|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:11975 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | C/10/722992 / KG ZA 26-71 C/10/722992 / KG ZA 26-71 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Eiseres sub 1 niet-ontvankelijk verklaard. Vorderingen overige eisers afgewezen. Artikelen 197 lid 1 en 196 lid 2 Rv. | | Trefwoorden | : | heffingskorting | | | koopovereenkomsten | | | tarieven | | | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722992 / KG ZA 26-714
Vonnis in kort geding van 4 september 2026
in de zaak van
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
[eiser 1]
,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [plaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats 1] , België,
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats 3] ,
eisers,
hierna afzonderlijk te noemen: de belangenvereniging, [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] ,
advocaat: mr. J. van de Riet,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EP TOPHOLDING B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EUROPARCS TOPHOLDING B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EUROTOP HOLDING B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EUROPARCS HOLDING B.V.,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RESORT DE BIESBOSCH B.V.,
alle statutair gevestigd te Apeldoorn en kantoorhoudende te Ede,
gedaagden,
gedaagden 1 tot en met 4 hierna samen te noemen: EP c.s.
gedaagde 5 hierna afzonderlijk te noemen: RDB,
advocaat: mr. M.P.C. Hendriks.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2026- producties 1 tot en met 25 van eisers - de conclusie van antwoord- producties 1 tot en met 25 van gedaagden- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van eisers- de pleitnota van gedaagden.
2De feiten
2.1.
Resort de Biesbosch is een recreatiepark in Dordrecht in de directe nabijheid van Nationaal Park De Biesbosch. Het park kent zowel koop- als huurkavels met daarop recreatieobjecten (chalets). De chalets worden verhuurd of zijn bestemd voor recreatief gebruik door de eigenaren. RDB verzorgt de exploitatie en het dagelijks beheer van het park.
2.2.
De belangenvereniging is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die is opgericht op 10 oktober 2018. Blijkens haar statuten stelt zij zich ten doel om de belangen van huiseigenaren van het park te behartigen en alle verdere handelingen te verrichten die hiermee in de ruimste zin verband houden of daarvoor bevorderlijk zijn. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] zijn allen lid van de belangenvereniging en eigenaar van een kavel.
2.3.
De rechtsverhouding tussen (de rechtsvoorganger van) RDB en de eigenaren wordt (onder meer) beheerst door de in de respectieve koopovereenkomsten en leveringsakten opgenomen bepalingen en de algemene bepalingen Recreatie- en Watersportcentrum de Biesbosch van 9 december 2008 met inbegrip van het daarin opgenomen parkreglement (hierna: de AB). In de AB zijn ten behoeve en/of ten laste van RDB en de individuele eigenaren rechten en verplichtingen opgenomen over het onderhoud van het park, de verlichting, het algemeen toezicht op het park, het gebruik van kosteloze faciliteiten (waarvoor een eigenaar een park service bijdrage (PSB) verschuldigd is) en over (aan de eigenaren in rekening te brengen) algemene lasten (zoals gas, water en elektra (GWE)) en kosten van noodzakelijke werkzaamheden (NZW).
2.4.
Op het park is een klankboordgroep actief die bestaat uit vertegenwoordigers van de belangenvereniging en individuele eigenaren. Om de klankboordgroep in de gelegenheid te stellen om de voorgestelde tarieven (PSB, NZW, de planmatig noodzakelijke werkzaamheden (PNZW) en GWE) te bespreken, vragen te stellen en input te leveren is door RDB op (in elk geval) 3 december 2025 een parkjaarplanvergadering georganiseerd. Uit het verslag van die vergadering en de actie- en besluitenlijst volgt dat RDB heeft toegezegd het achterstallig onderhoud binnen een periode van drie jaar na 1 januari 2026 uit te voeren. Die toezegging heeft RDB vervolgens nader geconcretiseerd in een concept CAPEX-lijst onderhoudswerkzaamheden 2026-2027.
2.5.
