Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:1542 
 
Datum uitspraak:06-02-2026
Datum gepubliceerd:18-02-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 24/2403
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), private schulden, beroep gegrond. Schending zorgvuldigheidsbeginsel. De minister had eiseres erop moeten wijzen dat zij de schulden op de juiste wijze had moeten indienen, dan wel de minister had de schulden die ten grondslag lagen aan de schuld van eiseres aan haar ex-partner zelfstandig moeten beoordelen. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, waarbij de rechtbank ook de hardheidsclausule toepast.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
echtscheiding
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/2403

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L. van Baaren),

en

de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. A. van der Spoel).


Samenvatting

1. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft een aanvraag gedaan om overname of compensatie van een schuld aan haar ex-partner op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is gescheiden en heeft uiteindelijk meebetaald aan de schulden van haar ex-partner en aan de hypotheekrenteschuld. Tot de uiteindelijke verdeling waren eiseres en haar ex-partner hoofdelijk aansprakelijk voor deze schulden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De minister had eiseres erop moeten wijzen dat zij de schulden op de juiste wijze had moeten indienen, dan wel de minister had de schulden die ten grondslag lagen aan de schuld van eiseres aan haar ex-partner zelfstandig moeten beoordelen. De minister had deze plicht temeer gezien de complexe privésituatie van eiseres en het ontbreken van juridische bijstand. Het beroep is gegrond en de rechtbank voorziet zelf in de zaak, waarbij de rechtbank ook de hardheidsclausule toepast. De minister moet eiseres compenseren voor al betaalde schulden tot een bedrag van € 21.439,67.



Procesverloop

2. Met het besluit van 30 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres om geldschulden over te nemen op grond van de Wht afgewezen.


2.1.
Met het besluit van 29 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.




Totstandkoming van het besluit

3. Eiseres is op [huwelijksdatum] 2012 in gemeenschap van goederen getrouwd met [persoon A] ( [persoon A] ). Op 2 maart 2021 is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank. Aan deze scheiding zijn meerdere gerechtelijke procedures voorafgegaan met een grote impact op het privéleven van eiseres en haar kinderen. Verschillende instanties, zoals jeugdzorg, politie, reclassering en kinderbescherming zijn bij het proces rondom de echtscheiding betrokken (geweest). Eiseres verblijft al enige tijd op een geheim adres en aan [persoon A] is een contactverbod met eiseres opgelegd.


3.1.
In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding hebben eiseres en [persoon A] op 31 mei 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten over de verdeling van de huwelijkse gemeenschap. In de gemeenschap vielen twee grote schulden: het totaal van de openstaande schulden die [persoon A] tijdens het huwelijk was aangegaan tot een bedrag van € 32.500,- en een hypotheekrenteschuld van € 23.874,- aan ING Bank N.V., in totaal € 56.374,-. Bij de verdeling is afgesproken dat eiseres en [persoon A] deze schulden gezamenlijk zouden dragen, dus ieder € 28.187,-. De overwaarde van de gezamenlijke woning was voldoende om deze schulden te betalen. De vaststellingsovereenkomst is op 26 juli 2023 in een beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De financiële afwikkeling van de verdeling heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2023 via een notaris. [persoon A] heeft daarbij een bedrag ontvangen waarmee hij de schulden kon afbetalen. Als gevolg van de financiële afwikkeling heeft eiseres eveneens een bedrag ontvangen.



3.2.
Op 3 juni 2023 heeft eiseres, in haar hoedanigheid als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, een aanvraag ingediend bij het uitvoeringsorgaan Sociale Banken Nederland (SBN). Zij heeft verzocht om overname of compensatie van twee schulden: één aan de Belastingdienst ter hoogte van € 341,- en één aan [persoon A] ter hoogte van € 28.178,-. Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



3.3.
De minister heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. De schuld aan de Belastingdienst is een publieke schuld bij de overheid. Deze schuld voldoet niet aan de regels van de Wht. De schuld aan [persoon A] heeft de minister afgewezen omdat de schuld evenmin voldoet aan de regels van de Wht. Zo moet een schuld op het moment van de aanvraag nog openstaan, moet de schuld zijn ontstaan na 31 december 2005 en opeisbaar zijn voor 1 juni 2021. Omdat de schuld al is betaald aan [persoon A] , komt de schuld niet in aanmerking voor overname.




