Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:885 
 
Datum uitspraak:18-02-2026
Datum gepubliceerd:20-02-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:C/08/325971 / HA ZA 24-47 C/08/325971 / HA ZA 24-47
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Erflaatster is in 2022 overleden. Erflaatster heeft als erfgenamen achtergelaten haar kinderen, partij A en naam 1. Erflaatster had ten tijde van haar overlijden een eenmanszaak waarin haar vader, partij B , beheerwerkzaamheden verrichtte voor verhuurders van onroerend goed. De eenmanszaak betaalde zichzelf een beheervergoeding uit de huur die zij van de huurders kreeg overgemaakt en het resterende deel werd als vergoeding voor de huur aan de verhuurders doorbetaald. In 2010 hebben erflaatster en partij B samen een stichting opgericht waaraan de huurders de huur overmaakten. De stichting betaalde vervolgens de beheervergoedingen door aan de eenmanszaak. Na het overlijden van erflaatster was partij B enig bestuurder van deze stichting. In deze procedure gaat het voornamelijk over de vraag aan wie de beheerportefeuille en beheervergoedingen toekomen in de periode na het overlijden van erflaatster. Partij A vorderen schadevergoeding van partij B, omdat hij niet alle beheervergoedingen aan de nalatenschap zou hebben overgemaakt en hij onrechtmatig zou hebben gehandeld door zijn rol bij de overname van de beheerportefeuille door een andere ondernemer. Ook vorderen partij A dat partij B rekening en verantwoording aflegt over het door hem gevoerde beheer over de beheervergoedingen. Partij B vordert betaling door partij A van een geldvordering die erflaatster aan hem verschuldigd was ten tijde van haar overlijden en betaling van vergoeding of loon voor zijn werkzaamheden in de eenmanszaak. De rechtbank wijst een tussenvonnis, omdat partijen zich nog over een aantal onderwerpen nader moeten uitlaten.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
erfgenamen
testament
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/325971 / HA ZA 24-476


Tussenvonnis van 18 februari 2026


in de zaak van




1 [partij A 1] ,
wonende in [woonplaats 1] ,2. [partij A 2],
wonende in [woonplaats 2] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. J. Bisschop,

tegen



[partij B]
,
wonende in [woonplaats 3] ,
zowel pro se als in zijn hoedanigheid van bestuurder van de ontbonden stichting: [stichting],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande.





1Waar deze zaak over gaat


1.1.

[erflaatster] is [overlijdensdatum] 2022 overleden. [erflaatster] heeft als erfgenamen achtergelaten haar kinderen, [partij A] en [naam 1] . [erflaatster] had ten tijde van haar overlijden een eenmanszaak waarin haar vader, [partij B] , beheerwerkzaamheden verrichtte voor verhuurders van onroerend goed. De eenmanszaak betaalde zichzelf een beheervergoeding uit de huur die zij van de huurders kreeg overgemaakt en het resterende deel werd als vergoeding voor de huur aan de verhuurders doorbetaald. In 2010 hebben [erflaatster] en [partij B] samen een stichting opgericht waaraan de huurders de huur overmaakten. De stichting betaalde vervolgens de beheervergoedingen door aan de eenmanszaak. Na het overlijden van [erflaatster] was [partij B] enig bestuurder van deze stichting.



1.2.
In deze procedure gaat het voornamelijk over de vraag aan wie de beheerportefeuille en beheervergoedingen toekomen in de periode na het overlijden van [erflaatster] . [partij A] vorderen schadevergoeding van [partij B] , omdat hij niet alle beheervergoedingen aan de nalatenschap zou hebben overgemaakt en hij onrechtmatig zou hebben gehandeld door zijn rol bij de overname van de beheerportefeuille door een andere ondernemer. Ook vorderen [partij A] dat [partij B] rekening en verantwoording aflegt over het door hem gevoerde beheer over de beheervergoedingen. [partij B] vordert betaling door [partij A] van een geldvordering die [erflaatster] aan hem verschuldigd was ten tijde van haar overlijden en betaling van vergoeding of loon voor zijn werkzaamheden in de eenmanszaak.



1.3.
De rechtbank wijst een tussenvonnis, omdat partijen zich nog over een aantal onderwerpen nader moeten uitlaten.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 26 februari 2025 waarbij een mondelinge behandeling in het incident is bepaald,
- de akte uitlating van [partij A] ,
- de mondelinge behandeling in incident van 18 april 2025 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, waarbij namens beide partijen pleitnotities zijn voorgedragen en waarin partijen tot een regeling zijn gekomen,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 2 juli 2025,- de conclusie van antwoord in reconventie,- de mondelinge behandeling van 17 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij namens beide partijen pleitnotities zijn voorgedragen.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


3.1.
Op [overlijdensdatum] 2022 is [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ) overleden. [erflaatster] was de moeder van [partij A] en de dochter van [partij B] . [erflaatster] heeft als erfgenamen haar zonen [partij A] en [naam 1] achtergelaten. Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. [partij B] is in het testament van [erflaatster] van 2 december 2021 benoemd tot testamentair bewindvoerder van het testamentair vermogen van de minderjarige [naam 1] . Tot executeur is benoemd mr. B. Slagter, notaris te Kampen (hierna: de executeur). De executeur heeft een ruimschoots verklaring afgelegd.



3.2.

[erflaatster] was ten tijde van haar overlijden eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 1] (hierna: de Eenmanszaak). De Eenmanszaak oefende zowel makelaarsactiviteiten uit als beheeractiviteiten op het gebied van onroerend goed. Ten tijde van het overlijden van [erflaatster] waren [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] in dienst bij de Eenmanzaak. De Eenmanszaak kreeg beheeropdrachten van verhuurders en had een eigen beheerportefeuille. Huurders betaalden de huur aan de Eenmanszaak. Hieruit betaalde de Eenmanszaak de beheerkosten (zoals onderhoudskosten) en beheervergoedingen aan zichzelf ter hoogte van een bepaald percentage van de betreffende huur. Het overige betaalde de Eenmanszaak door aan de verhuurders.



3.3.

[partij B] is in 2007 gestart werkzaamheden te verrichten voor de Eenmanszaak.



3.4.
In 2010 heeft [erflaatster] samen met [partij B] de stichting [stichting] (hierna: de Stichting) opgericht waarin zij samen het bestuur vormden. Vanaf 2018, toen de Stichting een eigen bankrekening kon openen, werd de huur van een deel van de beheerwoningen aan de Stichting overgemaakt.



3.5.
In de jaarrekening van de Eenmanszaak over 2014 is een schuld van € 40.000,00 aan [partij B] opgenomen.



3.6.
Op 9 januari 2023 heeft [partij B] aan de executeur van de nalatenschap per brief aangegeven dat hij per direct zijn werkzaamheden in de Eenmanszaak staakt.



