Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:3853 
 
Datum uitspraak:29-06-2026
Datum gepubliceerd:13-07-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:ZWO 25/1653
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiser. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving tegen een milieuovertreding. Eiser is geen eigenaar meer van het perceel waarop de overtreding zou zijn begaan en hij woont op grote afstand van dat perceel. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen persoonlijk belang heeft bij zijn verzoek en zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bodemonderzoek
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1653

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] ,
hierna: [eiser] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,
hierna: het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek dat [eiser] bij het college heeft gedaan om handhavend op te treden tegen een mogelijk milieudelict op het perceel [adres] . [eiser] had een agrarisch bedrijf aan de [adres] en hij woonde daar ook. Door omstandigheden maakt [eiser] nu geen gebruik meer van het perceel en woont hij ook ergens anders. Tussen partijen staat ter discussie of het verzoek van [eiser] aangemerkt kan worden als een ‘aanvraag’ in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens het college is dat niet het geval omdat [eiser] geen belanghebbende is bij zijn verzoek. Het college meent dat het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [eiser] is het hier niet eens en stelt dat hij weldegelijk belanghebbende is omdat hij in het verleden eigenaar is geweest van het perceel en het mogelijk is dat hij het perceel weer in eigendom verkrijgt.


1.1.
De rechtbank oordeelt dat het college gelijk heeft. [eiser] heeft geen persoonlijk en direct belang bij zijn verzoek omdat hij geen feitelijke gevolgen van de door hem gemelde activiteit ervaart. Hij kan daarom niet als belanghebbende bij zijn verzoek worden aangemerkt. Het college heeft zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. [eiser] heeft op 21 oktober 2024 bij het college melding gemaakt van een mogelijk milieudelict op het perceel [adres] en het college verzocht om handhavend op te treden. Met de brief van 19 december 2024 heeft het college op de melding gereageerd en aangegeven dat de melding is afgehandeld. Tegen deze brief heeft [eiser] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 heeft het college het bezwaar van [eiser] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.

[eiser] heeft de rechtbank gevraagd of zijn zaak door een andere rechter behandeld kan worden. De rechter heeft geen aanleiding gezien gebruik te maken van haar recht om een verschoningsverzoek in te dienen en de rechtbank heeft [eiser] hierover geïnformeerd.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] vergezeld door [naam] en de gemachtigden van het college. [eiser] heeft op zitting een verzoek tot wraking gedaan van de behandelend rechter.



2.5.
Bij beslissing van 23 april 2026 heeft de wrakingskamer het verzoek afgewezen.



2.6.

[eiser] heeft op 18 mei 2026 een aanvullend stuk ingediend.



2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] vergezeld door [naam] en de gemachtigden van het college. Ter zitting heeft [eiser] nog een nader stuk ingediend.




Beoordeling door de rechtbank


Omvang van het geding


3. De rechtbank moet oordelen over de vraag of het college [eiser] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in bezwaar. Het college heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard omdat het meent dat [eiser] niet in bezwaar kon komen tegen de afwijzende reactie op het handhavingsverzoek. Die reactie was volgens het college namelijk geen ‘besluit’ in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het verzoek van [eiser] niet aangemerkt kan worden als een ‘aanvraag’ in de zin van de Awb. Het verzoek was geen ‘aanvraag’, omdat [eiser] volgens het college geen belanghebbende is. Concreet ligt in deze zaak dus voor of [eiser] kan worden aangemerkt als belanghebbende bij zijn handhavingsverzoek.


Standpunten


4. [eiser] vindt dat hij belanghebbende is bij zijn handhavingsverzoek, omdat hij er weldegelijk belang bij heeft dat het college zijn verzoek inhoudelijk in behandeling neemt en handhavend optreedt als sprake is van een milieudelict. [eiser] had op het perceel aan de [adres] een agrarisch bedrijf, dat door een gerechtsdeurwaarder is ontruimd. Volgens [eiser] is er nog geen definitief juridisch oordeel gegeven over de vraag of de ontruiming rechtmatig was. Het is volgens [eiser] niet uitgesloten dat hij in de toekomst weer eigenaar wordt van het perceel en hij vreest voor een aansprakelijkstelling voor het illegaal verwijderen van de opslagtanks, de inhoud daarvan en ontstane bodemverontreiniging als hij weer eigenaar is van het perceel. Ook stelt [eiser] dat hij in het verleden van het college dwangsommen opgelegd heeft gekregen omdat hij een gecertificeerd bedrijf moest inschakelen voor het afvoeren van opslagtanks en het uitvoeren van een bodemonderzoek vanwege een bitumen tank. Volgens [eiser] heeft het college deze eisen niet gesteld aan de gerechtsdeurwaarder en handelt het college daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5. Het college meent dat [eiser] geen belanghebbende is bij het wel of niet handhavend optreden bij de [adres] . [eiser] is geen eigenaar (meer) van het perceel en hij woonde ten tijde van zijn verzoek in Enschede. [eiser] heeft geen persoonlijk en rechtstreeks belang omdat hij geen gevolgen ervaart van handelingen die op dit perceel worden verricht. Volgens het college kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen omdat [eiser] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een gelijk geval waarin hij ongelijk is behandeld.


