|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:10539 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 26/5567 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Vovo hangende bezwaar tegen de afwijzing aanvraag tegemoetkoming planschade waardevermindering. Geen spoedeisend belang. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een financiële noodsituatie als er geen vovo wordt getroffen. Niet valt in te zien dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Verzoek afgewezen. | | Trefwoorden | : | glastuinbouw | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | planschade | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5567
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2026 in de zaak tussen
[bedrijf 1] B.V., uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee
(gemachtigden: mr. C.J. Visser en mr. E.C.M. van Dueren den Hollander).
Procesverloop
1. Met het besluit van 28 oktober 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag tegemoetkoming planschade waardevermindering van verzoekster voor [adres 1] in [plaats] afgewezen. Het college heeft het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit met het bestreden besluit van 29 mei 2026 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] en de gemachtigden van het college, vergezeld door [persoon A] en mr. N. Helvoort.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Verzoekster betoogt dat zij spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om voorlopige voorziening. Daarbij wijst verzoekster erop dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend aan [bedrijf 2] B.V. voor de bouw van een kas aan de [adres 2] in [plaats] . Verzoekster voert aan dat wanneer de kas wordt gebouwd, dit gevolgen heeft voor haar planschadeprocedure. Zij stelt namelijk dat zij een exclusief bouwrecht heeft voor glastuinbouw op het betreffende perceel. Verzoekster verzoekt daarom om schorsing van de omgevingsvergunning.
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter eerst de vraag beoordelen of er sprake is van “onverwijlde spoed”. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Niet valt in te zien dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Voor zover verzoekster stelt dat de verlening van de omgevingsvergunning de planschadeprocedure nadelig beïnvloedt, omdat zij wanneer de kas eenmaal is gebouwd om die reden geen of minder aanspraak op planschade maakt en hierin een spoedeisend belang is gelegen bij schorsing van het bestreden besluit, is dat standpunt niet juist. De voorzieningenrechter merkt daarnaast op dat de in deze zaak gevraagde voorziening, namelijk het schorsen van de verleende omgevingsvergunning, niet mogelijk is omdat dat niet de uitkomst van het beroep tegen de afwijzing aanvraag tegemoetkoming planschade waardevermindering kan zijn.
6. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ABRvS 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5356. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|