Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:11549 
 
Datum uitspraak:09-09-2026
Datum gepubliceerd:15-09-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/10478
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wht; afwijzing aanvraag te late aanmelding; de termijnoverschrijding van eiseres is niet verschoonbaar; beroep ongegrond.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/10478

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.O.A Koekkoek),

en

Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag is afgewezen omdat eiseres die te laat heeft ingediend. Eiseres is het niet eens met dit besluit en wijst op verschillende persoonlijke omstandigheden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de termijnoverschrijding van eiseres niet verschoonbaar is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

2. Eiseres heeft op 29 november 2024 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nog aanvullende stukken ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.




Beoordeling door de rechtbank

3. De Dienst Toeslagen heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht was aanmelding voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag mogelijk tot en met 2 januari 2024. Eiseres heeft zich pas op 29 november 2024 aangemeld bij de Dienst Toeslagen. Dat is te laat. De persoonlijke omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd, maken niet dat sprake is van een bijzondere situatie waardoor eiseres zich niet tijdig heeft kunnen aanmelden.

4. Eiseres voert in beroep aan dat de Dienst Toeslagen haar aanvraag alsnog in behandeling had moeten nemen gelet op haar persoonlijke omstandigheden. Eiseres leed aan ernstige spanningshoofdpijn en stond hiervoor in 2018 onder behandeling van een specialist. Daarnaast is eiseres mentaal kwetsbaar en was zij lange tijd niet bij machte haar administratieve zaken zelfstandig te regelen. Eiseres zat in de schuldhulpverlening. Ook ontving eiseres geestelijke en emotionele ondersteuning van haar pastoor. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar verklaringen van de pastoor en een vriendin van haar. Eiseres voert verder aan dat de Dienst Toeslagen een beoordelingskader hanteert waarin, kort gezegd, doorslaggevend wordt geacht of in het jaar 2023 sprake was van een ernstige lichamelijke of psychische aandoening waarvoor in dat jaar intensieve behandeling door een specialist heeft plaatsgevonden. Dit criterium pakt in het geval van eiseres te eng uit. De benadering doet onvoldoende recht aan de samenhang en duur van haar problematiek en de vraag of zij in staat was zich tijdig aan te melden. Het is eiseres daarbij onvoldoende duidelijk hoe de Dienst Toeslagen haar persoonlijke omstandigheden in samenhang heeft gewogen en waarom haar situatie zich niet leent voor een uitzondering. Verder voert eiseres aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte stelt dat een toepassing van de hardheidsclausule niet mogelijk is. Dit is wel het geval, waarbij de omstandigheden van het geval beslissend zijn. Daarnaast heeft het bestreden besluit onevenredige gevolgen voor eiseres.

5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.


5.1.
Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.



5.2.
Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden, en ouders die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.



5.3.
De rechtbank acht voor de toepassing van de hardheidsclausule mede de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024 van belang. Uit deze uitspraken volgt dat er bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de betrokken aanvrager betreffen. Daarbij valt te denken aan persoonlijke omstandigheden, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of een ongeval, en aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de aanvrager zorgen. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, is een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is.



5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiseres geen zodanig bijzondere omstandigheden die afwijking van de aanmeldtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Dat eiseres in de schuldhulpverlening zat, is geen relevant gezichtspunt. De schuldhulpverlening is immers reeds in 2019 beëindigd – ver voor het verstrijken van de aanmeldtermijn. Uit het dossier blijkt dat eiseres in ieder geval in 2018 aan spanningshoofdpijn leed. Eiseres heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die spanningshoofdpijn nog voortduurde tot in 2023 en dus dat zij zich als gevolg van die spanningshoofdpijn niet op tijd heeft kunnen aanmelden. De verklaringen van de pastoor en een vriendin van eiseres, leiden niet tot een ander oordeel. De pastoor schrijft in zijn verklaring dat eiseres “vanwege ziekte een moeilijke en ingrijpende tijd doormaakte”, maar concretiseert niet wanneer dat plaatsvond. Uit de verklaring van de pastoor blijkt dus niet dat eiseres ook in 2023, het laatste jaar dat eiseres zich kon aanmelden, nog ziek was. Dat blijkt evenmin uit de verklaring van de vriendin. De vriendin schrijft dat eiseres “[i]n de betreffende periode vanaf 2018” veel last had van aanhoudende hoofdpijn, maar schrijft niet tot wanneer die periode duurde. Weliswaar schrijft de vriendin verder dat zij eiseres vanaf 2023 regelmatig heeft geholpen met verschillende praktische en administratieve zaken. Echter, de enkele omstandigheid dat eiseres hulp ontving, leidt niet tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het voor eiseres niet mogelijk was zich op tijd aan te melden. Het betoog van eiseres dat de Dienst Toeslagen haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende in samenhang heeft meegewogen, slaagt niet. Ook wanneer de persoonlijke omstandigheden van eiseres in samenhang worden bezien, blijft gelden dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tegen het einde van de aanmeldperiode nog steeds last had van spanningshoofdpijn. De Dienst Toeslagen hoefde die medische klachten, hoe vervelend die voor eiseres ook moeten zijn geweest, daarom niet mee te wegen. Eiseres kon zich op een laagdrempelige manier aanmelden voor een herbeoordeling. Dat kon telefonisch en het aanmelden duurde niet meer dan enkele minuten. Het is onvoldoende gebleken dat eiseres hiertoe in (de laatste periode van) de aanmeldperiode niet in staat was. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat, anders dan de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft betoogd, de Dienst Toeslagen niet hoefde mee te wegen of eiseres wel of geen gedupeerde is. Dat zou immers een vooruitblik op de herbeoordeling vergen en in deze zaak staat nu juist de vraag centraal of de Dienst Toeslagen die herbeoordeling moet maken.



5.5.
Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel slaagt ook niet. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, is onderdeel van een wet in formele zin en mag vanwege het toetsingsverbod niet aan het evenredigheidsbeginsel worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet volledig zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De wetgever heeft bewust gekozen voor een ruime aanmeldperiode van ongeveer drieënhalf jaar, om daarmee rekening te houden met persoonlijke omstandigheden.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen niet alsnog moet beoordelen of eiseres recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15272.


Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.


Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331, pagina 3.


Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.


Zie de uitspraken van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.


Vergelijk de uitspraken van deze rechtbank van 16 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15271 en ECLI:NL:RBROT:2025:15272.
Link naar deze uitspraak