Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:286 
 
Datum uitspraak:06-01-2026
Datum gepubliceerd:15-01-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/800
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Wet WIA. De eindconclusie van het UWV Werkbedrijf dat het voor eiseres vanwege haar psychische en fysieke beperkingen niet mogelijk is om verder te werken aan haar doelen van het Werkfit-traject, werkt niet door in deze beroepsprocedure. De rechtbank kan de stelling van eiseres dat zij (tijdelijk) geen benutbare mogelijkheden heeft niet volgen. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid per de datum in geding terecht vastgesteld op 52,5%. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/800

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Hellevoetsluis, eiseres
(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).




Procesverloop


1.1.
Eiseres heeft op 13 december 2023 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.



1.2.
Met het besluit van 22 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV met ingang van 21 maart 2024 (de datum in geding) een WGA-vervolguitkering aan eiseres toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 51,25%. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.



1.3.
Met het besluit van 12 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd van 51,25% naar 52,5%.



1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft het UWV enkele ontbrekende dossierstukken overgelegd.



1.6.
Eiseres heeft een nader medisch stuk ingediend.



1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van een vriend, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.




Totstandkoming van het bestreden besluit

2.

2.1.
Eiseres heeft zich op 5 februari 2020 ziek gemeld voor haar werk als verkoopmedewerker vanwege gezondheidsklachten. Zij ontving van 24 juni 2020 tot en met 4 maart 2021 een Ziektewet-uitkering. Met ingang van 5 maart 2021 ontving eiseres een WW-uitkering.



2.2.
Eiseres heeft zich op 24 maart 2022 opnieuw ziek gemeld, terwijl zij een WW-uitkering ontving. Op 13 december 2023 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Op 20 maart 2024 is het einde van de wachttijd bereikt.



2.3.
In het kader van de WIA-beoordeling per einde wachttijd heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De arts, van wie het oordeel is getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, heeft eiseres op 24 januari 2024 op het spreekuur gezien en op 1 februari 2024 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 24 januari 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 22 mei 2024, met inachtneming van de beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat eiseres niet geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel geschikt is voor de functies Archiefmedewerker (SBC-code 315132), Medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 110010). Aanvullend wordt eiseres geschikt geacht voor de functies Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en Schoonmaker interieur autobussen, treinen, trams, metro (SBC-code 111335). Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 51,25% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Hierna heeft het UWV het primaire besluit genomen, waarin is bepaald dat eiseres per 21 maart 2024 recht heeft op een WGA-vervolguitkering.



2.4.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 19 november 2024 geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van de door de primaire arts aangegeven beperkingen in de FML van 1 februari 2024.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 5 december 2024 geconcludeerd dat de functie Archiefmedewerker moet worden verworpen, omdat binnen deze functie meer dan 20 uur per week moet worden gewerkt en de belastbaarheid van eiseres op dit punt wordt overschreden. Binnen dezelfde SBC-code heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen andere passende functie kunnen vinden. Op basis van de in bezwaar geduide functies Productiemedewerker industrie, Medewerker postverzorging en Medewerker tuinbouw heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 52,5%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.





Standpunt eiseres

3. In beroep voert eiseres – kort samengevat – aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is op medische gronden, omdat sprake is van tijdelijke geen benutbare mogelijkheden. Volgens eiseres is sprake van een situatie van onvermogen tot het persoonlijk en sociaal functioneren op basis van een ernstige psychiatrische aandoening en/of sprake is van een situatie van wisselende mogelijkheden waarbij periodiek langere tijd sprake is van een situatie waarin zij niet of nauwelijks zelfredzaam is. Om die reden had geen FML opgesteld moeten worden. Eiseres verwijst daarbij naar wat vermeld is in de rapportage van 31 januari 2024 van de primaire arts en de brief van de psycholoog/behandelaar van Mentaalvrij van 22 januari 2024. Als gevolg van haar psychisch functioneren kampt eiseres met paniekaanvallen, overbelasting en crisisgevoeligheid. Ook ervaart eiseres lichamelijke klachten. Eiseres is niet in staat om te werken. Daarnaast heeft het UWV Werkbedrijf geconcludeerd dat het voor eiseres vanwege haar psychische en fysieke beperkingen niet mogelijk is om verder te werken aan haar doelen van het Werkfit-traject. Vanwege haar klachten is eiseres doorverwezen naar specialistische hulp bij Antes, waar zij nog steeds op de wachtlijst staat. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij inmiddels een intakegesprek bij Antes heeft gehad en, om haar angsten te reguleren, daar wekelijks een gesprek heeft. Zij staat op de wachtlijst voor verdere behandeling. Op de zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet blijkt of en, zo ja, hoe rekening is gehouden met het bij haar vastgestelde syndroom van Tietze. Ook heeft eiseres naar voren gebracht dat de functie Medewerker tuinbouw de belastbaarheid van eiseres op het item ‘staan’ mogelijk overschrijdt en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hierover had moeten overleggen met de verzekeringsarts bezwaar en beroep.




