|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:3805 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | C/08/334585 / HA ZA 25-19 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Eindvonnis afwikkeling huwelijksgoederengemeenschap. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | inkomstenbelasting | | | kinderopvangtoeslag | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/334585 / HA ZA 25-190
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[partij A]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J. Bouwhuis,
tegen
[partij B]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.E. Beeker.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026;
- de akte met producties 7a en 7b van de man van 17 maart 2026;- de brief met producties 12 en 13 van de vrouw van 18 maart 2026;
- de antwoordakte met producties 14 t/m 16 van de vrouw van 7 april 2026;
- de brief met productie 17 van de vrouw van 8 april 2026;
- de antwoordakte van de man van 14 april 2026;
- akte uitlating producties van de man van 28 april 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Samenvatting
2.1
Bij vonnis van 18 februari 2026 heeft de rechtbank inhoudelijk geoordeeld over het merendeel van de vorderingen van de man en de vrouw. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen nader te onderbouwen door het indienen van een akte met stukken. Voor de man gaat het om zijn stelling dat de afschrijvingen zoals hij die heeft vermeld in het als productie 7 verstrekte overzicht onttrekkingen aan de kindrekening betreffen die door de vrouw vanaf maart 2023 zijn gedaan ter voldoening van haar eigen financiële lasten. Voor de vrouw gaat het om de stelling dat zij de IB aanslag 2021 van partijen na de peildatum nog van haar zakelijke rekening eindigend op [rekeningnummer 1] [toevoeging rechtbank: bedoeld is eindigend op [rekeningnummer 2] ] heeft betaald. Partijen hebben nadien nog over en weer op elkaars stukken gereageerd.
2.2
Namens de vrouw is een nieuwe reconventionele vordering ingediend en zij heeft in haar antwoordakte en bij brief van 8 april 2026 zelf ook nog stukken ingediend. De rechtbank laat deze eisvermeerdering van de vrouw buiten beschouwing en ook de door de vrouw ingediende producties worden buiten beschouwing gelaten. De rechtbank komt ook niet terug op de bindende eindbeslissing over de betaling van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 door de vrouw, voor zover dit door de vrouw is verzocht.
2.3
De rechtbank wijst de vordering van de man tot (terug)betaling door de vrouw van € 2.637,15 aan de kindrekening toe en de rechtbank zal op het tussen partijen te verdelen saldo op de zakelijke spaarrekening van de vrouw per peildatum een bedrag van € 2.036,- in mindering brengen, alsmede het in het tussenvonnis genoemde bedrag van € 3.785,-.
3De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
3.1
Omdat de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie samenhangen, zullen deze hierna tezamen worden beoordeeld.
Vooraf
Ingediende producties bij akte van de vrouw van 7 april en bij brief van 8 april 2026
3.2
De rechtbank laat de door de vrouw bij antwoordakte van 7 april 2026 en brief van 8 april 2026 ingediende producties buiten beschouwing. Producties moeten volgens artikel 87 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zoveel mogelijk onmiddellijk bij conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de zitting in het geding worden gebracht. De producties bij de akte van 7 april 2026 en de brief van 8 april 2026 zijn in het licht van de concentratie van het verweer te laat ingediend door de vrouw. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de ingediende producties en de rechtbank volgt dat bezwaar. Bij tussenvonnis is het de vrouw enkel toegestaan om bij antwoordakte te reageren op de door de man op 17 maart 2026 genomen akte met producties. De door haar ingediende producties werpen weer een nieuw (geschil)punt op en de vrouw heeft voor indiening van deze producties met toelichting geen toestemming aan de rechtbank gevraagd.
Eisvermeerdering van de vrouw
3.3
De rechtbank laat ook de door de vrouw bij akte van 7 april 2026 nieuw ingediende reconventionele vordering, inhoudende de man te veroordelen om het bedrag ad € 293,- aan de kindrekening te laten betalen, buiten beschouwing.
3.4
Op grond van artikel 130 Rv is een eisende partij bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen zolang geen eindvonnis is gewezen. De rechter kan, na bezwaar van de wederpartij of ambtshalve, de verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten indien deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Artikel 2.26 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbank handel en kanton bepaalt dat een partij die haar eis of gronden daarvan wijzigt of vermeerdert dit duidelijk vermeldt in de titel van haar processtuk en in handelszaken moet dit ook op het B-formulier worden vermeld.