Tussen partijen bestaat over de nakoming door RDB van de verschillende in de AB ten laste van haar opgenomen verplichtingen aangaande de exploitatie van het park al langere tijd geschil:
op 27 september 2022 hebben een aantal bij de belangenvereniging als lid aangesloten kaveleigenaren en (de rechtsvoorganger van) RDB een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW gesloten waarin deze partijen ter finale vaststelling van de discussie over de in het verleden in rekening gebrachte NZW een regeling hebben getroffen voor de vaststelling van de NZW-bijdragen vanaf 2021 tot en met 2030.
op dit moment spitst de discussie tussen partijen zich, beperkt tot de periode vanaf 2021, toe op:
het achterstallig onderhoud van het park;
(het moment van) de verschuldigdheid en de bestedingswijze van de door de eigenaren betaalde bijdragen aan (P)NZW en PSB;
de gehanteerde tarieven voor GWE en de gehanteerde inkoopprijzen, zuiveringslasten, heffingskorting op energiebelasting en kapitaallasten;
het vastrecht (‘netbeheerkosten’).
2.6.
Bezien over langere termijn hebben partijen over de tussen hen bestaande geschilpunten uitvoerig gecorrespondeerd en (elkaar uitgenodigd tot) overleg(d). Omdat dit in de ogen van eisers onvoldoende resultaat opleverde, hebben zij gedaagden uiteindelijk op 1 april 2026 een sommatiebrief gestuurd, waarin onder meer verzoek om inzage is gedaan. RDB heeft bij brief van 13 april 2026 de ontvangst van de sommatiebrief bevestigd en een inhoudelijke reactie aangekondigd met tegelijkertijd het aanbod om een fysieke bespreking te houden (herhaald bij e-mail van 29 april 2026). Bij e-mail van 9 juni 2026 hebben gedaagden de advocaat van eisers bericht dat de financiële gegevens werden verzameld en dat een inhoudelijke reactie zo spoedig mogelijk zou volgen. In de brief staat: “(…) Door de omvang van het dossier en de door u namens de BVE [Nb. de belangenvereniging, opm. vzr] opgevraagde bescheiden vergt dit proces helaas meer tijd dan aanvankelijk voorzien. (…)”. De afgifte van stukken volgde in het kader van deze kortgedingprocedure daags voor de mondelinge behandeling, namelijk op 18 en 19 augustus 2026.
3Het geschil
3.1.
Eisers vorderen, na vermindering van eisen 1 en 3, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, schriftelijk aan eisers te berichten welke NZW-bedragen gedaagden, volgens hun eigen administratie, over de jaren 2021, 2022, 2024 en 2025 nog ‘onder zich hebben’ of in de begroting of boeken genoteerd hebben staan, onder het tegelijkertijd verstrekken van alle documenten die relevant zijn om die bedragen te onderbouwen, althans in goede justitie te bepalen;
Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis:
alle documenten te verstrekken waaruit blijkt dat RDB zelfstandig dan wel met verkregen goedkeuring van gedaagden 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 een investeringsplan gaat uitvoeren;
dat plan aan eisers te verstrekken;
waarin is opgenomen dat het achterstallige onderhoud binnen drie jaren (te rekenen met ingang van 1 januari 2026) wordt weggewerkt;
concreet omschreven en volgens een opgestelde planning, alsmede
de reeds opgevraagde offertes te verstrekken om de eerste werkzaamheden ter zake uit te voeren;
3. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis per door gedaagde(n) eventueel betwiste post op de NZW lijsten 2021, 2022, 2024 en 2025 een schriftelijk standpunt in te nemen en in één document, gesplitst per afzonderlijk jaar, en dat document aan eisers te verstrekken;
4. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen één week nadat het document als bedoeld onder 3 aan eisers is verstrekt, in overleg te treden met de belangenvereniging teneinde al dan niet tot consensus te komen over de onterechte posten;
