Widt),

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de Participatiewet (PW) -uitkering van [eiser] over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023. [eiser] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit rechtmatig is. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop

2. Bij besluit van 6 november 2024 heeft het college de PW-uitkering van [eiser] over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023 ingetrokken en de terugvordering over deze periode aangekondigd.2.1. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij dat besluit gebleven.2.2. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij uitspraak van 30 juni 2025 heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


2.3.
Bij besluit van 12 februari 2025 (primair besluit) heeft het college over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023 een bedrag van € 2.738,-- teruggevorderd aan onterecht uitgekeerde PW-uitkering. Omdat de besluitvorming van het college lang heeft geduurd wordt het bedrag dat van [eiser] wordt teruggevorderd niet gebruteerd en ook wordt er geen boete opgelegd. Er zijn overigens geen dringende redenen die maken dat de terugvordering gematigd zou moeten worden.



2.4.
Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij dat primaire besluit gebleven.



2.5.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college.


2.7.
Het onderzoek ter zitting is geschorst naar aanleiding van hetgeen besproken is ter zitting. Het college is hierbij in de gelegenheid gesteld het besluit te wijzigen.2.8. Het college heeft hierop gereageerd bij emailbericht van 6 oktober 2025. Bij brief van 23 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd op dit emailbericht.2.9. Bij brief van 17 november 2025 heeft de rechtbank het college verzocht te melden of zij nog voornemens is om het bestreden besluit te wijzigen of dat zij thans een gewijzigd standpunt aanneemt ten opzichte van het standpunt ter zitting.


2.10.
Bij brief van 2 december 2025 heeft het college de rechtbank bericht dat zij het bestreden besluit alsnog handhaaft.



2.11.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op 17 april 2026. Aanwezig waren de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiser] had vanaf 1 oktober 2009 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Eerst op grond van de Wet Werk en Bijstand en nadien op grond van de PW.



3.1.
Op 16 mei 2022 is een controleur bij [eiser] woning langs geweest. Hij zag stapels post in de woning. Het college heeft daarop getracht telefonisch contact te krijgen met [eiser], maar is hierin niet geslaagd.



3.2.
Op 8 juni 2023 heeft het college [eiser] verzocht voor 22 juni 2023 gegevens aan te leveren, omdat onduidelijk was of [eiser] nog op zijn woonadres verbleef. [eiser] heeft hier niet op gereageerd.



3.3.
Bij besluit van 6 juli 2023 heeft het college met ingang van 16 mei 2023 de uitkering van [eiser] ingetrokken en beëindigd vanwege schending van de medewerkingsplicht.

[eiser] heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het staat daarmee in rechte vast.



3.4.
Op 27 december 2023 heeft het college naar aanleiding van een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering reisdocumenten van [eiser] ontvangen. Hieruit blijkt dat [eiser] op 8 februari 2023 gereisd heeft van Qatar naar Irak en op dat moment dus niet in Nederland verbleef. Op 30 november 2023 is [eiser] Nederland opnieuw ingereisd.



3.5.
Gelet op de verkregen informatie bij een nieuwe aanvraag om een uitkering van [eiser] heeft het college bij [eiser] informatie opgevraagd over de periode van1 december 2022 tot en met 15 mei 2023.



3.6.
In het besluit van 6 november 2024 heeft het college de PW-uitkering van [eiser] over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023 ingetrokken omdat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. [eiser] heeft ten onrechte niet aan het college gemeld dat hij vanaf 8 februari 2023 niet meer in Nederland verbleef. Vanaf 7 maart 2023 verbleef [eiser] meer dan vier weken in het buitenland, waardoor hij vanaf die datum geen recht meer had op een PW-uitkering. In het besluit van 4 februari 2025 heeft het college dit standpunt gehandhaafd. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard door deze rechtbank bij uitspraak van 30 juni 2025.



3.7.
Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “procesverloop”.


Beroepsgronden

4. [eiser] stelt dat het verschoonbaar is dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Hierbij heeft hij verwezen naar de gronden, zoals hij deze heeft aangevoerd in zijn eerdere procedure, die heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 30 juni 2025. Gelet op dat feitencomplex waren er dringende redenen om af te zien van de terugvordering.