3.5
De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de man niet van zijn eigen rekening maar van de kindrekening de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 heeft betaald en dat hij om die reden gehouden zou zijn om dit bedrag aan de kindrekening terug te betalen. De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering op de grond dat indiening van een nieuwe reconventionele vordering in dit stadium van de procedure in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
3.6
De rechtbank overweegt dat in het laatste tussenvonnis op vrijwel alle vorderingen en tegenvorderingen is beslist. Ook op de vordering van de man tot betaling van de vrouw aan de man van een bedrag van € 293,- ten behoeve van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 is een bindende eindbeslissing genomen. Er moest alleen nog worden beslist op de vordering van de man over de onttrekkingen die door de vrouw ten behoeve van haarzelf aan de kindrekening zouden zijn gedaan vanaf maart 2023 en op de verdeling van het saldo van de zakelijke rekening van de vrouw. De nieuwe vordering van de vrouw ziet op een nieuw discussiepunt, namelijk of de man de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 van zijn eigen rekening of van de kindrekening voldaan heeft. Dit geschilpunt staat los van de kwesties waarover de rechtbank eerder heeft geoordeeld en vraagt om een nieuw debat tussen partijen, waardoor het geding - mede gelet op het vergevorderde stadium waarin het zich bevindt - onredelijk zou worden vertraagd.
Bovendien constateert de rechtbank dat de eisvermeerdering niet conform artikel 2.26 van het Landelijk Procesreglement is ingediend nu niet in de titel van het processtuk is vermeld dat het (tevens) een akte eisvermeerdering betreft. Ook in het B- formulier is dit niet opgenomen. Dit alles leidt tot de conclusie dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De eisvermeerdering wordt om voorgaande redenen dus buiten beschouwing gelaten.
Terugkomen bindende eindbeslissing
3.7
Voor zover de vrouw de rechtbank verzoekt om terug te komen op de bindende eindbeslissing over de betaling van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.21. van het tussenvonnis, wordt dit verzoek afgewezen.
3.8
Een rechter, die in een tussenuitspraak op één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gebaseerd op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, die zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.
3.9
Zoals in rechtsoverweging 3.6. al is overwogen heeft de vrouw in haar akte van 7 april 2026 voor het eerst gesteld dat zij geen € 293,- aan de man maar op de kindrekening moet betalen omdat de man de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 van de kindrekening lijkt te hebben betaald. De vrouw verwijst in dat verband naar betalingen die vanaf januari 2025 (en dus ruim voor de mondelinge behandeling) van de kindrekening aan de Belastingdienst zijn gedaan, maar zij laat na om toe te lichten waaruit zij afleidt dat deze betalingen betrekking hebben op de naheffingsaanslag kinderopvangtoeslag 2022. Bovendien heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling de vordering van de man erkend en ook niet betwist dat het betreffende bedrag aan hem betaald moest worden terwijl zij, zoals door de man onweersproken is aangevoerd, altijd al inzage heeft gehad in de kindrekening en zij haar nieuw betrokken stelling dus al veel eerder had kunnen innemen. Kennelijk tracht de vrouw nu op haar eerder ingenomen standpunt terug te komen, maar dat is geen grondslag die een heroverweging van een bindende eindbeslissing rechtvaardigt. Nu niet komt vast te staan dat de eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is genomen, is de rechtbank niet bevoegd om over te gaan tot een heroverweging van de eindbeslissing en wordt het verzoek daartoe afgewezen.
Inhoudelijke beoordeling
Vorderingen van de man
3.10
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat de vorderingen van de man ter zake de betaling van de nota van de pensioenadviseur, de kosten van Spotify en Videoland, de verdeling van de inboedel van de praktijkruimte en de uitsluiting van de pensioenverevening niet slagen. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook afwijzen. De vorderingen ter zake de gebruiksvergoeding van de praktijkruimte, de terugbetaling van de lening van € 15.000,-, de betaling door de vrouw van € 293,- aan naheffing kinderopvangtoeslag [correctie rechtbank: in het tussenvonnis is in r.o. 4.1. sub VI is in de vordering van de man het bedrag van € 284,- opgenomen, maar dit moet € 293,- zijn] en de verdeling van de banksaldi slagen (gedeeltelijk) wel. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook (deels) toewijzen.
