Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:400 
 
Datum uitspraak:27-01-2026
Datum gepubliceerd:30-01-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:11813965 CV EXPL 25-225 11813965 CV EXPL 25-225
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Eiser heeft acht koeien geleverd aan gedaagde. Eén koe is kort na levering overleden. Gedaagde heeft alleen voor deze koe niet betaald. In deze procedure vordert eiser het restant van de koopprijs. Partijen verschillen van mening over de vraag of de overleden koe al op het moment van levering ziek was. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde zijn verweer dat de koe al ziek was voor de levering, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van eiser, onvoldoende heeft onderbouwd. Gedaagde moet dan ook het restant van de koopprijs betalen aan eiser.
Trefwoorden:koeien
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
OVERIJSSEL


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11813965 \ CV EXPL 25-2250


Vonnis van 27 januari 2026


in de zaak van



[eiser], handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp,

tegen



[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.




1Samenvatting


[eiser] heeft acht koeien geleverd aan [gedaagde]. Eén koe is kort na levering overleden. [gedaagde] heeft alleen voor deze koe niet betaald. In deze procedure vordert [eiser] het restant van de koopprijs. Partijen verschillen van mening over de vraag of de overleden koe al op het moment van levering ziek was. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] zijn verweer dat de koe al ziek was voor de levering, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser], onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde] moet dan ook het restant van de koopprijs betalen aan [eiser]. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.




2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9, - de (mondelinge) conclusie van antwoord met 2 bijlagen, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- productie 10 van [eiser],
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten




3.1.
Op 17 januari 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] acht koeien verkocht voor een bedrag van € 18.500,90. Op dezelfde dag heeft [eiser] de acht koeien aan [gedaagde] geleverd.



3.2.
Bij factuur van 18 januari 2025 heeft [eiser] de koopprijs bij [gedaagde] in rekening gebracht.



3.3.
Op 18 januari 2025 heeft [gedaagde] [eiser] bericht dat één koe niet fit is.



3.4.
Op 21 januari 2025 heeft [gedaagde] [eiser] bericht dat de dierenarts de koe vanwege koorts zware penicilline heeft toegediend.



3.5.
Op 28 januari 2025 heeft [gedaagde] [eiser] bericht dat hij de koe er niet meer bovenop krijgt vanwege oude longschade.



3.6.
Op 3 februari 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 16.187,50 aan [eiser] betaald.



3.7.
Op 9 en 10 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om het restant van de factuur te betalen. [gedaagde] heeft [eiser] laten weten dat hij niet voor de overleden koe gaat betalen.



3.8.
Vervolgens heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om het openstaande bedrag te betalen.



3.9.

[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.





4Het geschil


4.1.

[eiser] vordert - kort samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van:
I. een bedrag van € 2.313,40, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 februari 2025 althans vanaf 4 juli 2025,
II. de buitengerechtelijke incassokosten van € 347,01,
III. de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.2.

[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


Het geschil



5.1.
Kern van het geschil is of de koe die is overleden al ziek was op het moment van levering. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit het geval is en dat hij daarom het restant van de koopprijs niet meer hoeft te betalen aan [eiser]. [eiser] betwist dit.

Juridisch kader




5.2.
De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagde] zo dat hij zich ter afwering van de vordering van [eiser] op het standpunt stelt dat de overleden koe gebrekkig was en niet voldeed aan wat hij mocht verwachten. Omdat de koe non-conform was mocht hij zijn schade bestaande uit de koopprijs die hij nog voor de koe moet betalen verrekenen met de vordering van [eiser], aldus [gedaagde].



5.3.
Omdat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de koe niet geschikt was vanwege ziekte, ligt het op zijn weg om voldoende concreet te stellen dat de koe op het moment van levering al ziek was, en bij gemotiveerde betwisting van [eiser], om dit ook te bewijzen.



[gedaagde] heeft zijn verweer onvoldoende onderbouwd




5.4.
Tussen partijen staat niet vast wat de oorzaak is van de dood van de koe. De koe bleek een dag na de levering niet fit en is begin februari 2025 overleden. Tussen partijen bestaat verschil van mening over de vraag of de koe al ziek was bij de levering op 17 januari 2025. Hierna zal de kantonrechter uitleggen waarom hetgeen [gedaagde] hierover heeft aangevoerd in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser], onvoldoende is om aan te nemen dat de koe al ziek was ten tijde van de levering.



5.5.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [gedaagde] toegelicht dat de koe al één dag na levering niet fit bleek te zijn. De koe had koorts en hoestte pus/etter op. De zieke koe heeft pijnstilling gekregen van de dierenarts. Deze behandeling slaat volgens [gedaagde] veelal aan, maar in dit geval niet. De kans is daarom volgens [gedaagde] aannemelijk dat de koe vaker ziek is geweest. De koe had iets onder de leden, te weten oude longschade, dat mogelijk werd getriggerd door het transport, aldus [gedaagde].