3.7.
Op 17 februari 2023 heeft [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) een brief gestuurd aan een huurder waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:


“ [bedrijf 1] was tot vandaag de dag jullie contactpersoon als Beheerder van het door jou / jullie gehuurde.


Zoals jullie wellicht vernomen hebben is dit kantoor al enige tijd gesloten.



Vanaf heden zullen de taken worden overgenomen door [bedrijf 2] .”


Ook is in de brief opgenomen dat de huurder vanaf 1 maart 2023 de huur moet betalen aan [bedrijf 2] .



3.8.

[partij B] heeft [partij A] op 10 januari 2024 per e-mail gesommeerd de geldvordering zoals opgenomen in de jaarrekening binnen acht dagen te voldoen. [partij A] hebben dit niet gedaan.





4Het geschil


In conventie



4.1.

[partij A] vorderen (samengevat):
I. betaling door [partij B] aan [partij A] van schadevergoeding voor het niet geheel overmaken van de beheervergoedingen vanaf mei 2022,
II. betaling door [partij B] aan [partij A] van schadevergoeding voor het onrechtmatig handelen jegens de nalatenschap bij de overname van de beheerportefeuille door [bedrijf 2] ,
III. aflegging van rekening en verantwoording door [partij B] aan [partij A] over het gevoerde beheer over de beheerportefeuille en betaling van het bedrag dat aan de nalatenschap had moeten worden uitbetaald,
en voorwaardelijk, indien [partij B] geen adequate rekening en verantwoording aflegt, betaling van een bedrag gelijk aan het onverklaard gebleven tekort,
te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede veroordeling in de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.



4.2.

[partij B] voert verweer.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.


In reconventie




4.4.

[partij B] vordert (samengevat):
I. betaling door [partij A] aan [partij B] van de geldvordering die is opgenomen in de jaarrekening van de Eenmanszaak over 2014,
II. betaling door [partij A] aan [partij B] van loon of vergoeding voor de werkzaamheden van [partij B] in de Eenmanszaak zowel voor als na het overlijden van [erflaatster] ,
te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, alsmede veroordeling in de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.



4.5.

[partij A] voeren verweer. Ook hebben zij daarbij een beroep op verrekening gedaan. Voor het geval de vordering in reconventie wordt toegewezen, hebben zij de rechtbank verzocht dat bedrag te verrekenen met bedragen die [partij B] vanaf de bankrekening van de Stichting ten behoeve van zichzelf heeft betaald.



4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


In conventie en reconventie



5.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.


Inleiding




5.2.
Voorafgaand aan het overlijden van [erflaatster] verrichtte [partij B] beheerwerkzaamheden voor de Eenmanszaak. Daarnaast was hij bestuurder van de Stichting waar de beheervergoedingen aan werden betaald. De beheerwerkzaamheden voerde hij uit op grond van informele afspraken met zijn dochter [erflaatster] . Na het overlijden van [erflaatster] heeft [partij B] die werkzaamheden aanvankelijk op dezelfde (informele) wijze voortgezet. Op enig moment is de verstandhouding tussen [partij B] enerzijds en de executeur en [partij A] anderzijds verslechterd. Nu zijn partijen in een procedure verwikkeld waarbij over en weer geldvorderingen zijn ingesteld. Dit brengt mee dat de informele manier van samenwerken tussen [partij B] en [erflaatster] alsnog juridisch moet worden geduid. De rechtbank zal hiertoe op basis van de stellingen van partijen overgaan. De rechtbank zal daarbij ook ingaan op de verschillende hoedanigheden van [partij B] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bestuurder en de uitvoering van de beheerwerkzaamheden in persoon.


Ontvankelijkheid




5.3.

[partij A] zijn op grond van een overeenkomst van lastgeving deze procedure in eigen naam gestart namens de executeur. Hoewel erfgenamen gedurende het beheer van de executeur onbevoegd zijn zichzelf als erfgenamen te vertegenwoordigen, weerhoudt dit de executeur er niet van om erfgenamen opdracht te geven voor zijn rekening bepaalde rechtshandelingen te verrichten. Partijen zijn het erover eens dat [partij A] op grond van een lastgevingsovereenkomst procederen namens de gehele nalatenschap en dat [partij B] in reconventie een vordering richting de nalatenschap kan instellen. [partij A] zijn dus ontvankelijk in hun vorderingen in conventie en [partij B] is ontvankelijk in zijn vorderingen in reconventie.


Vordering in conventie in verband met niet betaalde beheervergoedingen




5.4.
In conventie vorderen [partij A] allereerst schadevergoeding omdat [partij B] volgens [partij A] ten onrechte de beheervergoedingen niet heeft doorbetaald vanuit de Stichting aan de nalatenschap. Zij vorderen over de periode van mei 2022 tot en met juni 2023 een bedrag van € 68.697,52. Voor de periode vanaf juli 2023 vorderen zij een nog onbepaald bedrag. [partij B] voert daartegen verweer. Volgens [partij B] komt een deel van de beheervergoedingen toe aan de Stichting. Verder betoogt [partij B] dat hij de beheervergoedingen vanaf de rekening van de Stichting grotendeels heeft doorgestort aan de nalatenschap. Vanaf 1 november 2022 heeft hij dat inderdaad niet meer gedaan. Hij stelt zich op het standpunt dat hij vanaf dat moment recht had op de beheervergoedingen in verband met de door hem verrichtte beheerwerkzaamheden.



5.5.
De rechtbank begrijpt deze vordering van [partij A] als een vordering tot schadevergoeding vanwege bestuurdersaansprakelijkheid, omdat [partij B] uit hoofde van zijn rol als bestuurder toegang had tot de bankrekening van de Stichting. Om een beslissing te kunnen nemen over de vraag of [partij B] als bestuurder aansprakelijk is tegenover [partij A] , moet eerst worden vastgesteld wat de rechtspositie is van de nalatenschap en wat de contractuele verhouding is tussen de Eenmanszaak en de Stichting en later tussen de nalatenschap en de Stichting. Vervolgens zal worden beoordeeld of [partij B] als bestuurder aansprakelijk is.



5.6.
De Eenmanszaak is vanaf het overlijden van [erflaatster] onderdeel geworden van de nalatenschap. De rechten en plichten van de Eenmanszaak van voor het overlijden van [erflaatster] zijn overgegaan op de nalatenschap op grond van artikel 4:182 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). De Stichting is daarentegen geen onderdeel geworden van de nalatenschap, omdat een stichting rechtspersoonlijkheid bezit en hierdoor in principe geen onderdeel uitmaakt van het vermogen van een natuurlijk persoon.


