Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:2250 
 
Datum uitspraak:27-02-2026
Datum gepubliceerd:23-04-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/1728
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser op 17,5-jarige leeftijd bewust en zelfstandig de keuze heeft gemaakt om naar Nederland te komen. De uitkomst van het bestreden besluit (geen aanspraak op het eenmalig bedrag) is onder deze omstandigheden onredelijk bezwarend en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Beroep gegrond.
Trefwoorden:aow
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1728

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

en


de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, SVB
(gemachtigde: mr. G.E. Eind).


Samenvatting

1.

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in de vorm van een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (het Tijdelijk besluit). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op het eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2.

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een eenmalig bedrag voor ouderen van Surinaamse herkomst. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 23 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn vrouw, zoon en schoondochter, en de gemachtigde van de SVB.




Het bestreden besluit

3. Op grond van artikel 13, eerste lid van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft een groep ouderen van Surinaamse herkomst geen volledige AOW-uitkering opgebouwd, omdat de jaren waarin zij in Suriname woonden niet meetellen. Voor ieder gemist jaar wordt de AOW in hoofdregel met 2% gekort. Dit is als onrecht ervaren, omdat Suriname voor de onafhankelijkheid van 25 november 1975 onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden. De Centrale Raad van Beroep (de Raad), heeft geoordeeld dat belanghebbenden met juistheid niet als ingezetenen zijn aangemerkt voor de jaren dat zij in Suriname woonden. De AOW-opbouw van voormalig ingezetenen van Suriname is, omdat het wettelijk kader geen ruimte bood, destijds onder de aandacht van de wetgever gebracht. Het Tijdelijk besluit heeft onder meer als doel een gebaar van erkenning te maken naar een groep ouderen van Surinaamse herkomst met een groot en langlopend gevoel van onrechtvaardigheid. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, kan de belanghebbende aanspraak maken op een eenmalig bedrag van € 5.000,-.

4. In artikel 3 van het Tijdelijk besluit staat dat een persoon recht heeft op een eenmalig bedrag, indien deze:


uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;


voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;


ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en


op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.



5. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij 18 jaar of ouder was op het moment dat hij in Nederland kwam wonen. Eiser is op 22 augustus 1967 naar Nederland gekomen en was toen (ruim) 17 jaar oud. Het Tijdelijk besluit is tot stand gekomen na uitgebreid politiek debat, dat heeft geleid tot deze politiek-bestuurlijke keuze, zonder hardheidsclausule of coulanceregeling. De SVB zegt daarom geen rekening te kunnen houden met individuele omstandigheden. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor het eenmalig bedrag.



Beoordeling door de rechtbank

6. Niet in geschil is dat eiser bij zijn komst naar Nederland op 22 augustus 1967 nog geen 18 jaar oud was en daarmee niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 3, aanhef en onder c, van het Tijdelijk besluit.


Schending gelijkheidsbeginsel?

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het is volgens eiser onrechtvaardig dat hij omdat hij nog geen 18 jaar was toen hij naar Nederland kwam niet in aanmerking komt voor het eenmalig bedrag, terwijl zijn AOW op dezelfde wijze wordt gekort als mensen die wel 18 jaar of ouder waren toen ze naar Nederland kwamen.


7.1.
Dat de periode voordat eiser 18 jaar was wordt meegerekend bij de korting op zijn AOW, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze periode ook moet gelden voor de beoordeling van het Tijdelijk besluit. De AOW en het Tijdelijk besluit zijn twee compleet verschillende regelingen en er is daarmee geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden. De wetgever heeft erover nagedacht om te kiezen voor een regeling waarin binnen de AOW de nadelen voor ouderen van Surinaamse herkomst zouden worden gecompenseerd. Voor een dergelijke regeling is echter niet gekozen en daartoe bestond ook geen juridische verplichting. Daarbij volgt uit de Nota van Toelichting bij het Tijdelijk besluit dat het eenmalig bedrag nadrukkelijk niet een vorm van vereffening van het AOW-gat is, maar is bedoeld als een gebaar van erkenning.



7.2.
Eisers beroepsgrond slaagt niet.


Schending evenredigheidsbeginsel?

8. Eiser voert verder aan dat het gekozen leeftijdsvereiste een vorm is van leeftijdsdiscriminatie, omdat daarmee de groep van mensen die tussen de 15 en 18 jaar waren toen zij naar Nederland kwamen worden uitgesloten. De keuze voor de leeftijd van 18 jaar is volgens eiser subjectief, oneerlijk en onrechtvaardig. Eiser was 17,5 jaar oud toen hij in 1976, zonder ouders, naar Nederland kwam en hij heeft hier zelfstandig en bewust voor gekozen. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel. Hij vindt dat de voorwaarde van artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit in zijn geval (wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel) buiten toepassing moet worden gelaten, zodat hij in aanmerking kan komen voor de toekenning van het eenmalig bedrag.



8.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid dat is genomen op grond van een algemeen verbindend voorschrift. De rechtbank moet in dat kader terughoudend toetsen. Een algemeen verbindend voorschrift kan, ook wanneer het gaat om de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, buiten toepassing worden gelaten als toepassing van het wettelijk voorschrift in het concrete geval van de belanghebbende(n) niet rechtmatig is (de rechtstreekse toetsing). De rechtbank beoordeelt of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in dit geval voor eiser zozeer in strijd komt met hoger recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de uitkomst (‘onder de streep’) van het bestreden besluit door bijzondere omstandigheden tot een onevenredige uitkomst leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (onevenredigheid ‘stricto sensu’). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. Daarbij ligt het op de weg van eiser om gemotiveerd aan te voeren dat toepassing het leeftijdscriterium in zijn geval zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dat toepassing ervan achterwege moet blijven.



