|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5119 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_1399 en ak_25_1612 ak_25_1399 en ak_25_1612 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroepen tegen twee omgevingsvergunningen verleend onder de Wabo en de Omgevingswet voor het bouwen van een woning met een schuur. De rechtbank is van oordeel dat een deel van de eisers geen belanghebbenden zijn bij de bestreden omgevingsvergunningen. Voor deze eisers komt de rechtbank niet aan een inhoudelijke behandeling toe. De rechtbank overweegt dat het wettelijk systeem er niet aan in de weg staat dat voor één project een omgevingsvergunning op grond van de Wabo en de Omgevingswet wordt verleend. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat project de cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden van de es aantast. De bestreden omgevingsvergunningen zijn verder deugdelijk gemotiveerd en niet in strijd met het gemeentelijke Rood-voor-Rood-beleid of de provinciale omgevingsvisie. De rechtbank overweegt verder dat de omgevingsvergunningen niet in strijd zijn met de toepasselijke omgevingsverordeningen. Ook de andere aangevoerde beroepsgronden slagen niet. De beroepen van de overige | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | herstructurering | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | rood voor rood regeling | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/1399, 25/1612 en 25/2145
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] uit [woonplaats 1],
hierna gezamenlijk: [eisers],
(gemachtigde: drs. [gemachtigde 1]),
Stichting Natuur en Milieu [plaats] gevestigd te [plaats],
hierna: de Stichting,
en
het college van burgemeester en wethouders van [plaats],
hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2])
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2],
hierna: [derde belanghebbende]
(gemachtigde: mr. J.C. Vijfhuizen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van twee omgevingsvergunningen aan [derde belanghebbende] voor het bouwen van een woning met een schuur op het perceel [adres 1] in [plaats]. [eisers] en de Stichting zijn het niet eens met deze ontwikkeling en de verleende omgevingsvergunningen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser 3] en [eiser 4] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de verleende omgevingsvergunningen omdat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de oprichting van de woning en de schuur. De rechtbank verklaart [eiser 3] en [eiser 4] niet ontvankelijk in hun beroep tegen de op 7 mei 2025 verleende omgevingsvergunning in de procedure met zaaknummer ZWO 25/1399.
1.2.
Het college heeft in bezwaar niet onderkend dat [eiser 3] en [eiser 4] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De rechtbank verklaart daarom het beroep met zaaknummer ZWO 25/2145 gegrond en vernietigt de bestreden beslissing op bezwaar van 30 juli 2025 voor zover het bezwaar van [eiser 3] en [eiser 4] inhoudelijk is behandeld en ongegrond is verklaard. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] geen misbruik van recht maakt door beroep in te stellen tegen de verleende omgevingsvergunningen. De rechtbank is verder van oordeel dat het wettelijk systeem er niet aan in de weg staat dat voor één project een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet wordt verleend. Niet gebleken is dat het project de cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden van de Honesch aantast. Verder overweegt de rechtbank dat de bestreden omgevingsvergunningen deugdelijk zijn gemotiveerd en niet in strijd zijn met het gemeentelijk- en provinciaal beleid en de provinciale omgevingsverordening. De beroepsgronden die [eiser 1] en de Stichting tegen de omgevingsvergunningen hebben aangevoerd slagen dan ook niet. [eiser 1] en de Stichting krijgen geen gelijk en hun beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.4.
Onder 2 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten en het procesverloop van de zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Feiten en procesverloop
2. [derde belanghebbende] is eigenaar van het perceel [adres 1] in [plaats] (het perceel). Op het perceel wil hij een woning met een bijgebouw (schuur) realiseren. Om de bouw van de woning met de schuur aan de [adres 1] te realiseren, wordt gebruik gemaakt van de sloopmeters die aan de [adres 2] vrij zijn gekomen door de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Op het perceel is de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ toegekend. Op grond van de voorschriften van de bestemmingsplannen ‘bestemmingsplan Buitengebied en ‘Buitengebied [plaats], partiële herziening veegplan 1’, is het, kortgezegd, niet toegestaan om een burgerwoning op te richten. [eisers] en de Stichting kunnen zich niet verenigen met de ontwikkeling op het perceel [adres 1].
In de zaak met zaaknummers ZWO 25/1399 en 25/1612
2.1.
Op 29 september 2021 heeft de raad van [plaats] het bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaats], partiële herziening [adres 1] ongenummerd en [adres 2]’ vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan diende [derde belanghebbende] een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning met schuur op het perceel [adres 1]. Het college heeft met het besluit van 2 maart 2022 de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
[eisers] en de Stichting zijn tegen de vaststelling van het bestemmingsplan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in beroep gekomen. Ook hebben [eisers] bezwaar ingediend tegen de omgevingsvergunning. Dit bezwaar werd aangehouden totdat de Afdeling uitspraak zou doen over het bestemmingsplan. De Afdeling heeft het bestemmingsplan Buitengebied [plaats], partiële herziening [adres 1] ongenummerd en [adres 2] op 11 januari 2024 vernietigd.
2.3.
Met het besluit van 2 april 2024 heeft het college de bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2022 herroepen. Op 3 juli 2024 heeft het college een ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning met schuur op het perceel [adres 1] ter inzage gelegd.
2.4.
Naar aanleiding van de hiertegen ingediende zienswijze door [derde belanghebbende] heeft het college beoordeeld of het een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo kon verlenen omdat het bouwplan niet voldoet aan de voorschriften van de geldende bestemmingsplannen ‘Buitengebied [plaats]’ en ‘Buitengebied [plaats], partiële herziening veegplan 1’. Op 16 april 2025 heeft de raad van [plaats] een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven.
2.5.
Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 (het bestreden besluit I) heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
2.6.
[eisers] en de Stichting hebben tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (ZWO 25/1399 en 25/1612).