Rechtsverhouding Stichting en Eenmanszaak voor overlijden [erflaatster]




5.7.
Partijen zijn het erover eens dat in de periode voor de oprichting van de Stichting in 2010 de Eenmanszaak eigenaar was van de beheerportefeuille en alle beheervergoedingen aan de Eenmanszaak toekwamen. Partijen zijn het met elkaar oneens over de vraag of dit nog steeds zo was in de periode na oprichting van de Stichting en na het overlijden. Hierbij komt het aan op de bedoeling van partijen, in dit geval de Eenmanszaak (vertegenwoordigd door [erflaatster] ) en de Stichting (vertegenwoordigd door [erflaatster] en [partij B] als zelfstandig bevoegd bestuurders), en wat partijen over en weer tegen elkaar hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.



5.8.

[partij A] hebben aangevoerd dat de Stichting enkel is opgericht met een derdengeldenfunctie. Dit blijkt ook uit de doelomschrijving van de Stichting:


“De stichting heeft ten doel het ontvangen, administreren, beheren en uitbetalen van huren, waarborgsommen en andere gelden welke door [bedrijf 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , worden ontvangen in het kader van het door haar gevoerde beheer over registergoederen.”


Volgens [partij A] is deze functie van de Stichting nooit veranderd, ook niet vanaf het moment dat sommige beheeropdrachten op naam van de Stichting in plaats van op naam van de Eenmanszaak werden aangegaan. De Eenmanszaak was volgens [partij A] namelijk ook beheerder over het onroerend goed waarvan de beheeropdrachten op naam van de Stichting stonden. Dit heeft [partij A] naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd met de beperkte doelomschrijving van de Stichting, haar evidente verbondenheid met de Eenmanszaak als beheerder, zoals ook uit de doelomschrijving volgt, en het feit dat in de praktijk gebruikelijk was dat de beheerwerkzaamheden vanuit de Eenmanszaak werden uitgevoerd. Daar komt bij dat [erflaatster] en [partij B] de feitelijke uitvoering van de Stichting nooit hebben veranderd. De beheervergoedingen werden na ontvangst door de Stichting overgemaakt naar de Eenmanszaak, ongeacht of de beheeropdrachten op naam van de Eenmanszaak of Stichting waren aangegaan. Uit deze feitelijke werkwijze volgt dat het de bedoeling was van [erflaatster] en [partij B] dat de Eenmanszaak en niet de Stichting uiteindelijk gerechtigd was de beheervergoedingen te ontvangen.



5.9.

[partij B] heeft erkend dat de Stichting oorspronkelijk is opgericht met de functie zoals opgenomen in de doelomschrijving. [partij B] heeft vervolgens onvoldoende de stellingen van [partij A] weersproken dat deze functie ongewijzigd is gebleven. Het enkele feit dat in de loop der tijd sommige contracten met de opdrachtgevers op naam van de Stichting stonden, is niet genoeg om te oordelen dat de Stichting in de onderlinge verhouding met de Eenmanszaak rechthebbende werd van de beheervergoedingen. [partij A] hebben namelijk onbetwist gesteld dat de Stichting in de praktijk ook van die contracten de beheervergoedingen doorbetaalde aan de Eenmanszaak. Mede vanwege deze feitelijke werkwijze is de rechtbank van oordeel dat in de periode voor het overlijden van [erflaatster] de Eenmanszaak in de onderlinge verhouding met de Stichting gerechtigd was tot de beheerportefeuille en beheervergoedingen.


Rechtsverhouding Stichting en Eenmanszaak na overlijden [erflaatster]




5.10.
Nu vaststaat dat de Eenmanszaak voor het overlijden van [erflaatster] in de verhouding tot de Stichting gerechtigd was tot de beheerportefeuille en beheervergoedingen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de Eenmanszaak, en daarmee de nalatenschap, ook na het overlijden van [erflaatster] gerechtigd was tot de beheervergoedingen en de beheerportefeuille.



5.11.
In dit kader is relevant dat erfgenamen de erflater opvolgen als rechtsverkrijgers onder algemene titel als partij bij de overeenkomst, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit (artikel 6:249 BW). De overeenkomst tussen de Eenmanszaak en de Stichting duurt in beginsel ook voort na het overlijden van [erflaatster] . Niet gesteld of gebleken is dat de rechtsverhouding tussen de Eenmanszaak en de Stichting is veranderd door het overlijden van [erflaatster] of dat hierover andere afspraken zijn gemaakt. Dat wordt ook bevestigd door het feit dat [partij B] in de eerste periode na het overlijden van [erflaatster] zijn beheerwerkzaamheden op eenzelfde wijze heeft voortgezet en vanuit de Stichting de beheervergoedingen – volgens zijn eigen stellingen – tot 1 november 2022 heeft doorbetaald aan de nalatenschap.



5.12.
Nadat de verhoudingen tussen partijen waren verslechterd, heeft [partij B] zich op 17 december 2022 echter op het standpunt gesteld dat de beheeropdrachten aan de Eenmanszaak door het overlijden van [erflaatster] zijn geëindigd op grond van artikel 7:409 lid 1 BW en dat de Eenmanszaak daarom geen recht meer had op de vergoedingen. Vanaf dat moment heeft hij de beheerwerkzaamheden op eigen naam en voor eigen rekening verricht, aldus [partij B] . [partij B] voert in dit kader aan dat de beheeropdrachten met het oog op [erflaatster] zijn verleend. Het einde van de beheeropdrachten heeft tot gevolg dat de in de nalatenschap opgegane Eenmanszaak na overlijden van [erflaatster] geen beheerportefeuille meer had en hierdoor ook geen recht meer heeft op de beheervergoedingen. Volgens [partij A] zijn de beheeropdrachten niet met het oog op [erflaatster] verleend in de zin van artikel 7:409 lid 1 BW en mocht [partij B] er dus niet gerechtvaardigd van uitgaan dat de opdrachten aan de Eenmanszaak door het overlijden van [erflaatster] waren geëindigd.