5. Gedaagde(n) hoofdelijk te gebieden om gedurende de komende vier jaren (2026-2029) de NZW pas achteraf in rekening te brengen en onder de voorwaarde dat gedaagde(n) zich jaarlijks hebben ingespannen om in overleg met de belangenvereniging tot gezamenlijke NZW posten te komen (waar al dan niet overeenstemming over bereikt kan worden);
6. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis alle inkoopfacturen GWE aan eisers te verstrekken over de periode 2021 tot en met 2025 ofwel de specificaties van de werkelijke kosten van de GWE posten over de periode 2021 tot en met 2025, voorzien van de toegepaste verdeelsleutel en de toelichting daarop, alsmede de onderliggende stukken die hebben geleid tot die verdeelsleutel, en alle documenten waaruit de werkelijke kosten en kostenopslagen blijken voor gedaagde(n) met de bijbehorende betaalbewijzen en een cijfermatige opstelling te vervaardigen en aan eisers te verstrekken, waarin de werkelijk door gedaagde(n) gemaakte GWE kosten zijn afgezet tegen de kosten die gedaagde(n) jaarlijks in rekening heeft gebracht;
7. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de aan RDB door de gemeente opgelegde afvalstoffenheffingen over de periode 2021 tot en met 2025 af te geven;
8. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis alle documenten te verstrekken waaruit volgens gedaagde(n) de werkelijke beheerkosten blijken voor de waterzuiveringsinstallatie;
9. RDB te gebieden om de GWE factuur 2024 en 2025 te corrigeren voor de btw fout of te veroordelen om de juiste cijfers aan eisers te verstrekken waaruit het tegendeel blijkt;
10. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis alle documenten te verstrekken waaruit volgens gedaagde(n) blijkt dat de zuiveringsheffing niet dubbel in rekening wordt gebracht;
11. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis alle documenten te verstrekken waaruit blijkt:
welke verzoeken reeds in het verleden zijn ingediend voor teruggave energiebelasting;
welke bedragen gedaagde(n) naar aanleiding van die verzoeken daadwerkelijk heeft/hebben terugontvangen, inclusief bankafschriften, en
welke verzoeken nog in behandeling zijn;
12. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis alle documenten te verstrekken waaruit blijkt welke kapitaallasten in rekening zijn gebracht in de periode 2021 tot en met 2025 en - voor zover kapitaallasten in rekening zijn gebracht - alle facturen binnen drie weken nadien te corrigeren/crediteren;
12. Gedaagde(n) hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen drie weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis ten aanzien van het vastrecht aan eisers een specifieke kostenlijst ‘netbeheer’ met onderliggende facturen te verstrekken, ter vergelijking met de lijst van de NZW werkzaamheden, alsmede alle documenten aan eisers te verstrekken waaruit de onderbouwing volgt van de wijze waarop het tarief over de jaren is opgebouwd en op welke kostenposten het ziet;
12. te bepalen dat gedaagde(n) hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 250,00 per dag dat zij nalaten aan het onder 1 tot en met 13 gevorderde te voldoen, met een maximum van € 150.000,00, althans in goede justitie te bepalen;
15. Gedaagden te veroordelen in de ten deze te begroten proceskosten inclusief de nakosten.
3.2.
Gedaagden voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van eisers, althans van de belangenvereniging, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.
4De beoordeling
Vorderingen ingesteld door de belangenvereniging
De belangenvereniging is niet-ontvankelijk
4.1.
De belangenvereniging wordt in haar vorderingen jegens gedaagden niet-ontvankelijk verklaard. De belangenvereniging beschikt niet over een door de individuele leden verstrekte toereikende last om namens hen in eigen naam te procederen (4.1.1) en voldoet niet aan de vereisten die artikel 3:305a BW stelt aan het instellen van een collectieve actie (4.1.2). Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.1.1.