In de zaak met zaaknummer ZWO 25/2145
3. Na de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2024 heeft [derde belanghebbende] op 29 februari 2024 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de regels van het omgevingsplan voor het bouwen van een woning met schuur aan de [adres 1] te [plaats].
3.1.
Met het besluit van 13 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Hiertegen hebben [eisers] bezwaar gemaakt.
3.2.
Met het bestreden besluit van 30 juli 2025 (het bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
3.3.
[eisers] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II (ZWO 25/2145). Ook hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om de omgevingsvergunning te schorsen met de uitspraak van 19 augustus 2025 afgewezen omdat geen sprake was van een spoedeisend belang.
4. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
4.1.
[derde belanghebbende] heeft op de beroepen gereageerd.
4.2.
[eisers] hebben een nadere schriftelijke reactie ingediend.
4.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eisers] en hun gemachtigde. De Stichting heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door de gemachtigde van [eisers]. Verder zijn [derde belanghebbende] en zijn gemachtigde verschenen. Het college werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
5.1.
Op 2 maart 2022 heeft [derde belanghebbende] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een woning en schuur aan de [adres 1]. Dat betekent dat op het besluit op die aanvraag het recht van toepassing blijft zoals dat gold tot 1 januari 2024 (ZWO 25/1399 en 25/1612).
5.2.
Op 29 februari 2024 heeft [derde belanghebbende] (ook) een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een woning en schuur aan de [adres 1]. Dat betekent dat op het besluit op die aanvraag het recht van toepassing is zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2024 (ZWO 25/2145).
5.3.
De voor deze zaak belangrijke regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van de beroepen
6. Voordat de rechtbank toekomt aan de bespreking van de beroepsgronden van [eisers] en de Stichting, beoordeelt de rechtbank of de beroepen ontvankelijk zijn. Volgens [derde belanghebbende] maken [eisers] misbruik van hun recht door beroep in te stellen tegen de omgevingsvergunningen. Daarnaast stelt [derde belanghebbende] dat [eiser 3] en [eiser 4] geen belanghebbenden zijn bij de bestreden omgevingsvergunningen omdat zij geen feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden van het bouwplan aan de [adres 1].
Zijn [eiser 3] en [eiser 4] belanghebbenden?
7. [derde belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat de beroepen van [eiser 3] en [eiser 4] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij geen persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks bij het bouwplan is betrokken. Hij meent dat [eiser 3] en [eiser 4] vanuit hun woning geen zicht op het bouwplan hebben en de afstand tot hun woning te groot is om gevolgen van enige betekenis te ondervinden.
7.1.
Volgens [eiser 3] en [eiser 4] is de afstand tussen hun perceel en het bouwplan aan de [adres 1] ongeveer 113 meter en kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden. [eiser 3] en [eiser 4] hebben foto’s overgelegd waaruit volgens hen volgt dat zij vanuit het raam op de eerste verdieping aan de zijde van de [adres 4] zicht hebben op het bouwplan. Zij stellen dat zij daarom wel rechtstreekse gevolgen ondervinden van de omgevingsvergunningen en hun beroepen inhoudelijk moeten worden behandeld.
7.2.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de bestuursrechter naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Hij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de afstand van de woning van [eiser 3] tot het bouwplan hemelsbreed ongeveer 118 meter is. Niet in geschil is dat vanwege de ligging in schuine lijn ten opzichte van het bouwplan, vanuit de begane grond van de woning, geen zicht op het bouwplan is. Uit de foto die is overgelegd leidt de rechtbank af dat vanuit een van de kamers op de bovenverdieping van de woning, alleen vanuit een schuine zichtlijn en in de periode dat de bomen hun blad hebben verloren, beperkt zicht is op het perceel [adres 1]. De rechtbank is, vanwege de afstand en het zeer beperkte zicht op het perceel [adres 1], van oordeel dat [eiser 3] en [eiser 4] geen gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het bouwplan.
7.4.
Het voorgaande betekent dat [eiser 3] en [eiser 4] geen belanghebbenden zijn bij de besluiten tot vergunningverlening als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal daarom dit beroep niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank legt onder punt 17 en verder uit welke gevolgen deze uitkomst voor [eiser 3] en [eiser 4] heeft.
Maakt [eiser 1] misbruik van hun procesrecht?
8. [derde belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat [eisers] misbruik van recht maken door in beroep te komen tegen de verleende omgevingsvergunningen. Volgens [derde belanghebbende] proberen zij zijn bouwplan enkel te frustreren omdat zij geen bebouwing in hun buurt willen en een vrij zicht willen behouden. Omdat er geen recht is op vrij zicht bestaat, en [eisers] dat ook weten, misbruiken zij hun recht om beroep in te stellen, aldus [derde belanghebbende]. Volgens [derde belanghebbende] moeten de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard.
8.1.
Zoals hiervoor overwogen, zijn [eiser 3] en [eiser 4] geen belanghebbenden bij de besluiten tot vergunningverlening. Hun beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard en daarom niet inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank zal daarom het betoog alleen voor [eiser 1] en [eiser 1]-Menzing beoordelen.
8.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk als de bevoegdheid om beroep in te stellen wordt misbruikt. Daarvoor zijn zwaarwegende gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn als rechten of bevoegdheden overduidelijk zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
8.3.
Vast staat dat het bouwplan op relatief geringe afstand van en tegenover de woning van [eiser 1] en [eiser 1]-Menzing wordt gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank spreekt het voor zich dat belanghebbenden zoals [eiser 1] en [eiser 1]-Menzing in rechte kunnen opkomen tegen een ontwikkeling in hun directe woon- en leefomgeving. Dit kan dan ook niet als onredelijk wordt aangemerkt, laat staan dat dit bovenstaande toets van misbruik van recht kan doorstaan.