8.2.
Uit de Nota van Toelichting bij het Tijdelijk besluit blijkt dat doelbewust voor de leeftijd van 18 jaar of ouder is gekozen, omdat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest en dat bij deze leeftijd ervan uit kan worden gegaan dat iemand een welbewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Uit de Nota van Toelichting volgt dat naar hedendaags begrip iemand vanaf de leeftijd van 18 jaar meerderjarig is. Deze leeftijd sluit aan bij de Toescheidingsovereenkomst, waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken. In het commissiedebat van 29 juni 2023 heeft de minister toegelicht dat de leeftijdsgrens voor meerderjarigheid destijds 21 jaar was, maar dat naar huidige maatstaven een 18-jarige een bewuste keuze kan maken voor de zaken die zijn leven betreffen en waar hij mee te maken krijgt. Met 18 jaar is iemand handelingsbevoegd om zelfstandig de keuze te kunnen maken om zich in Nederland te vestigen.



8.3.
Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij al op jonge leeftijd ingenieur wilde worden, maar dat hij dit doel alleen kon behalen als hij naar Nederland kwam. In Suriname was er namelijk geen hogere technische opleiding. Eiser zag Nederland als het land waar zijn toekomst lag. Eiser heeft gelet op deze wens zelf de beslissing genomen om naar Nederland te komen en heeft zijn komst naar Nederland zelf voorbereid zodat hij zich als 17-jarige in Nederland kon redden. Hij heeft zichzelf in Nederland ingeschreven bij zijn school, bij het stadhuis, heeft voor tijdelijke huisvestiging gezorgd, en hij heeft zelfstandig een rekening geopend. Volgens eiser heeft hij bewust gekozen voor een leven in Nederland en heeft hij sinds zijn komst ononderbroken in Nederland gewoond. Eiser heeft jarenlang gewerkt voor de Rijksoverheid en heeft daarmee een bijdrage aan Nederland geleverd. Hij is altijd staatsburger van Nederland geweest en heeft zich ook altijd zo gevoeld.



8.4.
De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser bewust en zelfstandig de keuze heeft gemaakt om zich in Nederland te vestigen. Eiser heeft dit uitvoerig bepleit en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan dit betoog te twijfelen. De SVB heeft dit relaas van eiser ter zitting ook niet weersproken. De rechtbank oordeelt dat de uitkomst van het bestreden besluit (geen aanspraak op het eenmalig bedrag) onder deze omstandigheden van eiser onredelijk bezwarend zijn en daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft als 17,5 jarige gehandeld als iemand die naar huidige maatstaven bij uitstek een bewuste keuze heeft gemaakt voor de zaken die zijn leven betreffen (een opleiding volgen op een opleidingsniveau wat in Suriname op dat moment niet mogelijk was).



8.5.
Eiser heeft er daarbij niet ten onterechte op gewezen dat het leeftijdscriterium in de Toescheidingsovereenkomst van 18 jaar werd gehanteerd om de nationaliteit van burgers te bepalen. Het strikt vasthouden aan deze grens van 18 jaar is daarom in deze zaak – over een eenmalig bedrag ter compensatie van gevoeld onrecht – ook niet van doorslaggevend belang om te rechtvaardigen dat geen eenmalig bedrag wordt toegekend omdat niet is voldaan aan het leeftijdscriterium van artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit.



8.6.
Verder begrijpt de rechtbank de stelling van de SVB dat het vasthouden aan de strikte criteria voor de uitvoering van de Tijdelijke regeling makkelijk is. Maar gelet op de geringe aantallen zaken waarin de evenredigheid van artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit een rol speelt, kan ook dit geen doorslaggevend argument zijn om anders te oordelen. Naast bijna 25.000 toekenningen van het eenmalig bedrag, heeft de SVB 973 keer een afwijzende beslissing genomen op basis van het Tijdelijk besluit. Onduidelijk is hoeveel beslissingen hiervan zijn afgeketst op het leeftijdscriterium, omdat de aanvrager nog net geen 18 jaar was en stelt wel een zelfstandige keuze voor Nederland te hebben gemaakt. De uitvoerbaarheid kan, hoewel niet irrelevant, zeker gelet op deze relatief beperkte aantallen niet leidend zijn.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

10. Nu niet in geschil is dat eiser aan de overige voorwaarden uit het Tijdelijk besluit voldoet, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de SVB aan eiser het eenmalig bedrag van € 5.000,- op grond van het Tijdelijk besluit toekent. De rechtbank bepaalt verder dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit.

11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat de SVB aan eiser het eenmalig bedrag van € 5.000,- toekent;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt de SVB op om het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1965.


Staatsblad 2023, 386.


Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6733 en de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het CBb) van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.


Zie de uitspraken van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2 en van de Raad van 9 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:67, r.o. 4.4.


Zie ook r.o. 6.3 van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17397.


Staatsblad 2023, 386, p. 9.


Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 20 361, nr. 220.
Link naar deze uitspraak