3.11
De man heeft door indiening van de bankafschriften op 17 maart 2026 voldoende onderbouwd dat de vrouw in de periode vanaf maart 2023 ten behoeve van haar eigen financiële lasten onttrekkingen heeft gedaan aan de kindrekening. Deze onttrekkingen corresponderen met het door de man als productie 7 ingebrachte overzicht. De vrouw heeft de inhoud van de door de man overgelegde bankafschriften en zijn conclusies ten aanzien van de onttrekkingen vervolgens niet inhoudelijk betwist in haar antwoordakte van 7 april 2026. Daardoor staat vast dat de vrouw in beginsel € 2.637,15 aan de kindrekening moet voldoen.
3.12
De vrouw voert nog aan dat partijen niet per maart 2023 maar per februari 2024 de gezamenlijke bankrekening zijn gaan gebruiken als kindrekening maar de rechtbank gaat hieraan voorbij nu hierover in het tussenvonnis al inhoudelijk is geoordeeld in r.o. 5.20.
Bovendien was dit oordeel ook in lijn met de verklaring van de vrouw ter zitting dat de betreffende rekening per maart 2023 als kindrekening gebruikt werd. [correctie rechtbank: in r.o. 5.20. van het tussenvonnis is als datum van ondertekening van het ouderschapsplan 3 oktober 2021 opgenomen, maar dit moet 3 oktober 2022 zijn].
3.13
De verrekeningsverweren van de vrouw slagen evenmin. De vrouw stelt bij antwoordakte voor het eerst dat de man in ieder geval in de periode vanaf maart 2023 tot en met januari 2024 geen kinderalimentatie heeft voldaan. Daarnaast stelt zij in dezelfde akte voor het eerst dat zij zelf medische kosten van € 647,93 voor [dochter] heeft gemaakt. Volgens de vrouw zou zowel de achterstallige kinderalimentatie als het bedrag aan medische kosten verrekend moeten worden met het bedrag dat zij nog aan de kindrekening moet betalen. De man heeft in zijn akte van 28 april 2026 echter gemotiveerd betwist dat sprake is van achterstallige kinderalimentatie en hij heeft ook gemotiveerd weersproken dat de door de vrouw opgevoerde nota’s en betalingen kosten betreffen die ten behoeve van [dochter] zijn gemaakt. Hierdoor komt niet vast te staan dat de vrouw een opeisbare vordering op de man heeft, waardoor een beroep op verrekening niet slaagt.
3.14
Nu de man zijn stelling dat de vrouw in de periode vanaf maart 2023 nog een bedrag van € 2.637,15 van de kindrekening heeft onttrokken ten behoeve van zichzelf voldoende heeft onderbouwd en de verrekeningsverweren van de vrouw niet opgaan, zal de rechtbank deze vordering van de man toewijzen. De vrouw heeft nog verzocht te bepalen dat de terugbetaling in termijnen mag plaatsvinden. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 5.12. van het tussenvonnis waarin zij oordeelt dat een rechtsgrond hiervoor ontbreekt zodat de rechtbank geen mogelijkheid ziet een dergelijke beslissing te nemen.
3.15
Voor wat betreft de vordering van de man tot terugbetaling van de lening door de vrouw heeft de rechtbank in r.o. 5.9. en 5.10. van het tussenvonnis beslist dat de vrouw gehouden is daartoe over te gaan. De rechtbank zal de vordering van de man voor zover deze ziet op de termijn van terugbetaling (binnen een week) afwijzen, nu de man niet heeft gesteld wat zijn (bijkomend) belang bij dit deel van de vordering is.