De belangenvereniging treedt in dit kort geding naar eigen zeggen op in eigen naam namens de individuele leden, onder wie ook [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] , om zo de onderhavige vorderingen die de afzonderlijke financiële belangen van de individuele leden raken, in te stellen. Daarmee is sprake van een vorm van middellijke vertegenwoordiging in de zin van artikel 7:414 BW (lastgeving). Dit betekent dat de belangenvereniging, ook nu zij een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is met statuten en een doelstelling als de onderhavige (zie productie 1 bij dagvaarding), alleen namens een individueel lid mag procederen als dat lid haar daartoe uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven. De belangenvereniging heeft nagelaten onderbouwd te stellen dat zij van individuele leden een last verstrekt heeft gekregen en hoe ver die reikt. Het besluit dat tijdens de ledenvergadering van 14 januari 2026 (zie productie 24 bij dagvaarding) slechts door een minderheid van de leden-kavels is genomen en bovendien betrekking had op een nog niet geconcretiseerd juridisch traject volstaat niet als een dergelijke toereikende last. Dat de belangenvereniging steeds het aanspreekpunt voor gedaagden/RDB is geweest in de aan de orde zijnde kwesties die de exploitatie van het park aangaan, doet daar niet aan af. Er bestaat immers verschil tussen de juridische werkelijkheid, waarin in dit geval de last van ieder individueel lid nodig is om dat lid aan de in deze door de belangenvereniging in eigen naam gevoerde procedure te nemen beslissingen gebonden te achten, en de praktische werkelijkheid, waarin het zo kan zijn dat de belangenvereniging het feitelijk aanspreekpunt voor gedaagden/RDB was en is.
4.1.2.
De belangenvereniging heeft onvoldoende onderbouwd gesteld, terwijl dit gemotiveerd is bestreden door gedaagden, dat zij voldoet aan de strikte (en met de inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade collectieve actie (WAMCA) aangescherpte) eisen die artikel 3:305a BW stelt aan het slechts ter behartiging van de belangen van anderen op eigen naam instellen van een collectieve actie. De belangenvereniging heeft nagelaten een concreet met stukken onderbouwde toelichting te geven op haar voldoende representativiteit binnen de groep van 433 chaleteigenaren, de gelijksoortigheid van belangen van haar achterban ten aanzien van de bestaande discussiepunten en de transparantie en goede ‘governance’ van haar organisatie. De stelling van de belangenvereniging dat een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan het voeren van afzonderlijke procedures laat onverlet dat zij aan de vereisten van artikel 3:305a BW moet voldoen om een rechtsvordering in te kunnen stellen die strekt tot bescherming van de belangen van haar leden/de chaleteigenaren die een zelfde of gelijksoortig belang hebben. De tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van eisers aangehaalde uitspraken maken dit niet anders. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 augustus 2023 (ECLI:NLRBMNE:2023:4159) betreft een rolbeslissing op grond van artikel 1018c lid 3 Rv over een incidentele provisionele vordering. In die zaak hadden eisers voldaan aan de vereisten van artikel 1018c lid 2 Rv en wordt (in r.o. 3.7) uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA geciteerd dat ook in kort geding in beginsel de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW gelden. De uitspraak van het hof Den Bosch uit 2016 is van voor de inwerkingtreding van de ingrijpende wetswijziging per 1 januari 2020. Daarin wordt getoetst aan artikel 3:305a BW (oud).
Vorderingen ingesteld door [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4]
4.2.
Ter beoordeling resteren dan de vorderingen die [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] in dit kort geding tegen gedaagden hebben ingesteld.
Spoedeisend belang
4.3.
Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] een spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben. De voorzieningenrechter volgt gedaagden hierin niet. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] stellen dat zij (en de andere eigenaren van de recreatiewoningen) door het handelen van gedaagden financieel zijn en worden benadeeld en dat hierdoor een onrechtmatige toestand is ontstaan die, al dan niet in der minne, moet worden beëindigd. Dat kan alleen als, ter constatering van de gestelde onrechtmatigheid, inzage wordt gegeven in de (financiële) stukken die de wederpartij ter zake van het recreatiepark onder zich houdt. Dat hebben gedaagden, aldus [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] , sinds de sommatie van 1 april 2026, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, onvoldoende voortvarend ter hand genomen. Daarom hebben eisers zich genoodzaakt gezien dit kort geding aanhangig te maken. Gelet hierop zijn de vorderingen voldoende spoedeisend. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde om de vorderingen in kort geding te kunnen voorleggen. Of de vorderingen materieel ook toewijsbaar zijn, komt hierna aan de orde
Geschikt voor behandeling in kort geding?
4.4.