Toetsingskader

4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.




Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 21 maart 2024 (de datum in geding) terecht heeft vastgesteld op 52,5%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is de geduide functies te verrichten.


Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek


6. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de bestudering van de dossiergegevens, een anamnese, een gericht psychisch en lichamelijk onderzoek uitgevoerd door de primaire arts, informatie verkregen van de behandelend sector en de hoorzitting op 13 november 2024 waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.


Medische beoordeling


7. Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Voor de beoordeling of iemand volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt is moet (onder andere) worden gekeken naar de artikelen 4, 5 en 6 van de Wet WIA en het bepaalde in artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). De vaststelling of iemand volledig arbeidsongeschikt is kan, afhankelijk van de situatie, twee grondslagen hebben: alleen op verzekeringsgeneeskundige gronden (geen benutbare mogelijkheden) of op verzekeringsgeneeskundige én arbeidsdeskundige gronden (rekening houdend met beperkingen een loonverlies van 80% of meer). In de rapportage van 19 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, net als de primaire arts in de rapportage van 31 januari 2024, gemotiveerd toegelicht dat bij eiseres op de datum in geding niet gesproken kan worden van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’. De criteria voor het aannemen van ‘geen benutbare mogelijkheden’, zoals genoemd in artikel 2 van het Schattingsbesluit, zijn: bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid, opname in een ziekenhuis of erkende zorginstelling, een terminale situatie, onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening, wisselende mogelijkheden waarbij periodiek langere tijd sprake is van een situatie waarin belanghebbende niet of nauwelijks zelfredzaam is of verlies aan mogelijkheden waardoor zij binnen drie maanden de zelfredzaamheid zal verliezen.
Zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de primaire arts hebben toegelicht dat van (tijdelijk) geen benutbare mogelijkheden bij eiseres geen sprake is. Meer specifiek heeft de primaire arts in de rapportage van 31 januari 2024 toegelicht dat eiseres weliswaar veel ingrijpende levensgebeurtenissen heeft meegemaakt en zij beperkt zelfredzaam moet worden geacht in stressvolle situaties, maar dat zij daarentegen nog wel zelfstandig boodschappen kan doen en zelfstandig overige algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) kan uitvoeren, waardoor zij niet volledig ADL-afhankelijk wordt geacht. Uit de rapportage van de primaire arts volgt ook dat de brief van de behandelend psycholoog van eiseres van 22 januari 2024 is meegewogen in de medische beoordeling. De primaire arts heeft opgemerkt dat de behandelend psycholoog de mentale staat van eiseres als ‘erg fragiel’ beschouwt, wat de primaire arts gelet op de eigen anamnese en het eigen psychische onderzoek begrijpelijk vindt. De psycholoog heeft ook aangegeven dat eiseres nog niet klaar is om te werken. Anders dan de psycholoog, ziet de primaire arts op dit punt geen disfunctioneren op persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychische stoornis. Hiervoor refereert de primaire arts aan het spreekuur dat hij met eiseres heeft gehad, waarbij eiseres – vanwege haar angst voor mannen – schrok toen zij hem zag, maar vervolgens wel het gesprek kon voortzetten. Dit laat volgens de primaire arts zien dat bij eiseres niet alle angsten blijven escaleren, des te meer nu zij het gesprek ook spannend vond. Daarnaast benoemt de primaire arts dat er geen sprake is van aanmerkelijk wisselende mogelijkheden, ook bestaat niet de verwachting dat binnen drie maanden verlies van mogelijkheden ontstaat en is tevens geen sprake van een ernstige ziekte met infauste prognose. De primaire arts verwacht verbetering in het eerstvolgende jaar na de datum in geding, omdat eiseres op de wachtlijst staat voor behandeling bij Antes en zij de EMDR-therapie nog kan afmaken. Daarbij benoemt de primaire arts nog dat exposure therapie zou kunnen bijdragen aan het verminderen van de angsten die eiseres heeft en therapie gericht op copingstijlen en probleemoplossend vermogen mogelijk ook zouden kunnen bijdragen aan verbetering van de klachten. Op basis van het voorgaande stelt de primaire arts dat er geen omstandigheden zijn waardoor afgezien moet worden van een arbeidsdeskundig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep sluit zich aan bij het oordeel van de primaire arts en voegt daaraan toe dat de primaire arts al een breed scala aan psychische beperkingen heeft opgenomen in de FML van 1 februari 2024 en daarbij reeds een urenbeperking heeft aangenomen tot ongeveer vier uur per dag en ongeveer 20 uur per week, waardoor de psychische klachten van eiseres voldoende worden ondervangen.
Daarnaast valt in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 november 2024 onder “7. Onderzoeksgegevens: Gegevens verkregen tijdens bezwaarprocedure” terug te lezen dat in de medische bezwaargronden van 7 juni 2024 is opgenomen: “Op 26-5-2024 is zij op de spoedeisende hulp gekomen vanwege pijn onder haar borst, bleek het syndroom van Tietze te zijn als gevolg van stress. (…) Gevraagd wordt om contact met haar huisarts op te nemen.” Hoewel deze situatie zich heeft voorgedaan na de datum in geding, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het overzicht van het huisartsenjournaal van 1 november 2024, dat door eiseres is ingebracht, bestudeerd en daaruit geconcludeerd dat het huisartsenjournaal geen nieuwe medische informatie bevat ten opzichte van het oordeel van de primaire arts en dat dit geen aanleiding geeft tot verdergaande beperkingen. De rechtbank concludeert dan ook dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze medische informatie en dus ook het syndroom van Tietze heeft meegewogen in zijn beoordeling.