Beroep van eiseres

4. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de afwijzing van de overname van de schuld aan de Belastingdienst. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in het kader van de aanvraag contact heeft opgenomen met SBN en haar situatie heeft voorgelegd. Zij heeft daarbij toegelicht dat zij in scheiding lag en dat ook de schulden van [persoon A] , waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk was, en de hypotheekrenteschuld verdeeld zouden worden. Eiseres heeft eveneens besproken dat deze verdeling vastgelegd zou worden in een notariële akte. Eiseres stelt dat door SBN aan haar is meegedeeld dat zij zonder problemen kon meewerken aan de afwikkeling van de verdeling, omdat daarbij een notaris was betrokken. Als zij had geweten dat het gevolg van de financiële afwikkeling van de verdeling zou zijn dat de schulden van [persoon A] en de hypotheekrenteschuld, waarvoor zij voor de helft aansprakelijk was, niet meer konden worden overgenomen, had zij de verdeling op andere wijze vorm kunnen geven. Eiseres doet een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en voert aan dat de minister had moeten onderzoeken in welke mate de schulden van [persoon A] en de hypotheekrenteschuld vóór de financiële afwikkeling in aanmerking kwamen voor overname op grond van de Wht.



Relevante regelgeving

5. De minister neemt op aanvraag een schuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De schulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. De minister verleent compensatie voor een al betaalde schuld als de schuld voldoet aan voornoemde eisen en is afgelost na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.


5.1.
Op grond van artikel 3.13 van de Wht verleent de minister compensatie aan degene die voor 1 januari 2021 een bedrag heeft ontvangen op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, als diegene tussen het moment van het ontvangen van dat bedrag en 1 januari 2021 een bedrag heeft afgelost aan bestuursrechtelijke schulden.



5.2.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 3.13 en 4.1 van de Wht, voor zover de toepassing ervan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.




Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister terecht de schuld van eiseres aan [persoon A] niet heeft gecompenseerd. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.


Zorgvuldigheidsbeginsel


6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De rechtbank zal dit toelichten. Op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.



6.2.
Eiseres heeft reeds bij haar aanvraag de noodzakelijke gegevens aan SBN verschaft. Eiseres heeft immers een overzicht van de schulden van [persoon A] , waarvoor zij voor de helft aansprakelijk was, toegestuurd, samen met de bewijsstukken van die schulden. Zowel SBN in de primaire fase als de minister in de bezwaarfase hebben echter verzuimd te onderzoeken hoe de situatie van eiseres precies in elkaar stak en wat zij probeerde te bereiken. De rechtbank acht hierbij van belang dat vanaf het begin al duidelijk was dat het ging om een uitzonderlijk geval en dat eiseres geen juridische bijstand had. Daarnaast heeft eiseres in de periode tussen de aanvraag en het primaire besluit meermaals telefonisch contact gehad met SBN. Naar het oordeel van de rechtbank had onder meer onderzocht moeten worden of de onderliggende schulden voor overname of compensatie op grond van de Wht in aanmerking kwamen. Verzuimd is om verder te kijken dan de gesloten vaststellingsovereenkomst. Als SBN in de primaire fase of de minister in de bezwaarfase dit wel hadden gedaan dan had eiseres door SBN respectievelijk de minister gewezen kunnen worden op het feit dat zij een nieuwe aanvraag kon indienen dan wel hadden de onderliggende schulden kunnen worden getoetst aan de eisen voor overname of compensatie. In plaats daarvan heeft de minister in de bezwaarfase enkel uitvoerig onderzocht of SBN een verwijt viel te maken bij de behandeling van de aanvraag. De rechtbank wijst in dit kader op de notitie van SBN die is opgesteld naar aanleiding van de bezwaarprocedure met als hoofdvraag “Hadden we [eiseres] kunnen/moeten tegenhouden om te tekenen op 26-7-23” en als deelvragen onder meer “Heeft zij ons om advies gevraagd?”, “Hoe stellig was zij in haar overtuiging dat het goed zat?” en “Waar ligt onze verantwoordelijkheid voor juridisch advies t.o.v. [de rechtbank] en advocaat?”. De notitie telt 33 bladzijden.