De stelling van gedaagden dat de vorderingen zich niet lenen voor behandeling in kort geding volgt de voorzieningenrechter niet. Zowel vanuit feitelijk als juridisch oogpunt is het geschil niet dusdanig ingewikkeld en omvangrijk dat beslechting daarvan in kort geding niet mogelijk is.
De vorderingen tegen EP c.s. worden afgewezen
4.5.
[eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben geen feitelijke en/of juridisch deugdelijke grondslag gesteld voor de vorderingen die zich richten tot EP c.s. Zij baseren zich niet op een contractuele grondslag; niet ter discussie staat immers dat er geen contractuele rechtsverhouding bestaat tussen [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] aan de ene kant en EP c.s. aan de andere kant. Het ‘zekerheidshalve’ betrekken van EP c.s. in dit kort geding, omdat RDB en EP c.s. zich tot elkaar verhouden in een groepsstructuur en, in verband met die verwevenheid, EP c.s. mogelijk bepalende invloed heeft op RDB, zodat er mogelijk iets bij EP c.s. te halen valt, geldt niet als een voldoende deugdelijke grondslag. Dat betekent dat de vorderingen tegen EP c.s. bij gebrek aan grondslag worden afgewezen.
Materiële beoordeling van de vorderingen tegen RDB
4.6.
[eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] noemen in de dagvaarding meerdere mogelijke grondslagen voor hun vorderingen (verzuim in onderhoud, onverschuldigde betaling). De voorzieningenrechter heeft ter zitting gevraagd naar de grondslag van de vorderingen. Daarop antwoordde de advocaat van eisers met “de redelijkheid en billijkheid” en “wanprestatie”. De enige grondslag die [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] uitwerken (in randnummers 50, 51 en 52 van de dagvaarding) is de grondslag die is gebaseerd op de artikelen 196 en 197 Rv. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben kennelijk bedoeld de vorderingen enkel als inzagevorderingen in te steken, zoals zij ook bevestigen in randnummer 13 van hun pleitnota. Daarom toetst de voorzieningenrechter de vorderingen in dit kort geding aan de artikelen 196 en 197 Rv.
4.7.
Als een wederpartij niet meewerkt aan een buitengerechtelijk inzageverzoek (zoals op 1 april 2026 door eisers in de sommatiebrief is gedaan) kan ingevolge het bepaalde in artikel 197 lid 1 Rv in spoedeisende gevallen, zoals hier het geval, het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens ook aan de voorzieningenrechter worden gedaan. In dat geval gelden de criteria van artikel 196 lid 2 Rv. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij zij van oordeel is dat:
de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
sprake is van misbruik van bevoegdheid, of
andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De afwijzingscriteria vormen geen van elkaar afgescheiden criteria, maar lopen min of meer in elkaar over en kunnen om die reden naast elkaar van toepassing zijn.
Opmerking verdient hier dat een partij die om inzage vraagt niet eerst voldoende aannemelijk hoeft te maken dat zij een vorderingsrecht heeft. Uit het betoog van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] volgt dat zij pretenderen geldvorderingen (schadevorderingen en/of vorderingen tot betaling van ten onrechte in rekening gebrachte posten) op RDB te hebben. Dergelijke vorderingen hebben zij in dit kort geding echter niet ingesteld en deze liggen ook niet ter toetsing voor bij de vordering om een voorlopige bewijsverrichting. De voorzieningenrechter gaat daarom aan dat wat tussen partijen hierover materieel naar voren is gebracht voorbij.
4.8.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat daar waar [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] vragen om afgifte van (nog) niet bestaande stukken (zie de vorderingen onder 1, 3, 6, 10 en 11) zij in feite vorderen om RDB te veroordelen dergelijke documenten op te stellen en die vervolgens aan hen af te geven. Dat gaat verder dan enkel het verstrekken van inzage in of een afschrift van bepaalde reeds voorhanden zijnde gegevens en gaat de reikwijdte van het inzagerecht te buiten. Bovendien is het gevorderde op dit punt te weinig bepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen. Het deel van de vorderingen onder 1, 3, 6, 10 en 11 dat ziet op de afgifte van niet bestaande stukken wordt daarom afgewezen.
4.9.