[eiser] heeft er voorts op gewezen dat, toen hij terugkwam in Nederland in november 2023, hij zich direct heeft gemeld bij het college. Het college heeft toen gezegd dat de uitkering was gestopt. De medewerker zou geen nieuwe bijstandsuitkering aanvragen voor [eiser], omdat door het niet betalen van zijn huur vanaf augustus 2023 (3-maandentermijn) er een gerechtelijke procedure zou worden gevoerd door de woningbouwvereniging om [eiser] uit zijn woning te zetten en deze procedure eerst afgewacht moest worden. Het college was onverbiddelijk en [eiser] werd met een lege bankrekening en zonder zicht op een uitkering, maar met een woning in de gemeente naar huis gestuurd. Dit terwijl duidelijk was dat de huisuitzettingsprocedure pas zou plaatsvinden in februari 2024. Daardoor heeft [eiser] maandenlang ook na zijn terugkomst in Nederland geen bijstandsuitkering ontvangen. Hij heeft in februari 2024 nogmaals contact opgenomen met het college met de vraag waarom hij nog geen uitkering had ontvangen.


4.1.
Bij de kantonrechter heeft op 27 februari 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de woningbouwvereniging de rechtbank heeft verzocht om de huurovereenkomst met [eiser] te ontbinden. Dit verzoek is door de kantonrechter toegekend. Derhalve stond [eiser] per 1 mei 2024 op straat en heeft hij eerst onderdak gevonden bij Humanitas in Almelo, zijnde een crisisopvangplek, en vervolgens na enige tijd bij Humanitas Hengelo. Pas in juli 2025 is aan [eiser] een opnieuw eigen woning toegewezen. Ditmaal in de gemeente Geesteren.


4.2.
Het college stelt zich nu op het standpunt dat er op 27 februari 2024 wel een bijstandsuitkering is verstrekt. Daarover heeft de gemachtigde geen informatie beschikbaar en zij was daarvan niet op de hoogte. Het eerste dat wordt opgemerkt, is dat [eiser] uiteindelijk de woning leeg moest opleveren aan de woningstichting per 30 april 2024, waardoor de reguliere bijstandsuitkering maximaal tot en met 30 april 2024 heeft gelopen.
Ten tweede wordt opgemerkt dat de datum van de toekenning van de bijstandsuitkering per 27 februari 2024 exact samenvalt met de dag waarop de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft plaatsgevonden.


4.3.
Gezien het vorengaande is [eiser] van mening dat er sprake is van een verschoonbare, dan wel niet verwijtbare schending van de inlichtingenplicht waardoor er geen sprake meer is van een verplichting voor het college tot een terugvordering. Tevens is de zes maanden jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van toepassing.
Voor wat betreft de evenredigheidstoets is het niet opleggen van een boete door het college niet dusdanig dat daarmee kan worden gezegd dat de terugvordering evenredig is en evenmin omdat er sprake is van een netto terugvordering in plaats van een bruto terugvordering.



4.4.

[eiser] voert ten slotte aan dat het college op de zitting van 3 oktober 2025 de uitdrukkelijke toezegging heeft gedaan dat het bestreden besluit zou worden ingetrokken omdat [eiser] onterecht geen uitkering heeft ontvangen. Het college heeft daarmee aanzienlijk kosten bespaard, waardoor een terugvordering niet terecht is. [eiser] doet in dat kader een beroep op het vertrouwensbeginsel.



Beoordeling door de rechtbank

Beoordeling van de beroepsgronden

5. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de terugvordering van dePW-uitkering over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023. De rechtbank behandelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] voor zover deze betrekking hebben op de terugvordering.


5.1.
Niet in geschil is dat [eiser] op 8 februari 2023 Nederland heeft verlaten en pas in november 2023 terug is gekeerd en dat hij dit niet bij het college heeft gemeld.


5.2.

[eiser] heeft (opnieuw) beroepsgronden ingediend ten aanzien van het besluit van6 juli 2023 en ten aanzien van de ingangsdatum van zijn later (opnieuw) toegekendePW-uitkering. Deze gronden hebben echter geen betrekking op het bestreden besluit, vallen daarom buiten de omvang van het geding en behoeven geen bespreking.
Voorts wijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak ten aanzien van de intrekking van de uitkering over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023 en verwijst zij in dat kader naar haar oordeel ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank ziet in hetgeen thans is aangevoerd geen reden daar anders over te oordelen. [eiser] heeft dan ook de inlichtingenplicht geschonden.