6.3.
Ook in beroep heeft de minister nader toegelicht dat als eiseres had bedoeld om de onderliggende schulden van [persoon A] , waarvoor zij voor de helft aansprakelijk was, voor overname in te dienen, zij die schulden apart had moeten indienen via het daartoe bestemde loket. Inmiddels is het volgens de minister voor eiseres niet meer mogelijk een dergelijke aanvraag opnieuw in te dienen. Het betreffende loket is inmiddels gesloten.



6.4.
De defensieve benadering van de minister strookt niet met zijn verplichting om bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te vergaren. Dat geldt temeer nu het hier gaat om de hersteloperatie toeslagen, die onder meer is gericht op herstel van het vertrouwen in de overheid. De rechtbank wijst daarbij ook op het feit dat eiseres door SBN of de minister niet is gewezen op de mogelijkheid om als gedupeerde van de toeslagenaffaire een gratis advocaat te krijgen. De rechtbank heeft zich daarom genoodzaakt gezien om, vanwege de juridische complexiteit van de zaak, eiseres met de brief van 13 februari 2025 te wijzen op de informatiepagina van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen over een gratis advocaat. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres zich (pas gedurende de beroepsfase) voor haar gesteld.



6.5.
Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet op de verplichting het voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten, voorziet de rechtbank zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank acht het onder de gegeven omstandigheden en alle betrokken belangen in aanmerking nemend rechtens verantwoord om de zaak inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank acht zich hiertoe in staat omdat, zoals ook overwogen in 6.2, eiseres alle relevante gegevens in het geding heeft gebracht en partijen zich over een inhoudelijke beoordeling voldoende hebben uitgelaten.


Komen de schulden van eiseres voor compensatie in aanmerking?

7. De rechtbank beoordeelt hierna inhoudelijk of de schulden voor compensatie in de zin van de Wht in aanmerking komen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de hypotheekrenteschuld en de schulden van [persoon A] . Bij de beoordeling van deze schulden betrekt de rechtbank de stukken die eiseres bij haar aanvraag heeft ingediend.



7.1.
Over de hypotheekrenteschuld oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de bijlage ‘opstelling vermogen & verdeling’ bij de door eiseres en [persoon A] ondertekende vaststellingsovereenkomst van 31 mei 2023 volgt dat de totale hypotheekrenteschuld over de periode tussen 16 april 2020 en 31 december 2022 € 24.987,15 bedroeg (€ 23.874,- plus € 1.113,15). De rechtbank leidt hieruit af dat de hypotheekrenteschuld per maand € 768,84 bedroeg (€ 24.987,15 gedeeld door de periode van 32,5 maanden). Dit correspondeert met andere stukken uit het dossier. Op grond van artikel 4.1 van de Wht komen alleen schulden die voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden in aanmerking voor compensatie. De hypotheekrenteschuld die opeisbaar is geworden in de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2022 komt daarmee niet in aanmerking voor compensatie. Over de periode van 16 april 2020 tot 1 juni 2021, een periode van 13,5 maanden, gaat het dan in totaal om een bedrag van € 10.379,34. Voor de helft van dit bedrag (€ 5.189,67) was eiseres aansprakelijk, ofwel jegens de bank, ofwel jegens [persoon A] uit hoofde van regres. Deze schuld was door eiseres, jegens de bank dan wel jegens [persoon A] op grond van regres, nog niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag werd gedaan. Pas bij de afwikkeling van de verdeling op 2 augustus 2023 heeft zij haar hypotheekrenteschuld afgelost. Verder is de schuld ontstaan na 31 december 2005 en was deze opeisbaar voor 1 juni 2021, zodat de schuld voldoet aan alle voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht. Omdat de afwikkeling van de verdeling, en daarmee ook de openstaande hypotheekrenteschuld van eiseres, op 2 augustus 2023 heeft plaatsgevonden en tussen partijen niet in geschil is dat eiseres voor die datum een bedrag op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen, moet de minister op grond van artikel 4.3 van de Wht eiseres compenseren voor de al betaalde schuld tot een bedrag van € 5.189,67. Voor zover de minister in beroep heeft bedoeld te betogen dat hoofdsommen van hypothecaire schulden in beginsel niet worden overgenomen, geldt dat in dit geval geen sprake is van een resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, maar van een opeisbaar geworden hypotheekrenteschuld.