Voor het overige worden de vorderingen onder 1 tot en met 13 ook afgewezen, omdat zij buiten de reikwijdte van het inzagerecht vallen, vanwege gebrek aan voldoende belang dan wel vanwege onvoldoende bepaaldheid. Daartoe wordt per vordering het volgende overwogen.
4.9.1.
schriftelijke opgave openstaande NZW-bedragen over 2021, 2022, 2024 en 2025
Met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 27 september 2022 waarin ter finale vaststelling van de discussie over de in het verleden in rekening gebrachte NZW een regeling is getroffen voor de vaststelling van de NZW-bijdragen vanaf 2021 tot en met 2030 is de discussie over de NZW-bedragen over de periode 2021, 2022, 2024 en 2025 afgehecht. Weliswaar is de vaststellingsovereenkomst niet met alle kaveleigenaren gesloten, maar de daarin gebezigde tarieven worden aan de zijde van eisers ten behoeve van de niet betrokken eigenaren verder niet gemotiveerd betwist. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben daarom, voor zover het hier gaat om bestaande niet reeds afgegeven documenten, geen belang bij afgifte.
4.9.2.
investeringsplan achterstallig onderhoud
Voor zover het hier gaat om bestaande documenten, hebben [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] onvoldoende belang bij toewijzing (van alle onderdelen) van deze vordering. Het gaat er in de kern om dat het achterstallige onderhoud daadwerkelijk wordt verricht. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben tijdens de parkplanvergadering van 3 december 2025 de toezegging van RDB gekregen dat RDB op eigen kosten al het erkende achterstallige onderhoud met ingang van 1 januari 2026 binnen drie jaar zal hebben aangepakt en weggewerkt (zie de als productie 18 door RDB overgelegde actie- en besluitenlijst van de parkjaarplanvergadering). Dat voor RDB een (in de AB neergelegde) afdwingbare verplichting bestaat om nu tot afgifte van de gevorderde (volgens RDB vertrouwelijke) documenten, zoals offertes, over te gaan, is gesteld noch gebleken.
4.9.3.
schriftelijk standpunt per betwiste NZW-post 2021, 2022, 2024 en 2025
Ook hier geldt dat, als al de afgifte van bestaande documenten aan de orde is, de discussie hierover is afgehecht met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2022. Evenwel is RDB bereid gebleken aan [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] per kostenpost en kostencategorie een toelichting te geven. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat RDB aan die bereidverklaring gevolg geeft. Voor zover [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] met deze vordering verdergaande toelichtingen verlangen, geldt dat het gevorderde onvoldoende bepaald is.
4.9.4.
overleg binnen één week na verstrekking standpunt NZW-posten
Het gevorderde valt niet binnen de reikwijdte van het inzagerecht en wordt dus afgewezen. Uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting blijkt overigens dat RDB meermaals bereidheid heeft getoond om in overleg te gaan met haar wederpartij en dat het eisers zijn geweest die dat overleg hebben afgehouden. Daarmee rijmt niet dat [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] RDB nu, op deze wijze, tot overleg willen verplichten.
4.9.5.
achteraf betalen van in gezamenlijk overleg te bepalen NZW-posten over 2026-2029
Deze vordering valt niet binnen de reikwijdte van artikelen 196 en 197 Rv, terwijl hiervoor ook geen deugdelijke contractuele grondslag in de AB of de vaststellingsovereenkomst te vinden is. Desondanks heeft RDB aangegeven over betaling achteraf te willen praten, waarbij zij denkt aan een vorm waarin de eigenaren een voorschot van 25% betalen en het resterende gedeelte op basis van nacalculatie. Hierover zullen partijen met elkaar in overleg moeten gaan.
4.9.6.
inkoopfacturen GWE
Tussen partijen staat vast dat deze gegevens (aan de hand van een kostprijsanalyse) op 18 augustus 2026 aan (o.a.) [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] zijn verstrekt. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben daarom, voor zover het gevorderde binnen de reikwijdte van het inzagerecht valt, bij de gevorderde afgifte geen belang (meer).