5.13.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. Uit artikel 7:409 lid 1 BW volgt a contrario dat een overeenkomst van opdracht in beginsel niet eindigt door overlijden van de opdrachtnemer, tenzij er expliciete aanwijzingen zijn waaruit volgt dat er sprake is van een persoonlijke opdracht. De rechten en verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht vererven dus als de overeenkomst van opdracht niet eindigt door het overlijden. [partij B] verweert zich met een beroep op artikel 7:409 lid 1 BW en het is dus aan hem de feiten te stellen die zijn conclusie rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat de beheeropdrachten door de opdrachtgevers persoonlijk aan [erflaatster] zijn verleend. Dit strookt namelijk niet met zijn stelling dat hij zelf – en dus niet [erflaatster] – vanaf oktober 2008 de beheerwerkzaamheden grotendeels uitvoerde. [partij B] heeft in dit kader toegelicht dat de werkzaamheden over het algemeen zelfs stillagen als hij op vakantie was, ongeacht de aanwezigheid van [erflaatster] . [partij A] betogen dat medewerker [naam 2] de beheerwerkzaamheden uitvoerde. Zij betwisten daarmee weliswaar dat de werkzaamheden (uitsluitend) door [partij B] werden uitgevoerd, maar partijen zijn het er in dit kader wel over eens dat de beheerwerkzaamheden niet alleen of voornamelijk door [erflaatster] werden uitgevoerd. [erflaatster] trad ook naar buiten toe niet zelfstandig op. Volgens [partij B] voerde hij samen met [erflaatster] het relatiebeheer uit en had hij zelfstandig contact met de opdrachtgevers. Uit de beheeropdrachten blijkt bovendien dat de opdrachten aan de Eenmanszaak en niet aan [erflaatster] persoonlijk zijn verleend. Dat in de beheeropdrachten niet is opgenomen dat de opdracht blijft bestaan na overlijden van [erflaatster] is geen expliciete aanwijzing dat de opdracht persoonlijk aan [erflaatster] is verleend. Juist het feit dat in de beheeropdrachten helemaal geen bepaling is opgenomen over het overlijden van [erflaatster] is een aanwijzing dat de opdracht niet uitsluitend met het oog op [erflaatster] is verleend. Ook is het algemene feit dat de beheeropdrachten zijn verleend aan een eenmanszaak, een onderneming met één oprichter en eigenaar, gelet op het voorgaande onvoldoende voor een ander oordeel.



5.14.
Er zijn geen andere stellingen aangevoerd op grond waarvan de rechtsverhouding tussen de Stichting en de Eenmanszaak na het overlijden van [erflaatster] zou zijn gewijzigd. De Eenmanszaak, die na het overlijden van [erflaatster] onderdeel is geworden van de nalatenschap, is dus ook na het overlijden van [erflaatster] gerechtigd tot de beheerportefeuille en beheervergoedingen die de Stichting ontving. Hierdoor is de rechtbank van oordeel dat voor zover de beheeropdrachten aan de Eenmanszaak doorliepen na het overlijden van [erflaatster] en de Stichting betalingen op grond van deze beheeropdrachten ten behoeve van de Eenmanszaak ontving, de Stichting die beheervergoedingen had moeten doorbetalen aan de nalatenschap.



[partij B] heeft als bestuurder onrechtmatig gehandeld door niet alle beheervergoedingen aan de nalatenschap over te maken




5.15.
Zoals de rechtbank onder 5.5. heeft overwogen begrijpt de rechtbank de vordering vanwege de ten onrechte niet doorbetaalde beheervergoeding als een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [partij B] heeft vanaf de oprichting van de Stichting de functie van bestuurder bekleed. Voorafgaand aan het overlijden van [erflaatster] was [partij B] samen met [erflaatster] bestuurder. Na het overlijden van [erflaatster] was [partij B] alleen bestuurder. De Stichting voerde het beheer uit over de beheervergoedingen ten behoeve van de Eenmanszaak en later de nalatenschap. [partij B] was na het overlijden van [erflaatster] als enig bestuurder van de Stichting verantwoordelijk voor het overmaken van de beheervergoedingen aan de nalatenschap. Dit blijkt ook uit zijn handelen, omdat [partij B] naar eigen zeggen alle beheervergoedingen tot en met oktober 2022 aan de nalatenschap heeft doorbetaald.



5.16.
De rechtbank is van oordeel dat [partij B] als bestuurder van de Stichting onrechtmatig jegens de nalatenschap heeft gehandeld door niet alle beheervergoedingen aan de nalatenschap over te maken. Hoewel tussen partijen in geschil is wat de omvang is van de niet doorbetaalde beheervergoedingen, staat tussen partijen wel vast dat de Stichting in ieder geval vanaf 1 november 2022 de beheervergoedingen niet meer heeft overgeboekt. [partij B] heeft immers erkend dat de Stichting vanaf dat moment de beheervergoedingen aan hem heeft uitbetaald als loon voor zijn beheerwerkzaamheden. [partij A] hebben daarmee voldoende gesteld en onderbouwd dat [partij B] als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de Stichting haar wettelijke of contractuele verplichtingen richting de nalatenschap als opvolgster van de Eenmanszaak niet kon nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan ontstane schade. [partij B] kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Het stond [partij B] als bestuurder van de Stichting immers niet vrij om te beslissen de beheervergoedingen, al dan niet gedeeltelijk, aan zichzelf uit te betalen in plaats van aan de nalatenschap als rechthebbende. Door dit wel te doen kon de Stichting geen verhaal bieden aan de vordering die de nalatenschap op de Stichting kreeg vanwege het uitblijven van betaling van de beheervergoedingen. [partij B] behoorde redelijkerwijs te begrijpen dat hij door zijn handelen de nalatenschap benadeelde.


Schade vanwege niet doorbetaalde beheervergoedingen




5.17.
Het is vervolgens in beginsel aan [partij A] om te stellen en onderbouwen dat de nalatenschap door de onrechtmatige gedraging van [partij B] als bestuurder schade van een bepaalde omvang heeft geleden. Om de schade te kunnen vaststellen, moet worden beoordeeld wat het verschil is tussen de hoogte van de beheervergoedingen die de Stichting heeft ontvangen en heeft doorbetaald aan de Eenmanszaak in de periode tussen het overlijden van [erflaatster] ( [overlijdensdatum] 2022) en het einde van de beheerovereenkomsten met de Eenmanszaak/de Stichting vanwege de overstap van de opdrachtgevers naar [bedrijf 2] (februari 2023).



5.18.
Dit debat over de schadeomvang is nog niet ten volle tussen partijen gevoerd. [partij A] hebben de schade toegelicht door de gemiddeld ontvangen beheervergoedingen per maand in de periode 2019 tot en met het overlijden van [erflaatster] , een bedrag van € 7.500,00 per maand, te vergelijken met de lagere ontvangen beheervergoedingen vanaf het overlijden van [erflaatster] . Dit is een schatting op basis van de bij [partij A] beschikbare informatie. [partij B] heeft de omvang van de schade weersproken. Hij heeft betoogd dat de beheervergoedingen na het overlijden van [erflaatster] niet gelijk waren aan de vergoedingen voor het overlijden van [erflaatster] . Zo zijn de beheervergoedingen volgens hem onder andere lager vanwege het einde van de beheerovereenkomst met Flevotoren N50 BV. Daarnaast zijn partijen het niet eens over het antwoord op de vraag vanaf wanneer de nalatenschap schade heeft geleden. Volgens [partij A] heeft [partij B] vanaf het overlijden van [erflaatster] te weinig aan de nalatenschap overgemaakt. [partij B] stelt echter dat hij tot en met oktober 2022 de volledige beheervergoedingen aan de nalatenschap heeft overgemaakt en dat hij pas vanaf november 2022 de gelden aan zichzelf heeft uitbetaald.



