|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5110 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | AK_26_1899 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Verzoek om voorlopige voorziening lasten onder dwangsom melkvee- en melkgeitenhouderij. Grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Last om het aantal melkkoeien terug te brengen van 506 naar 170 en de dieren te beweiden. Schorsing van de lasten op grond van een belangenafweging. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | koeien | | | omgevingsvergunning | | | stallen | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1899
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] en M.R. Last-Flier, uit [vestigingsplaats 1], verzoekster, hierna maatschap [verzoekster] (gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Kampen
(gemachtigde: mr. M.R. Prins).
Als derde partij heeft deelgenomen maatschap [derde belanghebbende] uit [vestigingsplaats 2]
gem: mr. J. van den Hoorn
Samenvatting
1. Het college heeft maatschap [verzoekster] op straffe van dwangsommen gelast het aantal melkkoeien terug te brengen van 506 naar 170, de melkkoeien en melkgeiten (voldoende) te beweiden (minimaal 720 uur per kalenderjaar), het huisvesten van dieren in niet gemelde of vergunde verblijven te beëindigen, 3 mestbassins af te dekken en één mestbassin te verlagen tot 2 meter. Maatschap [verzoekster] is het daar niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen zodat de opgelegde lasten worden geschorst totdat op haar beroep is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe ten aanzien van de lasten die zien op het terugbrengen van het aantal melkkoeien en het beweiden van de melkkoeien en melkgeiten en schorst deze lasten totdat uitspraak is gedaan in het beroep. Hierbij heeft de voorzieningenrechter de belangen gewogen en een groter gewicht toegekend aan de belangen van verzoekster om te voorkomen dat hangende de bodemprocedure onomkeerbare gevolgen ontstaan.
Voor het schorsen van de lasten ten aanzien van het huisvesten van dieren in niet gemelde of vergunde verblijven, het afdekken van de mestbassins en het verlagen van één mestbassin tot 2 meter ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Inleiding: feiten en procesverloop
2.1
Maatschap [verzoekster] exploiteert aan de [adres] een melkrundvee- en melkgeitenhouderij.
2.2
Bij brief van 30 september 2021 heeft [derde belanghebbende] een verzoek om handhaving gedaan omdat maatschap [verzoekster] zich niet houdt aan de omgevingsvergunning, dan wel te controleren of zij zich houdt aan de vergunning. [derde belanghebbende] heeft hierbij aangegeven dat de koeien en geiten niet worden beweid, er sprake is van een overschrijding van dieraantallen, de aanwezigheid van (te veel) jongvee, het overschrijden van het geluidsniveau, de afwezigheid van ventilatoren in een van de stallen en het gebruik van de aanbouw als machineberging. Later heeft [derde belanghebbende] het verzoek nog aangevuld met het verzoek handhavend op te treden tegen een illegaal aangelegd mestbassin.
2.3
Bij besluit van 23 juni 2022, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 12 mei 2023, heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen omdat het college de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ten aanzien van de op 24 juni 2020 verleende omgevingsvergunning aan maatschap [verzoekster] wil afwachten.
Bij uitspraak van 15 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college gelast opnieuw op bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2022 te beslissen.
Bij uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024 is, kort gezegd, de omgevingsvergunning van 24 juni 2020 vernietigd.
2.4
Met het besluit van 16 december 2025 heeft het college naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [derde belanghebbende] en de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2025
de maatschap op straffe van een dwangsom gelast het aantal melkkoeien per 19 februari 2026 terug te brengen tot 170, het houden van dieren in niet gemelde of vergunde dierverblijven te beëindigen, de melkkoeien en melkgeiten voldoende te beweiden, de mestbassins af te dekken, de hoogte van het mestbassin buiten het bouwvlak terug te brengen tot 2 meter, jongvee te plaatsen op een aaneengesloten bodemvoorziening waarbij de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en het tijdelijke foliebassin op te ruimen.
2.5
Met het besluit van 3 juli 2026 heeft het college het bezwaar tegen het handhavingsbesluit van 16 december 2025 gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en besloten een nieuwe last onder dwangsom op te leggen
2.6
Met een ongedateerd, separaat besluit, verzonden op 3 juli 2026, heeft het college vijf lasten onder dwangsom opgelegd.
2.7
[verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.8
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1], de gemachtigde van [verzoekster] en [naam 2]. Namens het college zijn verschenen de gemachtigde en [naam 3]. Namens derdepartij is verschenen [naam 4].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Bestreden besluit
3.1
Het college heeft met het bestreden besluit aan maatschap [verzoekster], in het kader van heroverweging naar aanleiding van het ingediende bezwaar, de volgende vijf lasten onder dwangsom opgelegd.
