|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2025:15001 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 26-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/1313 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | AOW. Tussenuitspraak, motiveringsgebrek. | | Trefwoorden | : | aow | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1313
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Vlaardingen, eiser
(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).
Procesverloop
1.1.
De SVB heeft eisers AOW-pensioen met het besluit van 29 maart 2024 herzien en een terugvordering en boete aangekondigd. Met het bestreden besluit van 27 december 2024 op het bezwaar van eiser heeft de SVB het primaire besluit gehandhaafd.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser ontvangt sinds 21 december 2015 een AOW-pensioen. Op 12 oktober 2023 heeft eiser bij de SVB aangegeven dat hij vanaf 14 september 2023 is gaan samenwonen met zijn partner. Met het besluit van 17 oktober 2023 heeft de SVB daarop eisers AOW-pensioen herzien van een alleenstaandenpensioen naar een gehuwdenpensioen. Nadat is gebleken dat eiser al sinds 7 maart 2017 getrouwd is met deze partner, heeft de SVB met het primaire besluit eisers AOW-pensioen ook herzien naar een gehuwdenpensioen voor de periode vanaf maart 2019 tot en met september 2023. Daarnaast heeft de SVB aangekondigd dat het te veel betaalde bedrag over deze periode van eiser zal worden teruggevorderd en dat aan eiser een boete zal worden opgelegd omdat hij het huwelijk niet tijdig heeft doorgegeven.
3. Met het bestreden besluit heeft de SVB eisers bezwaar voor zover dit gericht was tegen de herziening van zijn AOW-pensioen ongegrond verklaard. Volgens de SVB is het uittreksel van het Thaise huwelijksregister een rechtsgeldig document waaruit blijkt dat eiser op 7 maart 2017 voor de Thaise wet getrouwd is. Er is geen sprake van duurzaam gescheiden leven, zodat eiser recht heeft op een AOW-pensioen naar de norm van gehuwden. Omdat eiser wel verwijtbaar maar niet met grove schuld of opzet de inlichtingenplicht heeft geschonden, is eisers AOW-pensioen slechts voor een periode van 5 jaar met terugwerkende kracht herzien. Voor zover eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de aankondiging van de terugvordering en de boete is dat bezwaar door de SVB niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze aankondiging geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.
Beoordeling door de rechtbank
Niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de terugvordering en de boete
4. In het bestreden besluit heeft de SVB de bezwaren van eiser voor zover gericht tegen de aankondiging van de terugvordering en het opleggen van een boete niet-ontvankelijk verklaard. Met de SVB is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke aankondiging slechts een informatieve mededeling betreft over een nog te nemen besluit. De SVB heeft namelijk expliciet vermeld dat hij van plan is om het te veel ontvangen bedrag van eiser terug te vorderen en dat hij van plan is om aan eiser een boete op te leggen. Daarbij is expliciet opgenomen dat eiser nog een definitieve beslissing over de boete en het terug te betalen bedrag zal ontvangen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze aankondigingen niet op een rechtsgevolg zijn gericht en dus niet kunnen worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De SVB heeft het bezwaar, voor zover dit gericht is tegen de terugvordering en de boete, terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De herziening
5.1.
Eiser is als AOW-gerechtigde verplicht om de SVB op diens verzoek of onverwijld alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitkering. Volgens het beleid van de SVB moet onder ‘onverwijld’ worden verstaan: binnen vier weken nadat het van belang zijnde feit heeft plaatsgevonden of de relevante wijziging van omstandigheden is ingetreden.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat voor zover eiser in 2017 al een poging heeft gedaan tot erkenning en registratie van zijn in het buitenland gesloten huwelijk in de basisregistratie persoonsgegevens (brp), hij daarmee niet heeft kunnen volstaan. Eiser had deze wijziging in zijn situatie zelf tijdig aan de SVB moeten doorgeven zoals in artikel 49 van de AOW is bepaald. Uit de brief van de gemeente Vlaardingen van 21 augustus 2024 blijkt dat de notities in het zaaksysteem over wat eiser in 2017 heeft gemeld uitsluitend zichtbaar zijn voor medewerkers van Burgerzaken Vlaardingen en niet voor afnemers van de brp, zoals de SVB. De SVB heeft de poging tot registratie daarom niet via deze weg kunnen vernemen en heeft dus ook niet in 2017 op deze melding kunnen reageren. De enkele stelling dat eiser zijn huwelijk in 2017 ook bij de SVB heeft gemeld, is niet nader onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de stukken. Gelet op het voorgaande heeft de SVB terecht geconcludeerd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
6. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat aan de zijde van de overheid een toezegging is gedaan waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Deze toezegging moet aan het bevoegde bestuursorgaan kunnen worden toegerekend. Eiser stelt zich op het standpunt dat een medewerker van de gemeente Vlaardingen hem in 2017 onjuist heeft geïnformeerd door mede te delen dat het huwelijk niet rechtsgeldig was in Nederland en gelegaliseerd moest worden. De SVB is echter het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het intrekken of herzien van het AOW-pensioen. Het is niet gebleken dat de SVB zelf een uitlating heeft gedaan waaruit eiser, zoals hij stelt, mocht afleiden dat zijn huwelijk niet relevant was voor zijn AOW-status. Een uitlating van een medewerker van de gemeente Vlaardingen kan ook niet aan de SVB worden toegerekend.