Beoordeling van de beroepsgronden
Bespreking beroepsgronden en ingetrokken beroepsgrond
9. [eiser 1] en de Stichting hebben gelijkluidende beroepsgronden aangevoerd tegen de op 7 mei 2025 verleende omgevingsvergunning (ZWO 25/1399 en 25/1612). De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom gezamenlijk bespreken. Omdat de gemachtigde van de Stichting op de zitting de beroepsgrond over ‘stikstof’ heeft ingetrokken, laat de rechtbank een bespreking van die beroepsgrond achterwege.
9.1.
De beroepsgronden die [eiser 1] heeft aangevoerd tegen de omgevingsvergunning verleend op grond van de Wabo, heeft hij ook aangevoerd tegen het bestreden besluit van 30 juli 2025, waarin zijn bezwaren tegen de omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van de Omgevingswet, ongegrond zijn verklaard (ZWO 25/2145). De rechtbank zal daarom per aangevoerde beroepsgrond beoordelen of het betoog kan leiden tot een vernietiging van de bestreden omgevingsvergunningen naar oud en nieuw recht. Ter wille van de leesbaarheid behandelt de rechtbank de beroepsgronden gezamenlijk maar hierbij dient te worden bedacht dat het beroep van de Stichting zich beperkt tot de vergunning die op grond van de Wabo is verleend.
Toetsingskaders
Wabo
10. Het college heeft de omgevingsvergunning van 7 mei 2025 verleend in afwijking van de planologische regels, zoals vervat in de geldende bestemmingsplannen, op basis van een afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef a en onder 3º van de Wabo. Dat kan als uit een goede ruimtelijke onderbouwing is gebleken dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft bij het nemen van een dergelijk besluit beleidsruimte. Als het college van mening is dat de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan hij ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van de planologische regels te gebruiken. Daarbij moet het college alle betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van [eiser 1] en de Stichting of het college met de motivering van zijn besluit bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Omgevingswet
10.1.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
10.2.
Voor de bopa geldt in aanvulling op deze algemene voorwaarde dat op grond van artikel 5.21, tweede lid sub c, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.0b, eerste lid, onder b van het Bkl de instructieregels die voor de betreffende activiteit zijn vastgesteld door het Rijk of door de provincie gelden als beoordelingsregel voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
10.3.
Uit artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl volgt dat het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bopa (onder andere) moet weigeren als niet wordt voldaan aan de regels in hoofdstuk 5 van het Bkl of de aanvraag in strijd is met de instructieregels die de provincie heeft vastgesteld. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening.
10.4.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. ‘Evenwichtige toedeling’ is een open norm en het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om deze in te vullen.
10.5.
De rechtbank stelt vast dat het college voor de motivering of het bouwplan aan de [adres 1] voldoet aan het criterium van een ‘goede ruimtelijke ordening’ uit het oude recht (Wabo) heeft verwezen naar het document “Eftal Motivering BOPA [adres 1]”, welk document ook onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning op grond van de Wabo. Dit document is (ook) opgesteld ten behoeve van de aanvraag die [derde belanghebbende] op basis van het nieuwe recht (Omgevingswet) heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat de wetgever bij het criterium van een evenwichtige toedeling heeft beoogd om aan te sluiten bij het criterium 'goede ruimtelijke ordening' dat gold onder de Wabo. In verband hiermede kon het college naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij het besluit op grond van de Wabo verwijzen naar de ruimtelijke onderbouwing die ook aan de vergunningaanvraag op basis van de Omgevingswet was ingediend. Anders dan [eiser 1] heeft aangevoerd, is van een vermenging van twee aanvragen in één besluit geen sprake. Het betoog slaagt niet.
Is er sprake van een onzorgvuldige aanvraag?
11. De Stichting stelt dat de aanvraag, waarop met het besluit van 7 mei 2025 is beslist, inconsistent is. Volgens de Stichting zijn bij de aanvraag documenten opgenomen die betrekking hebben op andere adressen en volgt uit de aanvraag niet duidelijk op welke energiebronnen de woning en de schuur worden aangesloten. Vanwege deze onduidelijk kon het college niet op de aanvraag beslissen, aldus de Stichting.
11.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals het college heeft toegelicht, moest het opnieuw op de oorspronkelijke aanvraag beslissen toen het, naar aanleiding van de bezwaren van [eisers], het besluit van 2 maart 2022 had herroepen. [derde belanghebbende] heeft daarop zijn aanvraag aangevuld met nieuwe stukken die hij ook voor zijn nieuwe aanvraag van 29 februari 2024 had vervaardigd. De op de vergunning betrekking hebbende stukken zijn in bijlage 1 van het bestreden besluit opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van de Stichting niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog slaagt niet.
11.2.
Voor zover [eiser 1] en de Stichting hebben bedoeld dat het college ten onrechte twee verschillende omgevingsvergunningen heeft verleend voor hetzelfde project, oordeelt de rechtbank dat geen rechtsregel zich er tegen verzet dat het college voor hetzelfde project zowel een omgevingsvergunning heeft verleend op grond van de Wabo en de Omgevingswet. Het college diende immers te beslissen op beide aanvragen die door [derde belanghebbende] waren ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Aantasting cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden
12. [eiser 1] en de Stichting stellen zich op het standpunt dat op het perceel [adres 1] sprake is van een hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarde. Zij wijzen erop dat uit de huidige bestemming volgt dat de landschappelijke waarden van de grond moeten worden behouden en ontwikkeld en uitdrukking van de waarden in het reliëf moet worden beschermd. Volgens [eiser 1] worden de hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarden voor de flank van de Honesch en bij de kruising van de [adres 1] en de [adres 4] bevestigd in de deskundigenrapporten van Vestigia en Cultuurland. Volgens [eiser 1] zijn de nadelige gevolgen die het bouwplan voor de cultuurhistorische en landschappelijke waarden heeft, onevenwichtig tot het te dienen doel. De nadelige gevolgen heeft het college onvoldoende afgewogen, aldus [eiser 1] en de Stichting.
