|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:11660 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/8622 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | beroep ongegrond, beeindiging ZW-uitkering terecht, ten aanzien van de nieuwe ziekmelding is terecht bepaald dat per 30 augustus 2024 geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8622
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Haze),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) en het oordeel over haar nieuwe ziekmelding. Eiseres is het niet eens met deze beslissingen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de ZW-uitkering van eiseres terecht heeft beëindigd en terecht heeft geoordeeld over de nieuwe ziekmelding.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft bepaald dat de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 30 augustus 2024 (datum in geding) wordt beëindigd en dat geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak per diezelfde datum. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
2.1.
Met het besluit van 25 juli 2024 (het primaire besluit I) heeft het UWV bepaald dat de ZW-uitkering van eiseres per 30 augustus 2024 wordt beëindigd, omdat zij op
29 juli 2024 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
2.2.
Met het besluit van 26 maart 2025 (het primaire besluit II) heeft het UWV bepaald dat de ziekmelding van eiseres per 30 augustus 2024 niet in behandeling wordt genomen.
2.3.
Met het besluit van 25 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Het UWV heeft het in het primaire besluit I ingenomen standpunt gehandhaafd en ten aanzien van het primaire besluit II geoordeeld dat geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak per 30 augustus 2026.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Eiseres heeft aanvullende gronden en aanvullende (medische) stukken ingebracht.
2.6.
Het UWV heeft op 11 augustus 2026 gereageerd met als bijlage een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 augustus 2026.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.
3.1.
Eiseres, laatstelijk werkzaam als [functie] , heeft zich op 31 juli 2023 ziekgemeld voor dit werk. Aan eiseres is vanaf 1 september 2023 een ZW-uitkering toegekend. Zij bereikte op 29 juli 2024 het einde van het eerste ziektejaar.
3.2.
In het kader van de zogeheten Eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiseres op 12 juli 2024 op het spreekuur gezien en op 16 juli 2024 een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 12 juli 2024. In deze FML zijn beperkingen aangegeven in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.
3.3.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 25 juli 2024, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat zij niet geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel voor de geduide functies Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en Lader, losser (SBC-code 111220). Aanvullend heeft de arbeidsdeskundige de functies Productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042), Textielproductenmaker (exclusief vervaardigen textiel) (SBC-code 111160), Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) en Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) geduid. Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie vermelde functies) is eiseres volgens de arbeidsdeskundige in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 100%. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit I genomen.
3.4.
Eiseres heeft op 25 november 2024 aan het UWV doorgegeven dat zij vanaf
30 augustus 2024 ziek is. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit II genomen.
3.5.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 30 juli 2025 geconcludeerd dat aanleiding bestaat om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML per datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet gelet op de medicatie van eiseres namelijk aanleiding om een beperking aan te nemen ten aanzien van het verhoogd persoonlijk risico, zoals niet-gezekerd werken op hoogtes of werken met niet-beveiligde gevaarlijke machines. Deze wijziging is neergelegd in de aangepaste FML van 30 juli 2025.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder geconcludeerd dat geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak per 30 augustus 2024.
3.6.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van
15 september 2025, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen als verwoord in de aangepaste FML, geconcludeerd dat er geen reden bestaat om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Op basis van de gewijzigde FML komt in bezwaar de functie met SBC-code 268030 te vervallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep acht de overige geduide functies nog steeds passend. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de berekening van het maatmaninkomen in bezwaar aangepast. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres is daarbij ongewijzigd gebleven. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Standpunt eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat in de beperkingen, zoals opgenomen in de FML, onvoldoende rekening wordt gehouden met haar klachten en dat zwaardere beperkingen moeten worden aangenomen. Eiseres heeft in beroep het resultaat van de MRI LWK van
23 juli 2026 van het MRI-centrum overgelegd, waaruit blijkt dat haar hevige pijnklachten, stijfheid en beperkingen in het dagelijks functioneren medisch objectief verklaarbaar zijn. Uit deze pijnklachten in combinatie met de mentale klachten die ook al geruime tijd spelen en een negatief effect hebben op de medische conditie van eiseres, blijkt dat haar belastbaarheid onjuist in kaart is gebracht. Eiseres heeft nog een brief van de psycholoog van 12 februari 2026, twee brieven van de pijnspecialist van 13 februari 2026 en
23 juni 2026, een eigen brief vergezeld door een brief van de voedselbank van 8 juli 2025 en een brief van haar kinderen overgelegd. Eiseres acht zichzelf niet in staat om gangbare arbeid of de geduide functies te verrichten. De nieuwe ziekmelding houdt verband met nieuwe mentale klachten van eiseres, die zich geleidelijk hebben ontwikkeld.
Toetsingskader
5. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is om op
30 augustus 2024 met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur en dat per die datum ook geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak.
Beëindiging ZW-uitkering
7.1.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, psychisch en lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts, aanvullend medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens de hoorzitting van 10 juli 2025, het gestelde in het bezwaarschrift en studie van de informatie van de behandelend sector. Het medisch onderzoek heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
7.2.