4.9.7.
door de gemeente opgelegde afvalstoffenheffingen
[eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben (in randnummer 40 van de dagvaarding) nagelaten een onderbouwde toelichting te geven op de noodzaak en het belang dat zij bij afgifte van juist deze stukken over deze periode hebben.
4.9.8.
documenten werkelijke beheerkosten voor de waterzuiveringsinstallatie
Indien en voor zover de gevraagde documenten niet al zijn verstrekt op 19 augustus 2026 geldt dat de vordering onvoldoende bepaald is en dat [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet nader hebben toegelicht welk feitelijk belang zij in dit verband bij afgifte van nog meer documenten hebben. Aan de ter zitting getoonde bereidheid van RDB dat zij het in 2024 en 2025 eventueel teveel gefactureerde bedrag in relatie tot waterzuivering aan de chaleteigenaren voor de betreffende jaren terug wil betalen, wordt zij gehouden.
4.9.9.
correctie GWE-factuur btw-fout 2024/2025
Deze vordering valt niet binnen de reikwijdte van artikelen 196 en 197 Rv. Overigens erkent RDB dat er in de facturatie iets fout is gegaan en heeft zij concreet en onvoorwaardelijk toegezegd dat zij het teveel gefactureerde bedrag over 2024 en 2025 aan de betrokken eigenaren zal crediteren.
4.9.10.
afgifte bewijs dat zuiveringsheffing niet dubbel in rekening is gebracht
In dit verband geldt dat informatie waaruit moet blijken dat iets niet is gebeurd niet verstrekt kan worden. Bovendien is het gevorderde (‘alle documenten’), voor zover het al gaat om bestaande documenten, onvoldoende bepaald.
4.9.11.
informatie teruggave energiebelasting
RDB heeft met productie 24 inzicht gegeven in de wijze waarop de energiebelastingvermindering in de tarieven is verdisconteerd en zij heeft ter zitting onbetwist gesteld dat er geen andere verzoeken tot teruggave energiebelasting in behandeling zijn. Gelet hierop hebben [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] bij afgifte geen belang (meer).
4.9.12.
documenten kapitaallasten 2021-2025 en correctie facturen
Deze vordering mist feitelijke grondslag. Niet gebleken is immers dat de kapitaallasten deel uit maken van de PSB en worden doorbelast aan de eigenaren.
4.9.13.
kostenlijst netbeheer/vastrecht
Uit randnummers 6.18 en 8.14 van de conclusie van antwoord en productie 23 volgt dat RDB voldoende concrete en verifieerbare informatie heeft verstrekt over de opbouw van het vastrecht en - met de overgelegde kostenuitsplitsing - inzage heeft geboden in de onderliggende kostenposten. De direct aan het vastrecht toe te rekenen kosten over de periode 2021-2025 bedragen gemiddeld circa € 90,00 per kavel per jaar en daarnaast worden structureel kosten gemaakt voor beheer, onderhoud en instandhouding van de energie-infrastructuur. Van een afzonderlijke, ongebruikte reserve is geen sprake. Daarmee is een belang van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] bij toewijzing van de inzagevordering komen te ontbreken.
Proces- en nakosten
4.10.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart de belangenvereniging niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
5.2.
wijst de vorderingen van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] tegen gedaagden af,
5.3.
veroordeelt eisers in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
1734/1573
Mr. Van de Riet heeft ter zitting aangegeven dat in de dagvaarding abusievelijk boete in plaats van dwangsom is opgenomen. Hij heeft daarom het petitum van de dagvaarding gewijzigd in die zin dat daar waar ‘een boete’ staat gelezen moet worden ‘een dwangsom’. Deze wijziging is onder 3.1 sub 14 verwerkt.
Uit de notulen van 14 januari 2026 blijkt dat het besluit is genomen met 75 stemmen, bestaande uit 69 aanwezige en 6 vertegenwoordigde kavels, op een totaal van 165 leden-kavels van totaal 433 chaleteigenaren.
In de notulen staat daarover:
“3. Een juridisch traject
Na stemming is besloten dat het bestuur sowieso een juridisch traject start. De aanwezigen hebben unaniem hun stem gegeven (69 kavels) + 6 kavels (stem van afwezigen) = 75 kavels”. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|