12.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het rapport van Vestigia in opdracht van [eiser 1] zelf is opgemaakt en geen onderdeel van de aanvraag vormt. Het college kon daarom de conclusies uit dit rapport niet betrekken bij de beoordeling van de aanvraag. Het rapport van Cultuurland maakt onderdeel van de aanvraag. Volgens het college spreken de rapporten van Vestigia en Cultuurland allebei van een hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarde voor de flank van de Honesch. De rapporten verbinden daar echter verschillende conclusies aan. Vestigia heeft een voorkeur voor handhaving van de agrarische bestemming. Volgens het college volgt uit het rapport van Cultuurland dat landschap en cultuurhistorie in dit geval geen bezwaar vormen voor de geplande ontwikkelingen, mits rekening wordt gehouden met enkele in dat rapport beschreven punten. Het college stelt dat deze punten zijn verwerkt in de inrichtingstekening. Volgens het college wordt de woning met bijgebouw aan de [adres 1] gerealiseerd op een plek waar de waarden niet of beperkt aanwezig zijn en sluit de bebouwing aan bij de bestaande bebouwing. Daarbij behoort het deel van het perceel waar het bouwplan wordt verricht, officieel niet op (de flank van) de es ligt. Het plan om een nieuwe woning met bijgebouw te bouwen en de landschappelijke inpassing van het perceel doet daarmee geen verdere afbreuk aan de waarden ter plaatse.
12.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor adviseurs die niet wettelijk zijn aangewezen. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
12.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich mocht baseren op het rapport van Cultuurland. Het rapport onderkent dat de Honesch als geheel cultuurhistorisch zeer waardevol is. Cultuurland heeft gemotiveerd dat de ensemblewaarde lager ligt voor de flank van de Honesch ter hoogte van het bouwplan. Dit komt door de uitbreiding van [plaats] langs de noord- en zuidzijde van de [adres 4], waardoor de relatie tussen de es en het omliggende landschap niet meer duidelijk aanwezig is en verschillende verstoringen in het verleden. Desalniettemin waardeert Cultuurland ook dit gedeelte van de es hoog vanwege de zeer hoge kenmerkendheid van het gebied. Omdat het bouwplan is voorzien op de flank van de es, vanwege de bestaande singel het zicht op de es niet zal verminderen en een algehele reconstructie van de oude esrand niet realistisch is, is het Cultuurland tot het conclusie gekomen dat het bouwplan geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit en gerealiseerd kan worden als aan enkele voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank overweegt dat het rapport begrijpelijk is en de conclusie aansluit op de gevolgde redenering. Dat het rapport van Vestigia tot een andere conclusie komt – namelijk het reconstrueren van de vroegere houtwal en wildkering en het handhaven van de agrarische bestemming – betekent niet dat het college het rapport van Cultuurland niet aan de verlening van de omgevingsvergunningen ten grondslag mocht leggen. Het betoog slaagt niet.
12.4.
De rechtbank overweegt dat de bebouwing zich beperkt tot de oostzijde van het perceel. De westelijke helft van het plangebied blijft open en onbebouwd. De kleine doorkijk naar de es in de zuidwestelijke hoek blijft gehandhaafd en het bord over de [adres 3] aan het fietspad langs de [adres 4] blijft bestaan. De eiken langs de [adres 1] blijven behouden, de nieuwe woning met bijgebouw sluit aan bij de bestaande bebouwing en de locatie wordt landschappelijk ingepast. De rechtbank overweegt dat het college in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat voldoende rekening is gehouden met de
cultuurhistorische, archeologisch en landschappelijke waarden en dat op dit onderdeel wordt voldaan aan de vereisten van een ‘goede ruimtelijke ordening’ en een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Daarbij heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan geen onevenredige gevolgen voor [eiser 1] heeft. De woning met het bijgebouw worden namelijk achter de huidige bomenrij langs de [adres 4] en in lijn met andere bestaande bebouwing geplaatst. Ook blijft de zuidelijke bomenrij gehandhaafd. Van een onevenredige afname van het zicht op de Honesch, en daardoor een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat van [eiser 1], is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ruimtelijke onderbouwing is gebrekkig
13. [eiser 1] en de Stichting stellen zich op het standpunt dat de motivering of het project voldoet aan een ‘goede ruimtelijke ordening’ dan wel kan worden toegestaan vanwege een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ondeugdelijk is. Volgens [eiser 1] en de Stichting heeft het college niet onderkend dat het bouwplan in strijd is met het Landschapsontwikkelingsplan [plaats] en Hof van Twente 2005 (hierna: landschapsontwikkelingsplan). In het landschapsontwikkelingsplan is de doelstelling opgenomen om de openheid van de essen en de velden en het reliëf en de zichtlijnen op de Honesch te behouden. [eiser 1] en de Stichting stellen dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt of het bouwplan bijdraagt aan het behoud van de openheid van de Honesch. Ook heeft het college nagelaten om te motiveren waarom de zichtlijnen vanaf de [adres 4] naar de Honesch verdwijnen, terwijl deze noodzaak eerder wel bestond. Volgens [eiser 1] zijn de omgevingsvergunning op basis van gelegenheidsplanologie vastgesteld.
13.1.
Het college stelt zich, onder verwijzing naar het rapport van Cultuurland, op het standpunt dat van een doorkijk of zicht op de es vanaf de [adres 4] vrijwel geen sprake is door de aanwezigheid van een singel aan de zuidkant van het plangebied en bebouwing en opgaande beplanting op het perceel aan de westkant. Door deze verstoringen vormt de weide momenteel een afgesloten geheel, waar alleen in de uiterste zuidwesthoek een kleine doorkijk naar de open es is. Omdat de doorkijk in de uiterste zuidwesthoek blijft, wordt de doorkijk door het project behouden. Omdat de woning aansluit op het bebouwingscluster aan de [adres 5], zijn er geen extra belemmeringen voor de zichtlijnen. Van een vermindering van de openheid van de essen of van de zichtlijnen is geen sprake, aldus het college.