Wat eiseres in beroep aanvoert geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De beroepsgrond dat in de FML niet voldoende rekening is gehouden met de klachten van eiseres, slaagt niet. In de rapportage van
30 juli 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de lichamelijke klachten overwogen dat uit de aanvullende medische informatie van de huisarts van
22 juli 2025 blijkt dat sprake is van chronische lage rugklachten zonder een specifieke oorzaak. Op basis van deze informatie en op grond van de eigen onderzoeksbevindingen op 10 juli 2025, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML van 16 juli 2024 ruim voldoende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet op dit punt dan ook geen aanleiding om verdergaande beperkingen aan te nemen.
Voor wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat niet is gebleken dat de primaire verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van cliënt en de daaruit voor het verrichten van arbeid voortvloeiende medische beperkingen. Evenmin is het haar gebleken dat het door de primaire verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon op onjuiste of onvolledige wijze de medische beperkingen van eiseres weerspiegelt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er adequate beperkingen aangegeven wat betreft de psychische belastbaarheid van eiseres. De brief van Viersprong van 21 januari 2021 die in bezwaar is ontvangen, bevatte ook geen nieuwe informatie ten opzichte van het primaire oordeel.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder geen aanleiding gezien om een urenbeperking aan te nemen. Uitgaande van de verzekeringsgeneeskundige standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ is er geen medische indicatie voor een urenbeperking bij passende arbeid rekening houdend met de beperkingen. Een beperking in de duurbelastbaarheid wordt slechts gegeven mits iemand voldoet aan één of meerdere criteria daarvoor zoals genoemd in de ‘Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid’. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij eiseres geen sprake van één van die criteria. Verder geldt de vuistregel dat bij het aangeven van de belastbaarheid de beperkingen ten aanzien van energetische belastingsmomenten prevaleren boven een urenbeperking. Door de beperkingen kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in lichtere arbeid in voldoende mate rekening worden gehouden met de klachten van eiseres, zoals in de eerdere FML ook is aangegeven.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het kader van de integrale heroverweging in bezwaar tot slot nog wel aanleiding gezien om een beperking in de FML op te nemen ten aanzien van het verhoogd persoonlijk risico, zoals het niet-gezekerd werken op hoogtes of het werken met niet-beveiligde gevaarlijke machines, vanwege de medicatie die eiseres rond de datum in geding gebruikte.
7.3.
In de tijdens de beroepsprocedure overgelegde rapportage van 5 augustus 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog overwogen dat de door eiseres in beroep ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Ten aanzien van de rugklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat op de MRI van de rug afwijkingen zijn getoond, die als slijtage worden geduid. Het is niet de oorzaak of diagnose die bepalend is voor het vaststellen van de beperkingen, maar wat feitelijk medisch is geobjectiveerd. Door de verzekeringsartsen zijn tijdens de spreekuurcontacten lichamelijke onderzoeken verricht op grond waarvan beperkingen zijn gesteld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de rug- en beenklachten van eiseres al voldoende ondervangen in de FML van 30 juli 2025.
Ten aanzien van de psychische klachten worden volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen nieuwe medische feiten vermeld ten opzichte van de primaire beoordeling en de bezwaarprocedure. Zij is van oordeel dat de primaire verzekeringsarts al voldoende psychische beperkingen heeft aangenomen, zodat ook de psychische klachten van eiseres voldoende worden ondervangen.
7.4.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de beperkingen in de FML van 30 juli 2025 juist zijn vastgesteld. De door eiseres gestelde klachten zijn invoelbaar, toch zijn deze ervaren klachten bij het duiden van de beperkingen in het kader van de WIA-beoordeling niet doorslaggevend. Het gaat namelijk om de klachten die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geobjectiveerd kunnen worden.
7.5.
Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt, zodat de in bezwaar geduide functies geschikt worden geacht voor eiseres. Eiseres heeft hierover ook geen specifieke beroepsgronden naar voren gebracht. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat eiseres verdiende voordat zij ziek werd, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. Het UWV heeft daarom terecht bepaald dat eiseres met ingang van 30 augustus 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het UWV heeft de ZW-uitkering van eiseres terecht beëindigd.
Nieuwe ziekmelding eiseres
8.
8.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de beroepsgrond dat de nieuwe ziekmelding van eiseres verband houdt met nieuwe mentale klachten niet slaagt. In de bezwaarprocedure is de vraag voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep of per de datum van ziekmelding van 30 augustus 2024 sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak waardoor een nieuwe wachttijd gaat lopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapportage van 30 juli 2025 overwogen dat uit de ontvangen brief van de huisarts van 22 juli 2025 blijkt dat eiseres chronische rugklachten heeft die sinds 2023 aanwezig zijn, die gelijk met de nekklachten zijn begonnen en waarbij de focus lag op rugklachten. Verder is vermeld dat de uitstralende klachten naar de arm en hand sinds vijf maanden aanwezig zijn (dus ongeveer vanaf februari 2025) waarvoor eiseres naar de neuroloog is doorverwezen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep leidt uit deze medische gegevens af dat rond of per februari 2025 sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak en niet per 30 augustus 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, zoals hiervoor al is toegelicht, in de aanvullende rapportage van 5 augustus 2026 nog gemotiveerd geoordeeld dat de in beroep ingebrachte medische informatie ook geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
8.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat geen sprake was van een nieuwe ziekteoorzaak bij eiseres per 30 augustus 2024.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de verzekerde, indien hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij hiertoe in staat is geacht.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|