5.19.

[partij A] hebben uitgelegd dat zij geen concretere toelichting kunnen geven op de omvang van de schade, omdat zij alleen de bankafschriften van de Eenmanszaak en de Stichting hebben en geen zicht hebben op de vraag welk deel van de ontvangen vergoeding de Stichting had moeten doorbetalen. Die gegevens bevinden zich volgens [partij A] in het domein van [partij B] als voormalig bestuurder van de Stichting. [partij B] heeft weliswaar betoogd dat [partij A] via de computer in het kantoor van [erflaatster] de beschikking hebben over alle administratie met betrekking tot de beheerovereenkomsten, maar dat kan niet worden vastgesteld. Verwacht kan worden dat [partij B] als voormalig bestuurder van de Stichting daar meer inzage in heeft. [partij B] heeft in de processtukken wel een berekening gemaakt van de volgens hem geldende beheervergoedingen, maar hij heeft daarvan geen nadere onderbouwing gegeven door bijvoorbeeld de onderliggende stukken te verstrekken of de namen van de opdrachtgevers en de omvang en looptijd van de beheervergoedingen onderbouwd toe te lichten. Dit had wel op zijn weg gelegen. Nu die gegevens in zijn domein liggen, rust ten aanzien hiervan op [partij B] een verzwaarde stelplicht. [partij B] moet in reactie op de door [partij A] geschatte schade onderbouwd inzichtelijk maken wat de omvang was van de door de Stichting ontvangen beheervergoedingen in de periode vanaf het overlijden van [erflaatster] tot aan het einde van de beheerovereenkomsten met de Eenmanszaak/de Stichting vanwege de overstap naar [bedrijf 2] en welk gedeelte daarvan is doorbetaald aan de nalatenschap. Als [partij B] deze informatie niet verstrekt, zal de rechtbank de schade schattenderwijs vaststellen op basis van de door partijen ingenomen stellingen.



5.20.

[partij B] krijgt de gelegenheid om het voorgaande toe te lichten in een akte, waarna [partij A] bij akte de schade nader kunnen concretiseren. Vervolgens kan [partij B] zo nodig bij antwoordakte reageren op de door [partij A] gestelde schadeomvang. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de schadeomvang aanhouden in afwachting van deze aktewisseling.


Vordering in reconventie in verband met vergoeding werkzaamheden [partij B]




5.21.
In reconventie vordert [partij B] vergoeding vanwege de door hem voor de Eenmanszaak en later de nalatenschap verrichtte werkzaamheden in de periode van 2015 tot 9 januari 2023 en voldoening van een geldvordering van € 40.000,00 over de periode voor 2015. De rechtbank zal deze laatstgenoemde geldvordering apart beoordelen. Ten aanzien van de vergoeding over de verrichtte werkzaamheden betoogt [partij B] dat sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht dan wel een arbeidsovereenkomst tussen hem en de Eenmanszaak (en later de nalatenschap). De rechtbank zal eerst ingaan op de periode van 2015 tot aan het overlijden van [erflaatster] en daarna op de periode vanaf het overlijden van [erflaatster] tot 9 januari 2023.


Werkzaamheden van [partij B] in de periode voor overlijden




5.22.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de nalatenschap geen bedrag hoeft te betalen aan [partij B] voor zijn werkzaamheden voor de Eenmanszaak in de periode van 2015 tot aan het overlijden van [erflaatster] . De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.



5.23.
De eis van [partij B] in reconventie is gebaseerd op zijn verbondenheid aan de Eenmanszaak. Volgens [partij B] voerde hij de beheerwerkzaamheden uit waarvoor de Eenmanszaak van verhuurders opdracht had gekregen. De beheerwerkzaamheden bestonden onder andere uit het doen van bezichtigingen, opleveringen en het inschakelen van bedrijven voor onderhoud. [partij B] heeft primair aangevoerd dat de rechtsverhouding tussen hem en de Eenmanszaak is gebaseerd op een overeenkomst van opdracht. De rechtbank begrijpt het standpunt van [partij A] zo dat zij betogen dat sprake is geweest van een vriendendienst.



5.24.
Gelet op de stellingen van partijen moet de overeenkomst tussen [partij B] en de Eenmanszaak eerder worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht dan als een vriendendienst. Partijen zijn het er namelijk over eens dat [partij B] op enig moment de beheerwerkzaamheden op regelmatige basis voor de Eenmanszaak heeft verricht. Daarnaast hebben [partij A] hun verweer dat de beheerwerkzaamheden door [naam 2] zijn overgenomen onvoldoende onderbouwd. Zo hebben zij niet onderbouwd dat [partij B] op enig moment helemaal geen beheerwerkzaamheden meer uitvoerde. Dat [partij B] deze werkzaamheden mogelijk (op momenten) samen met een medewerker van de Eenmanszaak heeft verricht doet immers niet af aan de door hem zelf uitgevoerde werkzaamheden. [partij B] heeft bovendien gemotiveerd toegelicht dat de werkzaamheden niet vrijblijvend door hem zijn verricht. [erflaatster] was met de Eenmanszaak commercieel verantwoordelijk voor de beheerwerkzaamheden richting haar contractspartijen. Zij heeft die werkzaamheden feitelijk door [partij B] laten uitvoeren waarmee aangenomen kan worden dat zij deze werkzaamheden in opdracht aan hem heeft verstrekt. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat tussen [partij B] en de Eenmanszaak sprake was van een overeenkomst van opdracht op grond waarvan [partij B] beheerwerkzaamheden uitvoerde voor de Eenmanszaak.



5.25.
De rechtbank volgt [partij B] echter niet in zijn betoog dat hij recht heeft op een redelijk loon voor de werkzaamheden die hij in de periode tot aan het overlijden van [erflaatster] heeft verricht. Uit zijn toelichting blijkt namelijk dat hij en [erflaatster] – behoudens het bedrag van € 40.000,00 dat hierna zal worden beoordeeld – hebben afgezien van loon. Uit de stellingen van [partij B] blijkt juist dat hij [erflaatster] als zijn dochter wilde helpen zonder dat daar een financiële vergoeding tegenover stond. [partij B] heeft hierover verklaard dat hij vanaf het moment dat hij is gestart met het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden voor de Eenmanszaak geen vergoeding hoefde te krijgen voor zijn werkzaamheden, omdat [erflaatster] daar aanvankelijk geen financiële ruimte voor had. Hieruit leidt de rechtbank af dat de overeenkomst van opdracht gelet op hun persoonlijke relatie ‘om niet’ is aangegaan. Deze afspraak om de werkzaamheden zonder financiële tegenprestatie te verrichten, betekent dat [partij B] niet achteraf alsnog recht heeft op een redelijk loon van de nalatenschap. Het geschil tussen partijen hoeveel uren [partij B] heeft besteed aan de uitvoering van deze werkzaamheden kan gelet daarop onbesproken blijven.