13.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de omgevingsvergunningen zijn verleend met inachtneming van de doelstellingen die in het landschapsontwikkelingsplan zijn gesteld. Vanaf de [adres 4], en juist vanaf het perceel en de woning van [eiser 1], blijven door de positionering van de woning en de schuur op de uiterste zuidwesthoek zichtlijnen op de Honesch behouden. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat het behoud van de singel aan de zuidzijde van het perceel geen afbreuk aan de bestaande zichtlijnen doet. Deze singel is omstreeks 2005 gerealiseerd en [eiser 1] had daardoor en vanwege het bebouwingscluster aan de [adres 5] al geen onbelemmerd zicht op de Honesch. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het bouwplan in strijd met de Regionale spelregels ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Zuidwest-Twente?
Compensatiewoning aan de [adres 2] en gekozen procedure
14. [eiser 1] en de Stichting voeren aan dat het project niet voldoet aan de ‘Regionale spelregels ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Zuidwest-Twente’ (hierna: de regionale spelregels) omdat de sloopmeters verkregen door de sloop van voormalig agrarische bedrijfsgebouwen aan de [adres 2] op de [adres 1] worden toegepast. Zij stellen dat de sloopmeters op de slooplocatie moesten worden toegepast omdat het college niet heeft aangetoond dat in dit geval sprake is van een aantoonbare extra ruimtelijke kwaliteitsslag. Volgens [eiser 1] is het (feitelijk) wel mogelijk om een compensatiewoning naast de woning aan de [adres 2] op te richten, ondanks dat het college tweedelijns bebouwing niet wenselijk acht. Tot slot stelt [eiser 1] dat de agrarische functie aan de [adres 2] niet wordt gewijzigd naar een woonbestemming en dit in strijd is met de rood-voor-rood regeling zoals opgenomen in de regionale spelregels.
14.1.
Het college stelt dat op grond van de regionale spelregels nieuwe woningen in beginsel gerealiseerd moeten worden op de slooplocatie. Er kunnen omstandigheden zijn dat wordt gezocht naar een locatie elders. Het college heeft aangegeven waarom hij het vanuit milieutechnisch oogpunt en ook vanuit ruimtelijk en landschappelijk oogpunt onwenselijk vindt om op de locatie [adres 2] een woning te realiseren.
14.2.
De rechtbank overweegt dat het college op 10 april 2025 een omgevingsvergunning heeft verleend voor de [adres 2] waarin het toestaat dat:
- aan het bedrijfsperceel [adres 2] de functie ‘bedrijf’ wordt toegekend in de vorm van een aannemersbedrijf van 600 m2 met een bedrijfswoning, waar maximaal 150 m2 per wooneenheid wordt toegestaan aan bijgebouwen;
- de agrarische bedrijfswoning [adres 2] naar een reguliere woning wordt omgezet, waar maximaal 150 m2 per wooneenheid wordt toegestaan aan bijgebouwen.
[eiser 1] heeft tegen die omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en dit bezwaar is door het college kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het stelt dat [eiser 1] geen belanghebbende is bij dat besluit. De rechtbank oordeelt in haar uitspraak van vandaag met zaaknummer ZWO 25/2217 dat [eiser 1] terecht niet-ontvankelijk is verklaard en is dus niet op de gronden tegen de inhoud van deze vergunning ingegaan.
14.3.
De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden van [eiser 1] en de Stichting dat de compensatiewoning op de slooplocatie moet worden gerealiseerd, zich eigenlijk richten tegen voornoemde omgevingsvergunning. Dat besluit ligt in deze procedure niet voor. De rechtbank zal ook niet via een omweg in deze procedure een oordeel geven over de vraag of het college in redelijkheid kon bepalen dat vanuit een milieutechnisch- of een ruimtelijk en landschappelijk oogpunt het realiseren van de compensatiewoning op de slooplocatie voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt eveneens voor de door [eiser 1] en de Stichting opgeworpen beroepsgrond dat de ontwikkeling aan de [adres 2] ten onrechte niet in een bestemmingsplan zijn vastgelegd.
Maatwerk
14.4.
[eiser 1] stelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een uitzonderlijk geval zoals is bedoeld in de regionale spelregels en het college ten onrechte maatwerk heeft toegepast.
14.5.
Volgens het college valt het perceel [adres 1] op grond van de Bouwverordening [plaats] (bouwverordening) binnen de bebouwde kom. Daarnaast heeft de gemeenteraad van [plaats] op 21 mei 2025 een kaart vastgesteld voor de binnengrenzen van de kernrandzone van [plaats], [locatie]. Volgens het college valt het perceel [adres 1] binnen deze zone. Ook is de omgeving naar de feitelijke aard en de aard van de omgeving aan te merken als binnen de bebouwde kom. Het college heeft onderbouwd dat de belangen die het met de regionale spelregels beoogt te beschermen niet gelden in de bebouwde kom. Het college stelt daarom geen gebruik te hebben gemaakt van de maakwerkoptie zoals beschreven in de regionale spelregels.
14.6.
De rechtbank stelt vast dat in de regionale spelregels niet is gedefinieerd wat onder de ‘bebouwde kom’ moet worden verstaan. De rechtbank overweegt dat, voor de bepaling van dit gebied, in de regionale spelregels ook geen koppeling is gemaakt met de definiëring van dit begrip in de bouwverordening of de omgevingsverordening. De rechtbank overweegt dat daarom aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgt dat de vraag of een perceel in de bebouwde kom ligt, van feitelijke aard is. Niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft, maar de aard van de omgeving is bepalend. Daarbij is in het bijzonder van belang of sprake is van een concentratie van bebouwing en of het gebied door de bebouwing overwegend een woon- of verblijffunctie heeft.
14.7.