Zes maanden jurisprudentie



5.3.
Het beroep van [eiser] op de zes maanden jurisprudentie kan niet slagen.
Deze jurisprudentie is doorgaans enkel van toepassing in het geval een terugvordering onnodig is opgelopen door een stilzitten van het college en er geen schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden. Er is echter wel sprake van een inlichtingenschending. Aangezien sprake is van een afgesloten periode in het verleden is de terugvordering ook niet door het toedoen van het college onnodig opgelopen. Ook om die reden faalt het beroep op dit beginsel.

Dringende redenen
5.4. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van [eiser] aldus, dat hij een beroep doet op dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. In de omstandigheid dat [eiser] vader ernstig ziek bleek en dat hij onverhoopt langdurig in het buitenland heeft verbleven ziet de rechtbank echter onvoldoende reden voor toepassing van deze bepaling. Dat dit een nare situatie was voor [eiser] is duidelijk. Dat hij echter op geen enkel moment het college hierover zou hebben kunnen inlichten is niet navolgbaar.
Evenmin ziet de rechtbank dringende redenen in de gang van zaken omtrent de nieuwe bijstandsuitkering van [eiser] en de uitzetting van zijn woning op 30 april 2024.
In tegenstelling tot hetgeen is besproken op de zitting van 3 oktober 2025 heeft het college geen aanzienlijke besparing gehad, doordat [eiser] langere tijd geen bijstandsuitkering had. Immers, uit nader onderzoek van het college is gebleken dat [eiser] met ingang van27 februari 2024 opnieuw een bijstandsuitkering heeft ontvangen en dat hij deze ook nog drie maanden heeft ontvangen nadat hij buiten de gemeente verbleef. De rechtbank ziet geen reden om [eiser] te volgen in de door hem geschetste gang van zaken ten aanzien van de bijstandsaanvraag vanwege de door hem afgelegde tegenstrijdige verklaringen. Zo heeft hij verklaard geen bijstandsaanvraag te mogen doen in december 2023, maar vervolgens verklaart hij toch in februari 2024 bij het college te vragen waarom hij nog geen uitkering heeft ontvangen. Dit is niet met elkaar te rijmen. Daar komt bij dat het college heeft verklaard dat [eiser] in december contact heeft gehad met een werkconsulent die niet bevoegd is tot het behandelen van de aanvraag. Deze werkconsulent was degene waar [eiser] regelmatig contact mee had en diens status had hem dan ook bekend kunnen zijn. Voorts heeft het college ter zitting verklaard dat het zeker geen beleid is om een bijstandsuitkering te weigeren als sprake is van een kort geding op termijn vanwege een woningontruiming. [eiser] heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat dit bij hem wel het geval zou zijn geweest.


Vertrouwensbeginsel



5.5.
Op de zitting van 3 oktober 2025 stelde [eiser] dat hij na december 2023 nimmer een bijstandsuitkering van het college had gehad. Onder die omstandigheden kon het college de stelling volgen dat zij in dat geval financieel voordeel zou hebben gehad, omdat er geen bijstandsuitkering was verstrekt en een terugvordering niet meer in de rede lag.
Gelet op het nadere onderzoek door het college is bovenstaand uitgangspunt echter onjuist gebleken aangezien [eiser] wel degelijk vanaf 27 februari 2024 opnieuw een bijstandsuitkering heeft gehad voor een aantal maanden. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het dan ook niet terecht om het college aan een eventuele toezegging te houden. [eiser] wist immers dat hij een bijstandsuitkering had gehad en heeft dit onjuiste beeld niet gecorrigeerd ter zitting, waar dit wel mogelijk en noodzakelijk was.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













Griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Participatiewet


Artikel 58. Terugvordering
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
8 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


ECLI:NL:RBOVE:2025:4278.


ECLI:NL:RBOVE:2025:4278.
Link naar deze uitspraak