Ten aanzien van overtreding I: het houden van 506 melkkoeien in plaats van het vergunde aantal van 170, waarmee sprake van overtreding van artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet:
Maatschap [verzoekster] dient het aantal melkkoeien terug te brengen en te houden tot maximaal 170 koeien uiterlijk zes weken vanaf de verzenddatum van het bestreden besluit, anders verbeurt zij een dwangsom van € 6,83 per koe per dag met een maximum van € 191,24 per koe.
Ten aanzien van overtreding 2: het huisvesten 27 stuks jongvee in een verblijf (gebouw C) dat niet gemeld of vergund is, waarmee sprake is van overtreding van artikel 5.1 lid 2 onder b van de Omgevingswet in samenhang met de artikelen 3.200 lid 1 onder b en 3.204 lid 3 van het Besluit Activiteiten leefomgeving (Bal).
Maatschap [verzoekster] dient deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden door alleen binnen de gemelde grenzen dierenverblijven in te richten uiterlijk twee weken
vanaf verzenddatum besluit, anders verbeurt [verzoekster] een dwangsom van € 2500 per week met een maximum van € 10.000.
Ten aanzien van overtreding 3 het niet (voldoende) beweiden van de melkkoeien en melkgeiten waarmee van grondgebonden agrarische bedrijfsvoering geen sprake is zoals het omgevingsplan voorschrijft en waarmee artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet wordt overtreden.
Maatschap [verzoekster] dient deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden door de melkkoeien en melkgeiten minimaal 720 uur per kalenderjaar te beweiden uiterlijk twee weken, vanaf de verzenddatum van het besluit.
Omdat beweiding plaatsvindt in de periode april-oktober, acht het college voor de rest van 2026 360 uur redelijk.
De dwangsom bedraagt € 1.000 per 72 uur (€ 10.000 per jaar) als het college op
1 november vaststelt dat de melkkoeien niet (voldoende) zijn beweid met een maximum van € 30.000;
Dwangsom van € 1000 per 72 uur (€ 10.000 per jaar) als het college op 1 november vaststelt dat de melkgeiten niet (voldoende) zijn beweid met een maximum van € 30.000.
Ten aanzien van overtreding 4: het niet afdekken van twee mestbassins van 2.500 m3 en het mestbassin van 4.000 m3 waarmee maatschap [verzoekster] artikel 3.203, lid 1, onder g in samenhang met artikel 4.859 van het Bal overtreedt.
Maatschap [verzoekster] dient de mestbassins af te dekken en afgedekt te houden uiterlijk zes weken vanaf de verzenddatum van het bestreden besluit anders verbeurt zij een dwangsom van
€ 5.000,- ineens, met een maximum van€ 5.000,-.
Ten aanzien van overtreding 5: het mestbassin van 4.000 m3 dat zich buiten het bouwvlak bevindt en een hoogte heeft van meer dan 2 meter waarmee [verzoekster] artikel 3.2.3 lid a van de omgevingsplanregels overtreedt.
Maatschap [verzoekster] dient deze overtreding te beëindigen te houden door de hoogte van het mestbassin te verlagen tot maximaal 2 meter en verlaagd te houden binnen
zes weken vanaf de verzenddatum van het besluit anders verbeurt zij een dwangsom van
€ 500,- per week, met een maximum van € 2.000,-.
3.2
Van een concreet zicht op legalisatie is volgens het college geen sprake omdat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit ten behoeve van het houden van 508 melkkoeien op 25 maart 2026 is geweigerd. Ook voor de overige overtredingen is geen sprake van concreet zicht op legalisatie nu daarvoor geen omgevingsvergunning zijn aangevraagd of verleend. Evenmin is sprake van enig ander zwaarwegend belang om van handhaving af te zien.
3.3
Verder is het college van mening dat het opleggen van een last onder dwangsom een geschikte, noodzakelijke en evenwichtige maatregel is om de hierboven genoemde doelen te bereiken en [verzoekster] via een financiële prikkel te bewegen een einde te maken aan de geconstateerde overtredingen.
Spoedeisend belang
4.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2
Volgens maatschap [verzoekster] kan niet binnen de begunstigingstermijn worden voldaan aan de last om het aantal melkkoeien terug te brengen tot 170. De gestelde termijn is te kort om meer dan 300 melkkoeien af te voeren. Vanwege de stikstofdiscussie zijn de (gezonde) koeien niet elders te plaatsen en zullen ze geslacht moeten worden, wat onomkeerbaar is.