De rechtbank overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het perceel [adres 1] is gelegen in de bebouwde kom. Het perceel ligt op de kruising van de [adres 4] en de [adres 1] aan de rand van [plaats]. Aan de noordzijde van het perceel bevindt zich de lintbebouwing aan de [adres 4] en het perceel wordt omringd door drie woningen aan de oost- zuid- en westzijde van het perceel. Alhoewel verder van het perceel ook meer percelen met een agrarische bestemming zijn gelegen, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op woningen die direct rond de [adres 1] zijn gerealiseerd, het perceel in een gebied ligt dat overwegend een woon- of verblijffunctie heeft.
14.8.
Gelet op het vorenstaande is het college terecht niet toegekomen aan de beoordeling of een geschikte locatie is gelegen in de kernrandzone of kan worden aangesloten bij een bestaand erf (silhouet), lint of andersoortige bebouwingsconcentratie of dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin maatwerk kan worden toegepast. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het geen gebruik heeft gemaakt van de maatwerkoptie zoals beschreven in de regionale spelregels. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van strijd met de provinciale omgevingsverordening?
15. [eiser 1] en de Stichting stellen dat de omgevingsvergunningen geweigerd moesten worden vanwege strijd met provinciale instructieregels. Zij menen dat de omgevingsvergunningen niet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 4.5 (zuinig en zorgvuldige ruimtegebruik), 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit) en 4.10 (normerende en richtinggevende uitspraken) van de Omgevingsverordening Overijssel (hierna: de Omgevingsverordening).
15.1.
De rechtbank merkt op dat [eiser 1] en de Stichting ter onderbouwing van hun betoog dat de omgevingsvergunning die is verleend op grond van de Wabo in strijd is met de provinciale omgevingsverordening, hebben verwezen naar de tekst van de Omgevingsverordening zoals die gold ten tijde van de bestreden besluiten. Zoals onder punt 5.1 overwogen, is op het bestreden besluit I het recht van toepassing zoals dat gold tot
1 januari 2024. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen in beroep voor ogen hebben gehad om te betogen dat deze omgevingsvergunning is verleend in strijd met de Omgevingsverordening Overijssel 2017, zoals die gold tot en met 31 december 2023 (hierna: Omgevingsverordening 2017). De rechtbank zal de beroepsgronden behandelen aan de hand van de normen waarvan [eiser 1] en de Stichting stellen dat die worden geschonden. De rechtbank zal daarbij beoordelen of de bepalingen van de Omgevingsverordening 2017 en de Omgevingsverordening overeenkomen en dus de materiële normstelling die op de bestreden omgevingsvergunningen van toepassing is, gelijk is.
Artikelen 4.8 en 4.10 van de Omgevingsverordening
15.2.
[eiser 1] en de Stichting stellen dat dat het college bij de beoordeling van de aanvragen geen acht heeft geslagen op de normerende en de richtinggevende uitspraken die de catalogus Gebiedskenmerken (hierna: de catalogus) doet over de gebieden waarop de ontwikkeling ziet. Volgens hen wordt daarom niet voldaan aan artikel 4.10 van de Omgevingsverordening. Verder stellen zij dat het project in strijd is met artikel 4.8 van de Omgevingsverordening omdat de nieuwe ontwikkeling niet de ruimtelijke kwaliteit versterkt.
15.3.
De rechtbank overweegt dat de materiële normstelling van het eerste lid van artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening 2017 gelijk is aan artikel 4.8 van de Omgevingsverordening. De norm van artikel 2.1.5, leden zes tot en met negen, van de Omgevingsverordening 2017 is gelijk aan artikel 4.10 van de Omgevingsverordening.
15.4.
In het bestreden besluit II van 30 juli 2025 heeft het college toegelicht dat met de ontwikkeling wordt voldaan aan de normerende en de richtinggevende uitspraken die de catalogus over dit gebied doet. Het college stelt dat het landschappelijk inpassingsplan, dat onderdeel van de bestreden omgevingsvergunningen uitmaakt, uitvoering geeft aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden zoals die in het rapport van Cultuurland zijn voorgeschreven. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in de instandhouding van de openheid op het perceel en de ontwikkeling vindt plaats op de flank van de es waarbij de structuren worden versterkt. Omdat de ontwikkeling in het groen wordt ingepast, versterkt de ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit. Volgens het college voldoen de omgevingsvergunningen daarom aan artikelen 4.8 en 4.10 van de Omgevingsverordening.
15.5.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 4.10, eerste lid, van de Omgevingsverordening in omgevingsplannen de normerende uitspraken en richtinggevende uitspraken in acht genomen, die de catalogus Gebiedskenmerken doet over gebieden die in dat omgevingsplan zijn opgenomen.
Normgevende uitspraken zijn uitspraken over landschappelijke inpassing volgens de aanwezige gebiedskenmerken die geen ruimte laten voor lokale afweging. Richtinggevende uitspraken zijn uitspraken over landschappelijke inpassing volgens de aanwezige gebiedskenmerken, die ruimte laten voor lokale afweging binnen de kaders van de provinciale kwaliteitsambities.
In de normerende uitspraak is het volgende is opgenomen:
- "De essen krijgen een beschermde bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de huidige bodemkwaliteit en het huidige reliëf;
- Op de flanken krijgen de kleinschalige landschapselementen, zoals houtwallen, bosjes, zandpaden, karakteristieke erven en beeldbepalende open ruimte daartussen, een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van dit kleinschalige patroon.”
In de richtinggevende uitspraak is opgenomen:
“Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken
een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren
(lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.”
15.6.
De rechtbank overweegt dat aan de omgevingsvergunning van 13 februari 2025 het voorschrift is verbonden dat uitvoering van het project moet plaatsvinden overeenkomstig de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen. Het landschappelijk inpassingsplan is aan de omgevingsvergunning verbonden, waarmee is gewaarborgd dat het perceel [adres 1] overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan wordt gerealiseerd. De rechtbank merkt op dat aan de omgevingsvergunning van 7 mei 2025 ook het voorschrift is verbonden dat de locatie landschappelijk moet worden ingepast en het landschappelijk inpassingsplan als bijlage onderdeel uitmaakt van die omgevingsvergunning.