Vorderingen van de vrouw
3.16
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat de vorderingen van de vrouw ter zake de verklaring voor recht over de achterstallige partneralimentatie en bevoegdheid tot verrekening met de geldlening van de man, de verdeling van de inboedel en de ontbinding van artikel 6 van het ouderschapsplan niet slagen. De rechtbank zal de vorderingen die hierop zien dan ook afwijzen. De vordering ter verdeling van de banksaldi slaagt (gedeeltelijk) wel. De rechtbank zal deze vordering dan ook (deels) toewijzen.
3.17
De vrouw heeft door middel van de aan de akte van 18 maart 2026 toegevoegde bankrekeningafschriften voldoende onderbouwd dat zij na peildatum van haar zakelijke rekening nog betalingen heeft verricht die zien op de IB aangifte 2021 van partijen. Hoewel de vrouw niet heeft gesteld hoe hoog het totaalbedrag is, heeft de man onbetwist aangevoerd dat het gaat om een bedrag van € 2.036,-, hetgeen de rechtbank ook heeft kunnen afleiden uit de bankafschriften en de toelichting van de vrouw daarop. Voor wat betreft de verdeling van het resterende banksaldo houdt de rechtbank gelet op het tussenvonnis rekening met het door de vrouw betaalde bedrag van € 2.036,-. De man heeft nog aangevoerd dat met de helft van dit bedrag gerekend moet worden, omdat de man zelf zijn eigen IB aanslag van 2021 betaald zou hebben en de betalingen van de vrouw dus zien op de op haar naam staande IB aanslag, maar dit verweer wordt door de rechtbank gepasseerd. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat zij het nog niet eens zijn over de vraag of zij evenredig hebben bijgedragen aan de aangifte inkomstenbelasting 2021. Partijen hebben daarover geen expliciete vorderingen ingesteld. Het is aan partijen daar desgewenst nadere afspraken over te maken, waarbij zij rekening kunnen houden met hetgeen zij in artikel 11.1. en artikel 11.2. van het convenant zijn overeengekomen.
3.18
Dit betekent dat het tussen partijen te verdelen saldo van de zakelijke spaarrekening van de vrouw nog € 6.422,83 betreft, nu het bedrag ad € 5.821,- (€ 3.785,- betaling IB aangifte 2022 [correctie rechtbank: in r.o. 5.27. van het tussenvonnis staat aangifte 2021 maar dit moet aangifte 2022 zijn] + € 2.036,- betaling IB aangifte 2021) aan de vrouw toekomt. Per saldo wordt aan de vrouw dan een bedrag van € 9.032,42 (€ 5.821,- + € 3.211,42 (= de helft van € 6.422,83)) toebedeeld en aan de man een bedrag ad € 3.211,41.
Proceskosten in conventie en in reconventie
3.19
Omdat deze procedures samenhangen met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dus ook met hun familierechtelijke betrekking, zal de rechtbank de proceskosten van partijen compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank
In conventie:
4.1
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 364,00 als gebruiksvergoeding voor de praktijkruimte,
4.2
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 15.000,00 ter aflossing van de lening,
4.3
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de kindrekening van een bedrag van € 2.637,15,
4.4
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 293,00 aan naheffing kinderopvangtoeslag 2022,
In conventie en in reconventie:
4.5
stelt de verdeling van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende banksaldi van partijen als volgt vast:
- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 613,76) van de op naam van partijen staande ABN
AMRO- rekening eindigend op [nummer 1] , wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;
- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 824,74) van de op naam van de man staande ABN
AMRO- rekening, eindigend op [nummer 2] wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;
het saldo per 1 oktober 2022 (€ 471,00) van de op naam van de eenmanszaak van de
vrouw staande Knab- bankrekening, eindigend op [nummer 3] wordt tussen partijen bij
helfte verdeeld;
- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 22,92) van de op naam van de vrouw staande Knab-
rekening eindigend op [nummer 4] , wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;
- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 12.243,83) van de op naam van de eenmanszaak van
de vrouw staande Knab- flexibel- spaarrekening, eindigend op [rekeningnummer 2] wordt tussen
partijen verdeeld in die zin dat aan de vrouw wordt toebedeeld een bedrag ad € 9.032,42 en aan de man een bedrag ad € 3.211,41,
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad
4.7
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
Hoge Raad 4 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4805
Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800
Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|