7.1.
Eiser voert aan dat de SVB ten onrechte heeft aangenomen dat zijn huwelijk al op de datum van 7 maart 2017 rechtsgeldig tot stand is gekomen. Uit de handhavingsrapportage van 26 september 2024 blijkt dat de SVB bij een medewerker van het Thaise zusterorgaan Social Security Organisation (SSO) navraag heeft gedaan naar de rechtsgeldigheid van eisers huwelijksakte. De SVB stelt zich op het standpunt dat eiser op 7 maart 2017 voor het Thaise recht getrouwd is, omdat de medewerker van de SSO dit bevestigd heeft. Eiser stelt zich op het standpunt dat het dossier geen volledige schriftelijke weergave van het gesprek met deze medewerker bevat en het daarom niet duidelijk is welke vragen er precies zijn gesteld aan de SSO en op basis waarvan de SVB precies heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van zijn in Thailand gesloten huwelijk.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de SVB niet voldoende heeft gemotiveerd dat eisers huwelijk op 7 maart 2017 rechtsgeldig in Thailand tot stand is gekomen. De verslaglegging van het onderzoek bij de SSO is zeer summier weergegeven in de handhavingsrapportage. Zoals eiser terecht aanvoert blijkt uit de rapportage niet welke specifieke vragen aan de medewerker van de SSO zijn gesteld, zodat bijvoorbeeld niet duidelijk is of deze medewerker is gewezen op en gevraagd naar het ontbreken van de handtekeningen op de huwelijksakte.
8.
8.1.
Eiser stelt verder dat hij in de periode van maart 2019 tot september 2023 feitelijk voldeed aan alle criteria van duurzaam gescheiden leven. De SVB stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, omdat eiser en zijn echtgenote wel van plan waren om samen te gaan wonen en hier ook moeite voor hebben gedaan.
8.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is bij gehuwden pas van duurzaam gescheiden leven sprake indien aan alle volgende eisen is voldaan:
a. ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b. ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c. ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving – al dan niet op termijn – aan te gaan. Toch is het niet uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.
8.3.
Zoals ook uit het bestreden besluit blijkt, betwist de SVB niet dat eiser en zijn echtgenote in de periode van 2017 tot en met 2023 op grote afstand van elkaar woonden, minimaal contact hadden, nauwelijks gezamenlijke activiteiten uitvoerden en dat nauwelijks tot geen sprake was van zorg over en weer. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de SVB zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het enkel wijzen op de intentie van eiser en zijn echtgenote om op een gegeven moment samen te gaan wonen is in het licht van deze feiten en omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat zij in de genoemde periode niet duurzaam gescheiden leefden.
9. Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel in het kader van de twee-woningenregel volgt de rechtbank hem niet. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583, waarin is overwogen dat geen sprake is van gelijke gevallen tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden.
10.1.
De schending van de inlichtingenplicht door eiser heeft tot gevolg gehad dat hij te veel aan ouderdomspensioen heeft ontvangen. De SVB was op grond van artikel 17a van de AOW gehouden het AOW-pensioen van eiser te herzien naar de norm van een gehuwde tenzij er dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien. De SVB hanteert beleidsregel SB1407 bij het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De SVB ziet ook wegens dringende redenen af van herziening met volledige terugwerkende kracht als dat onevenredig is. In deze stap van de beoordeling wordt rekening gehouden met het subjectieve doenvermogen van de betrokkene in de concrete situatie. Ook alle overige door de betrokkene aangevoerde relevante omstandigheden worden bij de evenredigheidstoetsing meegewogen, waaronder bijvoorbeeld een fout van een ander overheidsorgaan.
10.2.
De rechtbank constateert dat de evenredigheidstoets zoals de SVB deze zelf in zijn beleidsregel uitlegt, niet blijkt uit de motivering van het bestreden besluit. De SVB heeft door enkel te stellen dat hijzelf geen fout heeft gemaakt geen blijk gegeven van een afweging van de betrokken belangen met als gevolg een evenredig genomen besluit. Het is immers niet gebleken dat de SVB de door eiser aangevoerde relevante feiten en omstandigheden in zijn besluitvorming heeft meegewogen en dat daarbij een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en de concrete situatie van eiser zoals deze voorligt.
11. Gelet op wat onder 7.2, 8.3 en 10.2 is overwogen is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
12. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan ook een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de SVB in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit, één en ander met inachtneming van wat hier is overwogen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de SVB de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
13. Als de SVB geen gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank. Als de SVB wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van de SVB. In beide gevallen en in de situatie dat de SVB de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.
14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt de SVB op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de SVB in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
SVB-beleidsregels SB1101.
Zie de uitspraak van de Raad van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3615.
Zie ook de uitspraak van de Raad van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|