15.7.
De rechtbank overweegt verder dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat, zoals ook onder punten 12 en 13 overwogen, het inrichtingsplan voorziet in de instandhouding van de openheid op het perceel. De ontwikkeling vindt plaats op de flank van de Honesch waarbij de bebouwingsstructuren en het landschappelijk raamwerk wordt versterkt. [eiser 1] en de Stichting hebben niet verder onderbouwd waarom het bouwplan niet aan deze norm voldoet. De beroepsgrond slaagt niet.
15.8.
De rechtbank is daarnaast ook van oordeel dat de vergunningverlening niet in strijd is met artikel 4.8 van de Omgevingsverordening. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd dat met de vergunningen, de ruimtelijke kwaliteit in de Groene Omgeving wordt versterkt. Het college mocht daarbij de ontwikkeling aan de [adres 2] betrekken omdat het bouwplan aan de [adres 1] alleen kan worden gerealiseerd als de agrarische bedrijfsgebouwen zijn gesloopt (wat reeds gebeurd is) en de (agrarische) bedrijfsactiviteiten gestaakt blijven. Het betoog slaagt niet.
Artikel 4.5 van de Omgevingsverordening
15.9.
[eiser 1] en de Stichting stellen dat het project in strijd is met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening. Zij menen dat het project een extra ruimtebeslag voor een stedelijke functie in de Groene Omgeving mogelijk maakt, zodat het college aannemelijk had moeten maken dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied. Volgens [eiser 1] en de Stichting heeft het college ten onrechte niet onderzocht en gemotiveerd of voor de opgave ruimte beschikbaar is in het bestaande bebouwd gebied en wordt daarom niet voorzien in een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik van de Groene Omgeving.
15.10.
Volgens het college is er geen sprake van een toename van het ruimtebeslag ten koste van de Groene Omgeving. Omdat aan de [adres 2] 1.369 m2 agrarische bebouwing wordt gesloopt en aan de [adres 1], 275 m2 bebouwing wordt gerealiseerd, neemt het netto ruimtebeslag af met circa 1.100 m2. Ook het netto ruimtebeslag van de verharding in het buitengebied neemt per saldo af. Van een strijd met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening is daarom volgens het college geen sprake.
15.11.
Artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening bepaalt dat omgevingsplannen alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk maken aansluitend op bestaand bebouwd gebied als aannemelijk is gemaakt dat:
a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
15.12.
Op grond van bijlage 1 bij de omgevingsverordening moet onder de ‘Groene Omgeving’ verstaan worden: dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied.
In dezelfde bijlage wordt het begrip ‘bestaand bebouwd gebied’ gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg.
Het begrip ‘stedelijke functies’ wordt gedefinieerd als: functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen.
15.13.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het perceel [adres 1] niet is gelegen binnen het bestaand bebouwd gebied omdat het perceel, op het moment dat de aanvragen werden ingediend, niet op grond van een geldend bestemmingsplan of omgevingsplan werd benut voor een stedelijke functie. Het perceel ligt daarom in de Groene Omgeving als bedoeld in de Omgevingsverordening.
15.14.
De rechtbank overweegt dat in de Omgevingsverordening 2017 ook een bepaling is opgenomen over zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik van de Groene Omgeving. In de toelichting op artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening staat dat voor de Groene Omgeving een variant op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik geldt die erop is gericht om eerst zoveel mogelijk bestaande erven en bebouwing te gebruiken voordat meegewerkt mag worden aan nieuw ruimtebeslag op de Groene Omgeving.
15.15.
In artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening 2017 is bepaald dat bestemmingsplannen uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen voorzien die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
• dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
• dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
15.16.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening 2017 uitgaat van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking neergelegd. Artikel 3.1.6., tweede lid, van de Bro bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Op grond van artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is deze bepaling van overeenkomstige toepassing als een nieuwe stedelijk ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt door verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3°, van de Wabo. Als geen sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ zoals bedoeld in de Bro, is artikel 2.1.3, eerste lid van de Omgevingsverordening 2017 niet van toepassing.
15.17.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017,
ECLI:NL:RVS:2017:1724, heeft de Afdeling onder 6.3 overwogen dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen, deze ontwikkeling niet substantieel is en in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Omdat met de bestreden omgevingsvergunning van 7 mei 2025 één woning met een schuur kan worden gerealiseerd, is de rechtbank van oordeel dat de omgevingsvergunning niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Hierom is artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening 2017 niet van toepassing op de met de omgevingsvergunning voorziene ontwikkeling. De betogen slagen niet.
15.18.
De rechtbank stelt vast dat Provinciale Staten van Overijssel de inhoud van artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening 2017 hebben overgenomen in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de toelichting van de Omgevingsverordening, waarin staat dat de landelijke motiveringseis voor een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik in de Omgevingsverordening invulling krijgt met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zoals opgenomen in artikel 4.5. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van voornoemde rechtspraak voor het beantwoorden van de vraag of de ontwikkeling van één woning met schuur voldoende substantieel is. De rechtbank is van oordeel dat artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening, niet van toepassing is op de bestreden omgevingsvergunning van 13 februari 2025.
15.19.
De beroepsgrond dat de bestreden omgevingsvergunningen in strijd zijn met de bepalingen uit de provinciale omgevingsverordening, slaagt dan ook niet.
Is er sprake van strijd met de Omgevingsvisie Overijssel?
16. [eiser 1] en de Stichting stellen dat het bouwplan in strijd is met paragraaf 7.1.5. van de Omgevingsvisie Overijssel (omgevingsvisie). Volgens hen had moeten worden beoordeeld of het bouwplan op het erf van de [adres 2] gerealiseerd kon worden. Zij vinden dat een compensatiewoning wel op dat erf gerealiseerd kan worden.
16.1.