5.26.

[partij B] heeft subsidiair aangevoerd dat de rechtsverhouding tussen hem en de Eenmanszaak is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst. Op grond van de stellingen van [partij B] kan ook niet worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst met de Eenmanszaak tot stand is gekomen. [partij B] heeft (bewust) geen loon bedongen, zoals wel is vereist op grond van artikel 7:610 lid 1 BW. Gelet op het voorgaande hebben [erflaatster] en [partij B] – behoudens het bedrag van € 40.000,00 waarover hierna zal worden geoordeeld – juist bewust afgezien van een vergoeding in geld. Voor zover [partij B] heeft gesteld dat zijn vordering tot betaling van € 40.000,00, zoals opgenomen in de jaarrekening van de Eenmanszaak over 2014, als vastgesteld loon moet worden beschouwd gaat de rechtbank hieraan voorbij. [partij B] en [erflaatster] hebben – uitgaande van de stellingen van [partij B] – afgesproken dat [partij B] deze geldvordering pas kon opeisen op het moment dat de onderneming een paar goede jaren had gedraaid en het geld beschikbaar was om aan [partij B] te betalen. Hierdoor was onzeker of [partij B] deze vordering ooit voldaan zou krijgen. Van loon in de zin van artikel 7:617 BW kan dus niet worden gesproken. Ook van niet vastgesteld loon in de zin van artikel 7:618 BW is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat, gezien het voorgaande, niet vaststaat dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten waarin de hoogte van het loon niet is bepaald.



5.27.
De rechtbank is van oordeel dat [partij A] geen loon of vergoeding aan [partij B] verschuldigd zijn voor zijn werkzaamheden in de Eenmanszaak in de periode van 2015 tot aan het overlijden van [erflaatster] .



5.28.
Wat betreft de periode voorafgaand aan het overlijden van [erflaatster] heeft [partij B] nog een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking. Dit slaagt niet. [partij B] heeft namelijk de werkzaamheden gegrond verricht op basis van een overeenkomst van opdracht om niet. Hierdoor kan de nalatenschap niet ongerechtvaardigd zijn verrijkt.


Werkzaamheden van [partij B] in de periode na overlijden




5.29.
Uit het voorgaande volgt dat de afspraak tussen [partij B] en de Eenmanszaak om de werkzaamheden zonder financiële tegenprestatie te verrichten, was gebaseerd op de familieband tussen [partij B] en [erflaatster] als vader en dochter. Gelet op de toelichting van [partij B] dat hij de werkzaamheden zonder tegenprestatie verrichtte vanwege zijn band met zijn dochter en de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van een vriendendienst, kan worden aangenomen dat deze afspraak een persoonlijk karakter had. Niet kan worden aangenomen dat deze persoonlijke afspraak na het overlijden van [erflaatster] is overgegaan op de erfgenamen (vgl. artikel 7:410 BW en 6:249 BW). Dat betekent dat [partij A] er niet zonder meer van uit konden gaan dat de afspraak tussen [partij B] en [erflaatster] ook zou gelden voor de door [partij B] voortgezette werkzaamheden na het overlijden van [erflaatster] .



5.30.

[partij B] vordert vergoeding van deze werkzaamheden. Hij heeft in dit kader gemotiveerd gesteld dat hij zijn beheerwerkzaamheden feitelijk aanvankelijk op eenzelfde wijze heeft voortgezet. Dit wordt bevestigd door het feit dat hij in de eerste periode na het overlijden van [erflaatster] ook de beheervergoedingen vanuit de Stichting heeft doorbetaald aan de nalatenschap. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat partijen in hun onderlinge verhouding geen beroep meer kunnen doen op de persoonlijke rechtsverhouding die gold tussen de Eenmanszaak en [partij B] , rijst de vraag hoe de rechtsverhouding tussen de nalatenschap en [partij B] moet worden gekwalificeerd. Dat is van belang voor de vraag in hoeverre [partij B] recht heeft op een vergoeding over deze periode. Partijen mogen zich daar vanwege de overweging in r.o. 5.29 (nader) over uitlaten. Partijen moeten daarbij ook ingaan op de vraag of en voor welke periode die rechtsverhouding een grondslag biedt voor een vergoeding en zo ja, wat daarvan in het bevestigende geval de omvang is mede gelet op de tijdsbesteding. Het is in eerste instantie aan [partij B] zijn stellingen op dat punt nader toe te lichten en feitelijk te onderbouwen. Vervolgens mogen [partij A] daar bij antwoordakte op reageren.


Vordering in reconventie in verband met geldvordering [partij B]




5.31.

[partij B] vordert ook betaling van een bedrag van € 40.000,00 voor vergoeding van zijn werkzaamheden in de periode tot en met 2014. Dit bedrag is in de jaarrekening van de Eenmanszaak over 2014 opgenomen. [partij B] heeft onbetwist gesteld dat dit bedrag vervolgens ieder boekjaar tot 2021 als schuld aan [partij B] is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat [partij A] dit bedrag aan [partij B] moeten voldoen. [partij B] heeft gemotiveerd toegelicht dat [erflaatster] dit bedrag aan hem schuldig heeft erkend voor zijn werkzaamheden in de Eenmanszaak en dat zij dit bedrag zou betalen als er voldoende financiële middelen zouden zijn. [partij A] hebben deze stelling vervolgens onvoldoende gemotiveerd betwist. [partij A] hebben aangevoerd dat opname van de schuldbekentenis in de jaarrekening enkel een fiscale reden had, maar [partij A] hebben dit niet verder onderbouwd door bijvoorbeeld correspondentie tussen de accountant en [erflaatster] te overleggen waaruit de reden voor opname van deze schuld in de jaarrekening blijkt. Dat [partij B] geen werkzaamheden verrichtte voor de Eenmanszaak of dat [partij B] niet nodig zou zijn geweest om de beheerwerkzaamheden uit te voeren is de rechtbank, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, ook niet gebleken. Ook de stelling dat [erflaatster] als vergoeding voor de belangeloos verrichte werkzaamheden een legaat ter zake de auto heeft toegekend aan [partij B] is niet genoeg om te oordelen dat [partij B] dus geen recht heeft op de schuldig erkende € 40.000,00.



5.32.