5.6.
De kantonrechter oordeelt als volgt. [gedaagde] heeft zijn standpunt dat de koe mogelijk al ziek was bij de levering onderbouwd met een schriftelijke verklaring van de dierenarts. Die verklaring heeft de dierenarts opgesteld in een visitatieformulier naar aanleiding van haar bezoek op 21 januari 2025. Daarin valt te lezen dat de dierenarts op 21 januari 2025 een flinke longontsteking heeft geconstateerd. De dierenarts heeft verder geschreven: ‘Dit beeld is indicatief voor een luchtweginfectie die mogelijk met of voor transport al gaande was of getriggerd is, omdat de incubatietijd van de meeste luchtweginfecties enkele dagen betreft’. De door de dierenarts omschreven mogelijkheid dat de luchtwegindicatie al bestond op het moment van levering, is op zichzelf niet genoeg om in deze procedure vast te stellen dat de koe al ziek was op het moment van levering. Te meer nu [eiser] de verklaring van de dierenarts gemotiveerd weersproken. [eiser] heeft aangevoerd dat de koe tijdens het transport niet ziek was. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een verklaring van de vervoerder overgelegd. Ook heeft [eiser] betwist dat de koe in de periode daarvoor bij hem al ziek was. [eiser] heeft toegelicht dat hij de koeien zelf een paar maanden voor de levering heeft gekocht en heeft doorverkocht omdat de koeien drachtig waren. Volgens [eiser] was de koe die uiteindelijk is overleden bij hem in goede conditie. Mede in het licht van deze betwisting van [eiser] is de enkele mogelijkheid dat de luchtweginfectie al bestond onvoldoende om vast te stellen dat de koe al ziek was op het moment van levering. Met de verklaring van de dierenarts en de toelichting van [eiser] is dan ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van non-conformiteit.



5.7.
Tegen deze achtergrond is de verwijzing van [gedaagde] naar het filmpje niet genoeg voor een ander oordeel. Dit filmpje is gemaakt bij [eiser] ongeveer een week voordat de koe bij [gedaagde] is geleverd. Op dit filmpje is de koe volgens [gedaagde] al hoestend te zien. Dit wordt echter door [eiser] betwist. [eiser] heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij niet weet of de koe die is te zien op het filmpje de koe is die uiteindelijk is overleden, maar ook al is dat wel het geval dan zegt dit volgens hem niets. Een enkele hoest betekent niet dat toen al sprake was van een beginnende longontsteking of oude longschade. De daadwerkelijke doodsoorzaak is volgens [eiser] bovendien niet komen vast te staan, omdat er geen sectie is verricht. De koe was tijdens het transport volgens [eiser] in goede conditie, hetgeen is onderbouwd met de verklaring van de vervoerder. [gedaagde] heeft hier vervolgens niets tegen ingebracht, zodat ook op basis van enkel het filmpje niet gezegd kan worden dat de koe al zodanig ziek was dat de koe daar uiteindelijk aan is overleden.


Hoofdsom




5.8.
De conclusie is dat het verweer van [gedaagde] niet opgaat. Dat betekent dat [gedaagde] het restant van de koopsom van € 2.313,40 nog moet betalen aan [eiser].


Wettelijke rente




5.9.

[eiser] heeft vergoeding van de wettelijke rente gevorderd zonder expliciet aan te geven welke wettelijke rente hij heeft bedoeld te vorderen. De kantonrechter begrijpt de vordering als een verzoek om wettelijke handelsrente toewijzen, omdat [eiser] in de dagvaarding stelt dat partijen een handelsovereenkomst hebben gesloten en aan alle in artikel 6:119a BW neergelegde voorwaarden is voldaan. Bovendien heeft [eiser] in zijn brieven voorafgaand aan de procedure ook verzocht om betaling van de wettelijke handelsrente. Omdat [gedaagde] de factuur niet binnen 30 dagen na 18 januari 2025 heeft betaald, is hij de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 17 februari 2025.


Buitengerechtelijke incassokosten




5.10.

[eiser] heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft dan ook recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 347,01 worden toegewezen.


Proceskosten




5.11.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het in rekening gebrachte bedrag aan explootkosten zal daarbij worden gematigd omdat [eiser] dubbele kosten aan KvK en BRP in rekening heeft gebracht. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





149,71







- griffierecht





257,00







- salaris gemachtigde





476,00


(2 punten × € 238,00)




- nakosten





119,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.001,71











5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





6De beslissing

De kantonrechter


6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.313,40, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,



6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 347,01 aan buitengerechtelijke incassokosten,



6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.001,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Link naar deze uitspraak