Het afvoeren van 336 melkkoeien op het aantal van 506 heeft vergaande gevolgen voor de melkproductie en leidt ertoe dat de biovergister waarmee groen gas wordt geproduceerd niet meer in voldoende mate kan worden gevoed.
Het binnen de gestelde termijn beweiden van de koeien en geiten is niet uitvoerbaar vanwege het gezondheidsrisico voor de dieren. [verzoekster] verwijst hierbij naar het negatieve advies van een geraadpleegde dierenarts. Bovendien ontbreken een weideplan en een maaikalender en is weidegang afhankelijk van de weersomstandigheden in verband met het voorkomen van hittestress.
4.3
Hiermee heeft maatschap [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij spoedeisend belang heeft bij een oordeel van de voorzieningenrechter.
Belangenafweging
5.1
De voorzieningenrechter ziet in onderhavige zaak aanleiding om te volstaan met een belangenafweging en zal geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven.
Lasten ten aanzien van overtredingen 2, 4 en 5
5.2
Niet in geschil is dat ten aanzien van de lasten onder 2, 4 en 5 sprake is van overtredingen.
Op de zitting is aangegeven dat de overtredingen 2,4 en 5 door maatschap [verzoekster] zijn beëindigd of op korte termijn beëindigd zullen worden.
Het college heeft bij brief van 10 juli 2026 toegezegd dat geen uitvoering zal worden gegeven aan de opgelegde lasten totdat op het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
5.3
Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter dan ook ten aanzien van deze lasten geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Lasten ten aanzien van overtredingen 1 en 3
5.4
De centrale vraag of het bedrijf van maatschap [verzoekster], een combinatie van een melkrundveebedrijf en een geitenhouderij, in de huidige vorm en omvang voldoet aan het vereiste dat sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijfsvoering in de zin van het omgevingsplan dient, gezien de complexiteit van deze vraag, in de bodemprocedure te worden beantwoord door een meervoudige kamer van de rechtbank. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich hier niet voor. Dit geldt eveneens voor de (samenhangende) vraag of het college het beweiden van de melkkoeien en geiten door middel van een handhavingsbesluit in rechte kan afdwingen.
Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter de belangen van partijen tegen elkaar afweegt.
5.5
Het belang van maatschap [verzoekster] is gelegen in het op korte termijn niet hoeven afvoeren van 336 melkkoeien en het niet hoeven (laten) beweiden van de melkkoeien en de melkgeiten alsmede het in verband daarmee nemen van maatregelen (wormenpreventie, creëren schaduwplekken etc.) waardoor de maatschap [verzoekster] de bedrijfsvoering op korte termijn volledig zou moeten aanpassen.
5.6
Het belang van het college is gelegen in handhaving van de omgevingsplanvoorschriften.
5.7
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van [verzoekster] dient uit te vallen gezien de vergaande en voor een deel onomkeerbare gevolgen die de uitvoering van de lasten ten aanzien van overtredingen 1 en 3 voor (de bedrijfsvoering van) maatschap [verzoekster] zullen hebben.
5.8
Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat de bodemzaak (procedurenummer 26/1900) tezamen met het door derdepartij ingestelde beroep
tegen de aan maatschap [verzoekster] op 9 januari 2026 verleende en in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning milieubelastende activiteit (procedurenummer 26/2016) en het door [verzoekster] aangekondigde beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van het aantal te houden melkkoeien van 170 naar 508 en deze niet meer te laten beweiden, zal worden behandeld in het laatste kwartaal van 2026 of het eerste kwartaal van 2027 door de meervoudige kamer van deze rechtbank.
Conclusie en gevolgen
6.1
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit voor zover het betreft de lasten ten aanzien van de overtredingen 1 (het terugbrengen van het aantal melkkoeien) 1 en 3 (het beweiden van de melkkoeien en melkgeiten) wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat college het griffierecht moet vergoeden en dat maatschap [verzoekster] ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten omdat het verzoek wordt toegewezen.
6.2
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit voor zover daarbij aan de maatschap [verzoekster] lasten zijn opgelegd voor wat betreft het terugbrengen van het aantal melkkoeien en het (laten) beweiden van de melkkoeien en de melkgeiten tot de uitspraak op het beroep;
- wijst het meer of overige verzochte af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan maatschap [verzoekster] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan maatschap [verzoekster].
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBOVE:2025:4704
ECLI:NL:RVS: 2024:4861 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|