In paragraaf 7.1.5. van de omgevingsvisie is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Ook voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving gelden de principes van zuinig en
zorgvuldig ruimtegebruik. Bij nieuwvestigingen en uitbreidingswensen waarvoor binnen
het bestaand bebouwde gebied in redelijkheid geen ruimte te vinden is, moet zoveel
mogelijk eerst de ruimte benut worden binnen bestaande erven, voordat beslag mag
worden gelegd op de onbebouwde Groene Omgeving. Dit geldt niet alleen voor
agrarische bedrijven, maar voor alle functies in de Groene Omgeving. Ook bij/voor
hergebruik en transformatie geldt dat zij moet bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.”
16.2.
De rechtbank overweegt, zoals zij onder punt 14.3 heeft overwogen, dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het realiseren van een woning met schuur op de locatie [adres 2] vanuit ruimtelijk- en milieuoogpunt niet mogelijk is. Het college heeft in de bestreden besluiten daarom deugdelijk gemotiveerd waarom de vergunningverlening niet in strijd is met de omgevingsvisie. Hierbij kan er bovendien niet aan worden voorbijgegaan dat de omgevingsvisie geen algemeen verbindende voorschriften bevat. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
17. Het voorgaande betekent dat de beroepen van [eiser 1] en de Stichting niet slagen. Hun beroepen met de zaaknummers ZWO 25/1399, ZWO 25/1612 en ZWO 25/2145 zijn ongegrond. Dat betekent dat zij geen gelijk krijgen. [eiser 1] en de Stichting krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
17.1.
Het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] met zaaknummer
ZWO 25/2145 is gegrond omdat het college hun bezwaar ten onrechte inhoudelijk heeft beoordeeld. Het college had het bezwaar van [eiser 3] en [eiser 4] tegen de omgevingsvergunning van 13 februari 2025 niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat heeft het college ten onrechte niet gedaan. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit II van 30 juli 2025 voor zover daarbij de bezwaren van [eiser 3] en [eiser 4] inhoudelijk zijn beoordeeld en hun bezwaar ongegrond is verklaard. Het bezwaar van [eiser 3] en [eiser 4] moet alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank zal dan ook zelf in de zaak voorzien door het door [eiser 3] en [eiser 4] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit II van 30 juli 2025.
17.2.
De rechtbank zal het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] met zaaknummer ZWO 25/1399 niet-ontvankelijk verklaren.
17.3.
Het voorgaande betekent dat de omgevingsvergunningen van 13 februari 2025 en 7 mei 2025 in stand blijven.
17.4.
Omdat het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan hen vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Voor de beroepsfase wordt de vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] in de procedure met zaaknummer ZWO 25/1399, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] in de procedure met zaaknummer ZWO 25/2145, gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 juli 2025 voor zover daarbij het bezwaar van [eiser 3] en [eiser 4] inhoudelijk is beoordeeld en hun bezwaar ongegrond is verklaard;
- verklaart het bezwaar van [eiser 3] en [eiser 4] tegen het primaire besluit van 13 februari 2025 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit;
- verklaart de beroepen van [eiser 1] en de Stichting ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser 3] en [eiser 4] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot het vergoeden van de proceskosten ter hoogte van € 1.868,- aan [eiser 3] en [eiser 4].
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
(…)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)
Artikel 2.1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
Artikel 2.10
(…)
2 In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a.indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Omgevingswet
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
Artikel 5.18 (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur)
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
(…)
Artikel 5.21 (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit)
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
op de beslissing of de omgevingsvergunning in een geval als bedoeld onder b kan worden verleend als het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan van provinciaal of nationaal belang geheel en als het gaat om een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn:
1°.de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 gestelde regels over omgevingsplannen,
2°.de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 gegeven instructies over omgevingsplannen.
(…)
Besluit ruimtelijke ordening (oud)
Artikel 1.1.1
1In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;
Artikel 3.1.6.
(…)
2De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 8.0b. (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang)
1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:
a. de regels van hoofdstuk 5;
b. op grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen; en
c. op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 van de wet gegeven instructies over omgevingsplannen.
2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:
a. de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;
b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan; of
c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmert.
(…)
Omgevingsverordening Overijssel 2017 (oud)
Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
(…)
Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
Lid 1
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
(…)
Lid 6
Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken.
Lid 7
Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.
Lid 8
Van normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 6 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer:
er sprake is van zwaarwegende sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen en
voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.
Lid 9
Van richtinggevende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 7 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt.
Omgevingsverordening Overijssel
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
1. Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
2. Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat:
(her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en
mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvoor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden.
Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Artikel 4.10 (normerende en richtinggevende uitspraken)
1. In omgevingsplannen worden de normerende uitspraken en de richtinggevende uitspraken in acht genomen die de catalogus Gebiedskenmerken doet over gebieden die in dat omgevingsplan zijn opgenomen.
2. In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtinggevende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken als verzekerd is dat de kwaliteitsambitie die in de Catalogus Gebiedskenmerken voor dat gebied is opgenomen, in gelijke mate gerealiseerd wordt.
3. In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van de normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken als:
a.sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en
b.voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de provinciale ambities die in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn opgenomen voor dat gebied.
Zie de uitspraak van 11 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:43.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4114.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:128, onder 4.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633.
De bestemmingsplannen ‘bestemmingsplan Buitengebied en ‘Buitengebied [plaats], partiële herziening veegplan 1’ maken op grond van artikel 4.6, eerste lid onder g, deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan [plaats].
Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
Zie ook de Afdeling van 26 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3652, punt 7.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3277, punt 4.2 en de Rechtbank Noord-Nederland van 18 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:667.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1423.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4880, punt 5.1.
Versie geldend van 1 mei 2025 tot en met 30 juni 2026.
Bijlage I van de omgevingsverordening Overijssel.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3629 en 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5137.
De ladder van duurzame verstelijking is onder de Omgevingswet opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|