7.2.
Over de schulden van [persoon A] , waarvoor eiseres voor de helft aansprakelijk was, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de bijlage bij de vaststellingsovereenkomst van 31 mei 2023, die is opgesteld door de betrokken echtscheidingsadvocaten, op 26 juli 2023 is bekrachtigd door de rechtbank en waaraan op 2 augustus 2023 uitvoering is gegeven door een notaris, volgt dat [persoon A] schulden had van in totaal € 32.500,-. Eiseres heeft diverse stukken overgelegd die betrekking hebben op de schulden van [persoon A] , zoals betalingsherinneringen, aanmaningen en betalingsbevelen. Gelet op het feit dat de vaststellingsovereenkomst door juridische professionals is opgesteld en uitgevoerd en gelet op de door eiseres overgelegde stukken acht de rechtbank aannemelijk dat de schulden zijn ontstaan na 31 december 2005 en dat zij opeisbaar waren voor 1 juni 2021. Dat betekent dat de schulden, voor zover eiseres daarvoor aansprakelijk was, in aanmerking komen voor overname op grond van artikel 4.1 van de Wht. Omdat de schulden op 2 augustus 2023 zijn betaald en tussen partijen niet in geschil is dat eiseres voor die datum een bedrag op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen, moet de minister eiseres compenseren tot een bedrag van € 16.250,- (de helft van € 32.500,-). Voor zover het privaatrechtelijke schulden betreft, vloeit die verplichting voort uit artikel 4.3 van de Wht. Voor zover het publiekrechtelijke schulden betreft, ziet de rechtbank aanleiding de hardheidsclausule toe te passen en in afwijking van artikel 3.13 van de Wht de minister ook te verplichten tot compensatie van de na 1 januari 2021 afgeloste publiekrechtelijke schulden. Als de minister het zorgvuldigheidsbeginsel niet had geschonden en eiseres adequater had geïnformeerd, had eiseres kunnen begrijpen dat zij waarschijnlijk aanspraak kon maken op kwijtschelding van de publiekrechtelijke schulden waar zij aansprakelijk voor was op grond van hoofdstuk 3 van de Wht. Er is sprake van een uitzonderlijke en complexe situatie, waarbij het handelen van de minister (althans SBN) ertoe heeft geleid dat eiseres – zonder toepassing van de hardheidsclausule – verstoken zou blijven van de compensatie waar zij anders hoogstwaarschijnlijk wel recht op zou hebben gehad. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank, ook gelet op het doel van de regeling, sprake van een onbillijkheid van overwegende aard die de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.



7.3.
Het voorgaande betekent dat de minister eiseres moet compenseren voor al betaalde schulden tot een bedrag van € 5.189,67 plus € 16.250,-, in totaal € 21.439,67.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak op de wijze zoals hiervoor onder de overwegingen 7. tot en met 7.3. vermeld.


8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een aanvullend beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De gemachtigde van eiseres heeft geen beroepschrift ingediend en geen proceshandelingen verricht in de bezwaarprocedure. Omdat de gemachtigde van eiseres zich pas later in de procedure heeft gesteld, na een brief van de rechtbank aan eiseres over de noodzaak van juridische bijstand, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb een procespunt toe te kennen voor het indienen van het aanvullende beroepschrift.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin is beslist over de schuld aan [persoon A] ;


herroept het besluit van 30 augustus 2023, voor zover daarin is beslist over de schuld aan [persoon A] ;


bepaalt dat de minister eiseres moet compenseren tot een bedrag van € 21.439,67;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;


bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoedt;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, voorzitter, en mr. S. Veling en mr. C.A. Hage, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.












griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Zie artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.


Zie artikel 4.3 van de Wht.


Artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.


Artikel 3:2 van de Awb en Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 5.


Artikel 8:41a van de Awb.


Vgl. CBb 20 juni 2000, ECLI:NL:CBB:2000:AA6348.


ABRvS 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3054.


Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.


Artikel 6:10 van het Burgerlijk Wetboek. Zie ook artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst van 31 mei 2023.


Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht.


Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
Link naar deze uitspraak