8. De eindconclusie van het UWV Werkbedrijf dat het voor eiseres vanwege haar psychische en fysieke beperkingen niet mogelijk is om verder te werken aan haar doelen van het Werkfit-traject, werkt niet door in deze beroepsprocedure. De beoordeling in het kader van het UWV Werkbedrijf is namelijk een andere beoordeling dan de WIA-beoordeling. Bij de beoordeling in het kader van het UWV Werkbedrijf wordt vooral gekeken naar de (on)mogelijkheden voor het terugkeren op de arbeidsmarkt, waarbij meer dan enkel medische aspecten een rol spelen. Bij de WIA-beoordeling gaat het juist om een theoretische arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, welke beoordeling weer niets zegt over het al dan niet daadwerkelijk aan het werk gaan.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, hebben de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk en afdoende rekening gehouden met de medisch geobjectiveerde beperkingen van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat eiseres op 21 maart 2024 meer beperkingen had dan reeds is opgenomen in de FML. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de beperkingen in de FML van 1 februari 2024 juist zijn vastgesteld.


Arbeidsdeskundige beoordeling


10. Ten aanzien van wat tijdens de zitting is aangevoerd over de functie Medewerker tuinbouw, overweegt de rechtbank dat het ‘staan’ binnen deze functie (dagelijks ongeveer drie uur, waarvan tijdens drie werkuren twee keer ongeveer 30 minuten achtereenvolgend) binnen de belastbaarheid van eiseres (ongeveer vier uur per dag, waarvan ongeveer 30 minuten achtereenvolgend) valt. De gemachtigde van het UWV heeft hier tijdens de zitting ook op gewezen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft kennelijk om die reden ook geen aanleiding gezien tot overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze functie niet passend zou zijn voor eiseres.

11. Gelet op het voorgaande, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden en beperkingen van eiseres uit de FML overschrijdt.

12. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 52,5%.




Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.



De rechter is verhinderd


de uitspraak te ondertekenen.











griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

















Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.



WIA staat voor Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.


WGA staat voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.


WW staat voor Werkloosheidswet.


ADL staat voor Algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Link naar deze uitspraak