[partij A] hebben vervolgens een beroep gedaan op verjaring op grond van artikel 3:308 BW en aangevoerd dat de vordering in 2014 opeisbaar is geworden en de verjaringstermijn van vijf jaren is verlopen. [partij B] heeft hiertegen aangevoerd dat de verjaring door opname van de vordering in de jaarrekeningen van de Eenmanszaak tot en met 2021 is gestuit op grond van artikel 3:318 BW. De rechtbank gaat hierin mee. Aangenomen kan worden dat [erflaatster] de in de jaarrekening opgenomen schuld heeft erkend, omdat de jaarrekening actief moet worden goedgekeurd door haar als ondernemer. [partij B] heeft vervolgens zijn reconventionele vordering tijdig ingediend aangezien de schuld laatstelijk in de jaarrekening over 2021 stond. Aangenomen kan worden dat op 1 januari 2022 (het vroegste moment waarop de jaarrekening kan zijn goedgekeurd) een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen van vijf jaar. Ook als zou worden uitgegaan van een stuiting per 2021, dan heeft [partij B] deze vordering op 2 juli 2025 tijdig ingediend, omdat dit binnen de nieuwe vijfjaarstermijn was. De geldvordering van [partij B] is dus niet verjaard.



5.33.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke handelsrente afwijzen, omdat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. In plaats daarvan zal de rechtbank de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 19 januari 2024, omdat [partij A] vanaf die datum in verzuim zijn met betaling van deze geldvordering.



Vordering in conventie in verband met onrechtmatig handelen bij de rol in overname van beheerportefeuille




5.34.
Vervolgens vorderen [partij A] in conventie schadevergoeding, omdat [partij B] volgens [partij A] in persoon dan wel als bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld door zijn rol in de overname van de beheerportefeuille. [partij A] hebben aangevoerd dat [partij B] zich onrechtmatig jegens [partij A] heeft gedragen door te doen alsof hij eigenaar was van de beheerportefeuille. Hierdoor heeft [partij B] volgens [partij A] de verkoop van de beheerportefeuille van de nalatenschap aan een koper gefrustreerd, omdat [partij B] de hiervoor benodigde informatie niet heeft overhandigd, en heeft [partij B] actief bijgedragen aan de overstap van de opdrachtgevers van de beheeropdrachten naar [bedrijf 2] . [partij A] hebben dit onderbouwd met de brief van 17 februari 2023 van [bedrijf 2] aan een huurder. Uit het woord “overgenomen” blijkt volgens [partij A] dat [bedrijf 2] de beheerportefeuille heeft overgenomen. [partij A] hebben aangevoerd dat [partij B] voor deze overname heeft gezorgd. [partij B] heeft na het overlijden van [erflaatster] bij de executeur aangegeven dat hij zich wilde beraden over de vraag of de erfgenamen wel bevoegd waren om de beheerportefeuille te verkopen. Op 17 december 2022 heeft [partij B] zich op het standpunt gesteld dat de beheerportefeuille vanaf het overlijden van [erflaatster] geen onderdeel was van de nalatenschap, omdat de beheeropdrachten door het overlijden van [erflaatster] zouden zijn geëindigd. Volgens [partij A] heeft [partij B] zich op dat moment de beheerportefeuille toegeëigend. Vervolgens heeft [bedrijf 2] de beheerportefeuille per 1 februari 2023 overgenomen en is [partij B] in dienst getreden bij [bedrijf 2] .



5.35.

[partij B] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling het volgende verklaard. In de periode na het overlijden van [erflaatster] hebben de opdrachtgevers regelmatig contact met hem opgenomen over hoe het verder zou gaan met de Eenmanszaak en de beheerwerkzaamheden. [partij B] heeft naar eigen zeggen bij de opdrachtgevers aangegeven dat hij niet wist hoe het verder zou gaan, maar dat ze bezig waren met de verkoop van de beheerportefeuille. Volgens [partij B] werden de opdrachtgevers onrustig van dit bericht, omdat de opdrachtgevers zelf wilden kiezen wie hun beheerwerkzaamheden zou uitvoeren. [partij B] heeft de opdrachtgevers vervolgens verteld dat een van de medewerkers van de Eenmanszaak was overgestapt naar [bedrijf 2] . [partij B] is ook zelf benaderd door [bedrijf 2] en hij heeft bij [bedrijf 2] aangegeven dat hij begin 2023 zou stoppen met zijn werkzaamheden voor de Eenmanszaak. [bedrijf 2] heeft vervolgens aan [partij B] gevraagd of hij aan de opdrachtgevers wilde vragen of ze niet naar [bedrijf 2] toe wilden gaan als hij nog eens contact met hun had. Als [partij B] hierna werd gebeld door opdrachtgevers vertelde hij hen dat hij wel een bedrijf voor hen wist. Ook belde [partij B] zelf naar opdrachtgevers om dit te vertellen. [partij B] heeft benadrukt dat de opdrachtgevers uiteindelijk zelf de keuze hebben gemaakt om naar [bedrijf 2] over te stappen en dat hij de beheerportefeuille niet heeft verkocht.



5.36.
De rechtbank begrijpt deze vordering van [partij A] primair als een vordering op grond van het handelen van [partij B] in persoon. [partij A] hebben in dit kader ten eerste gesteld dat [partij B] de beheerportefeuille (mogelijk) heeft verkocht of overgedragen aan [bedrijf 2] . Op basis van de stellingen van [partij A] kan echter niet worden vastgesteld dat [partij B] de beheerportefeuille eigenmachtig heeft overgedragen of verkocht aan [bedrijf 2] . De brief van [bedrijf 2] aan een van de huurders waarin [bedrijf 2] schrijft dat zij de taken hebben overgenomen, is niet genoeg om vast te stellen dat [partij B] de beheerportefeuille als geheel heeft overgedragen of verkocht aan [bedrijf 2] . Bovendien heeft [partij B] deze stelling gemotiveerd betwist.



5.37.
Vervolgens hebben [partij A] tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [partij B] ten onrechte informatie heeft achtergehouden over de beheerportefeuille, waardoor het voor [partij A] niet mogelijk was de beheerportefeuille namens de nalatenschap te verkopen. Dit terwijl [partij B] gelijktijdig wel informatie heeft verstrekt aan [bedrijf 2] en de opdrachtgevers, als gevolg waarvan [partij A] feitelijk helemaal niet meer de beheerportefeuille konden verkopen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank wel komen vast te staan. Uit het voorgaande volgt immers dat de nalatenschap als rechtsopvolgster van de Eenmanszaak rechthebbende was van de beheerportefeuille. Dat brengt mee dat [partij B] bij de feitelijke uitvoering van die beheerwerkzaamheden ten onrechte informatie over de beheerportefeuille heeft achtergehouden toen [partij A] daar om vroegen ten behoeve van een mogelijke overdracht aan [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). De stelling van [partij B] dat de executeur over de computer met administratie beschikte, is niet genoeg voor een ander oordeel. Bovendien verkeerde [partij B] , gelet op zijn correspondentie eind 2022 en gelet op het voorgaande zonder wettelijke grond, in de veronderstelling dat de nalatenschap geen rechthebbende meer was van de beheerportefeuille. Tegen die achtergrond heeft [partij B] ten onrechte [bedrijf 2] en niet [partij A] van informatie over de opdrachtgevers en contracten voorzien. [partij B] heeft zich vervolgens naar buiten toe als rechthebbende van de beheerportefeuille gedragen door informatie over de beheerportefeuille bij zichzelf te houden, door in te gaan op de suggestie van [bedrijf 2] om de opdrachtgevers naar [bedrijf 2] als nieuwe opdrachtnemer te verwijzen en door de opdrachtgevers hierover actief te informeren. Hierdoor heeft [partij B] gehandeld in strijd met hetgeen redelijkerwijs van hem bij de uitvoering van de ten behoeve van de nalatenschap verrichte beheerwerkzaamheden mocht worden verwacht. Daarmee heeft hij onrechtmatig gehandeld.