Beoordeling



Belanghebbende


6. De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen menen dat [eiser] geen belanghebbende is bij zijn handhavingsverzoek. De rechtbank licht dat hieronder toe.

7. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Tussen partijen is in geschil of [eiser] direct en persoonlijk wordt geraakt door de gevolgen van het besluit op dat verzoek. Iemand moet met andere woorden in zijn dagelijks leven iets merken van de gevolgen die dat besluit heeft en een belang hebben waarmee hij zich onderscheidt van anderen.

8. Vaststaat dat [eiser] op grote afstand woont van het perceel [adres] . Hij heeft persoonlijk dus geen zicht op of last van een eventuele milieuovertreding. Verder staat vast dat [eiser] geen eigenaar meer is van dit perceel of andere rechten op dit perceel heeft. Dat [eiser] in de toekomst mogelijk weer eigenaar wordt, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Op vragen van de rechtbank hierover kon [eiser] namelijk niet uitleggen van wie hij het perceel dan zou verkrijgen en of daar nu een juridische procedure voor loopt. De procedure die [eiser] noemde bij de kamer van gerechtsdeurwaarders kan niet tot een teruglevering leiden. Dit maakt dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] in zijn belangen wordt geraakt als het college niet handhavend optreedt tegen een milieuovertreding voor het verwijderen van opslagtanks met de bijbehorende inhoud of een ontstane bodemverontreiniging.

9. [eiser] noemt daarnaast dat zich strafrechtelijke gedragingen op het perceel [adres] voordoen of hebben voorgedaan en dat in beginsel iedere Nederlander aangifte kan doen van een milieudelict. Dat iedereen (strafrechtelijk) aangifte kan doen maakt evenwel niet dat [eiser] persoonlijk belang heeft bij (bestuursrechtelijk) handhavend optreden. [eiser] onderscheidt zich dan ook niet van het belang van een ander.

10. De rechtbank concludeert dat [eiser] niet als belanghebbende bij zijn handhavingsverzoek kan worden aangemerkt omdat hij geen persoonlijk belang heeft. Daarom was er ook geen sprake van een aanvraag in de zin van de Awb. De reactie op het verzoek van 19 december 2024 is dan ook geen besluit. Omdat er geen sprake is van een besluit kon hij daartegen geen bezwaar maken. Dit volgt uit de artikelen 1:2, 1:3, 7:1 en 8:1 van de Awb. Die artikelen staan in de bijlage bij deze uitspraak.

11. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college het bezwaar van [eiser] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.


Gelijkheidsbeginsel


12. De vraag of [eiser] belang heeft bij handhavend optreden gaat vooraf aan het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Met zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel doelt [eiser] er immers op dat zijn handhavingsverzoek ten onrechte is afgewezen. Nu [eiser] evenwel niet als belanghebbende is aangemerkt, kan de rechtbank die afwijzing niet inhoudelijk beoordelen. De rechtbank komt aan het beroep van [eiser] op het gelijkheidsbeginsel dan ook niet toe.


Rechtbankonderzoek


13. [eiser] heet de rechtbank gevraagd om een bestuursrechtelijk- en strafrechtelijk onderzoek uit te voeren naar de onregelmatigheden die zijn opgetreden bij de behandeling van zijn handhavingsverzoeken door het college. Ook verzoekt hij een onderzoek in te stellen naar het ontbreken van certificaten met betrekking tot het afvoeren en verwerken van diesel en overige stoffen en het afvoeren en reinigen van opslagtanks en vaten.

14. De rechtbank overweegt dat de Awb aan de bestuursrechter niet de bevoegdheid geeft om het door [eiser] gewenste wijze onderzoek uit te voeren. Omdat een wettelijke grondslag voor het verzoek ontbreekt, kan de rechtbank het verzoek van [eiser] in deze zaak niet in behandeling nemen.



Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank vindt dat het college gelijk heeft. [eiser] heeft inderdaad geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek van 21 oktober 2024. Het college heeft daarom terecht besloten om ook het bezwaar van [eiser] niet inhoudelijk te beoordelen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.

16. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt [eiser] het betaalde griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op








De griffier is buiten staat om te tekenen.







griffier


rechter













Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:











Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Bijlage: artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht die voor deze zaak belangrijk zijn



Artikel 1:2


1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
(…)


Artikel 1:3


1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
(…)

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
(…)


Artikel 7:1


1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, (…).


Artikel 8:1


Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Link naar deze uitspraak