5.38.
Het is vervolgens gelet op het partijdebat nog onzeker in hoeverre [partij A] hierdoor schade hebben geleden. [partij A] hebben gesteld dat zij niet verder konden onderhandelen met [bedrijf 3] , omdat zij geen informatie over de beheerportefeuille hadden en dat [bedrijf 3] vervolgens definitief afhaakte toen [bedrijf 2] eenmaal de opdrachtgevers bediende. [partij B] betoogt echter dat ook als hij wel de informatie had gegeven, de opdrachtgevers hadden kunnen overstappen naar een andere ondernemer. [partij B] heeft in dit kader toegelicht dat de opdrachtgevers de voorkeur gaven aan [partij B] als uitvoerend beheerder, omdat hij de werkzaamheden al jaren feitelijk uitvoerde. De beheerovereenkomsten zijn weliswaar niet van rechtswege geëindigd vanwege het overlijden van [erflaatster] , maar de opdrachtgevers waren vrij in hun keuze voor een nieuwe beheerder. Ten slotte gaan [partij A] er voor wat betreft de omvang van de schade van uit dat zij anderhalf keer de jaaromzet zijn misgelopen als gevolg van het handelen van [partij B] . Zij begroten hun schade op € 120.000,00. Ook de omvang van de schade is onzeker, omdat het de opdrachtgevers vrij stond om over te stappen naar een ander voor de uitvoering van de beheerwerkzaamheden en [partij A] onvoldoende concreet hebben onderbouwd of [bedrijf 3] of een andere overnemende partij bereid zou zijn geweest dit gestelde bedrag te betalen. Mede omdat het debat over de gevolgen van het achterhouden van informatie ten behoeve van de verkoop aan [bedrijf 3] en het verstrekken van informatie ten behoeve van [bedrijf 2] pas tijdens de mondelinge behandeling concreter is gevoerd, krijgen [partij A] de gelegenheid bij akte toe te lichten of en hoeveel schade de nalatenschap volgens [partij A] heeft geleden als gevolg hiervan. Vervolgens kan [partij B] hier bij antwoordakte op reageren.



Vordering in conventie in verband met rekening en verantwoording [partij B]




5.39.

[partij A] vorderen dat [partij B] rekening en verantwoording moet afleggen over zijn beheerwerkzaamheden. De rechtbank volgt [partij A] hierin. Een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording ontstaat op het moment dat tussen partijen een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de een jegens de ander verplicht is om zich over de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een dergelijke rechtsverhouding kan ontstaan op grond van de wet (zoals bijvoorbeeld bij zaakwaarneming), of een rechtshandeling (bijvoorbeeld als partijen zo’n verplichting zijn overeengekomen), maar ook op grond van ongeschreven recht. Omstandigheden die in dat verband een rol kunnen spelen zijn (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen.



5.40.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft [partij B] in persoon de beheerwerkzaamheden voortgezet in de periode na het overlijden van [erflaatster] tot aan 9 januari 2023. Verder heeft hij als bestuurder van de Stichting de gelden beheerd van de beheerportefeuille. Door die werkzaamheden te verrichten, terwijl de beheerportefeuille toebehoorde aan de nalatenschap, heeft [partij B] de verplichting het door hem gevoerde beleid te verantwoorden door het afleggen van rekening en verantwoording. Deze verplichting is ontstaan op grond van ongeschreven recht. Voor het overlijden van [erflaatster] voerde [partij B] al het beheer uit over de beheervergoedingen voor de Eenmanszaak en hij is dit na overlijden van [erflaatster] op dezelfde manier blijven doen. [partij B] had de kennis om dit beheer uit te voeren en door zijn positie als bestuurder van de Stichting had hij toegang tot de bankrekening van de Stichting en kon hij de beheervergoedingen overmaken naar de Eenmanszaak. Dit terwijl deze werkzaamheden voor [partij A] niet inzichtelijk zijn, zolang [partij B] daarover geen rekening en verantwoording aflegt. Zij hebben daar wel recht op, omdat de beheerportefeuille tot het vermogen van de nalatenschap behoort. Daar komt bij dat de uitoefening van het beheer en de financiële afwikkeling daarvan verwantschap vertonen met de rechtsfiguren zaakwaarneming en overeenkomst van opdracht, waarvoor op grond van de wet een vorm van rekening en verantwoording is voorgeschreven. Deze omstandigheden leiden tot het oordeel dat op [partij B] op basis van ongeschreven recht de verplichting rust tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de nalatenschap.



5.41.
De stelling van [partij B] dat hij al rekening en verantwoording heeft afgelegd, omdat de executeur inzage had in de administratie op de computer en hij de bankafschriften heeft verstrekt, volgt de rechtbank niet. Het afleggen van rekening en verantwoording omvat meer dan het enkele verwijzen naar de administratie. [partij B] moet toelichten welke werkzaamheden hij heeft verricht in die periode en inzichtelijk maken welke bedragen hij voor de nalatenschap heeft uitgegeven of ontvangen, voorzien van een toelichting en onderbouwd met alle mogelijke relevante bewijsstukken. Vervolgens mogen [partij A] daar bij antwoordakte op reageren.



5.42.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing


De rechtbank


in conventie en reconventie




6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 maart 2026 voor het nemen van een akte door [partij B] over wat is vermeld onder rechtsoverwegingen 5.19. - 5.20., 5.30. en 5.41. Vervolgens krijgen [partij A] de gelegenheid voor een antwoordakte op een termijn van vier weken daarna;



6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 maart 2026 voor het nemen van een akte door [partij A] over wat is vermeld onder rechtsoverweging 5.38. Vervolgens krijgt [partij B] de gelegenheid voor een antwoordakte op een termijn van vier weken daarna;



6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken door mr. A.H. Margadant op 18 februari 2026. (hg)




ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 ([naam 4]/[naam 5]).


ECLI:NL:HR:2021:1848.
Link naar deze uitspraak