Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:3009 
 
Datum uitspraak:17-02-2026
Datum gepubliceerd:09-04-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:11861799 VZ VERZ 25-5867
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Verzoek billijke vergoeding ogv 7:682 lid 1 sub c BW afgewezen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
uitkering
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11861799 VZ VERZ 25-5867

datum uitspraak: 17 februari 2026


Beschikking van de kantonrechter


in de zaak van



[verzoekster]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. J. Marges,

tegen


NN Personeel B.V.,

vestigingsplaats: Den Haag,
verweerster,
gemachtigde: mr. M. van der Breggen.

De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘NN’ genoemd.




1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


het verzoekschrift (ontvangen op 29 augustus 2025), met bijlagen;


het verweerschrift, met bijlagen;


de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen;


de akte van NN.





1.2.
Op 13 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. [verzoekster] en haar gemachtigde waren aanwezig. Namens NN waren [persoon A] en [persoon B] aanwezig met de gemachtigde. NN heeft daarna nog een schriftelijke reactie gegeven op de berekening van de billijke vergoeding door [verzoekster] .





2De beoordeling


De zaak in het kort


2.1.

[verzoekster] (geboren 19 februari 1974) werkte sinds 1 juli 1998 bij (de rechtsvoorganger van) NN in de functie van acceptant AOV. Op 6 juli 2021 is [verzoekster] ziek uitgevallen. Op 1 juli 2023 is zij volledig hersteld gemeld, maar op 27 juli 2023 heeft zij zich opnieuw ziekgemeld. Met ingang van 21 juni 2024 krijgt [verzoekster] een WIA-uitkering. Op 27 maart 2025 heeft NN de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV opgezegd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd per 1 juli 2025. [verzoekster] heeft een transitievergoeding ontvangen van € 50.851,35 bruto.



2.2.

[verzoekster] is van mening dat NN ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst is daarvan het gevolg geweest. Zij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding.



2.3.
NN is het niet eens met [verzoekster] en vindt dat het verzoek moet worden afgewezen.



2.4.

[verzoekster] krijgt geen gelijk. Hierna wordt dit toegelicht.


Juridische maatstaf



2.5.
Het verzoek van [verzoekster] is gebaseerd op artikel 7:682 lid 1 sub c Burgerlijk Wetboek (BW). Hierin staat dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV aan de werknemer, ten laste van de werkgever, een billijke vergoeding kan toekennen als de opzegging wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.



2.6.
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten doet zich alleen in uitzonderlijke gevallen voor (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 40). Het ernstige verwijt dat de werkgever te maken valt kan betrekking hebben op het ontstaan en/of het voortbestaan van de ziekte, maar kan ook aan de orde zijn als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd. De werknemer moet aantonen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst direct voortvloeit uit dit verwijtbare gedrag van de werkgever.


De re-integratie



2.7.
Het standpunt van [verzoekster] komt er samengevat op neer dat zij vindt dat NN ernstig verwijtbaar heeft gehandeld omdat NN onvoldoende heeft gedaan om haar in passende arbeid bij NN te laten terugkeren. In het re-integratietraject heeft NN grote steken laten vallen, aldus [verzoekster] . De re-integratie is gericht geweest op terugkeer in de eigen functie maar dit was voor [verzoekster] niet haalbaar. NN had voor haar een andere passende functie binnen NN moeten zoeken en als die er niet was, wat [verzoekster] bestrijdt, dan had een passende functie gecreëerd moeten worden. Uit de stellingen van [verzoekster] leidt de kantonrechter af dat de verwijten van [verzoekster] de hele re-integratieperiode beslaan. Daarom wordt hierna het verloop van de gebeurtenissen vanaf de eerste ziektedag tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst, voor zover relevant voor de beoordeling, weergegeven.



2.8.
Wat betreft het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid valt met name op dat de bedrijfsarts in januari 2022 opmerkt dat terugkeer in het eigen team het herstel van [verzoekster] niet zal bevorderen. Dat heeft te maken met een conflict tussen [verzoekster] en haar toenmalige leidinggevende. NN heeft [verzoekster] daarom naar het team ‘bestaande klanten’ overgeplaatst waar mevrouw [persoon B] de leiding heeft en de werkdruk lager zou zijn.



2.9.
Op 4 juli 2022 komt er een arbeidsdeskundige rapportage die, in opdracht van NN, is uitgevoerd door Kikame (bijlage 3 verzoekschrift). De arbeidsdeskundige concludeert dat het werk in volle omvang passend is en dat [verzoekster] kan hervatten in de eigen functie in een nog nader overeen te komen takenpakket op de afdeling bestaande klanten. De arbeidsdeskundige verwacht dat [verzoekster] medio augustus ‘weer 100% aan de slag zal zijn in passende arbeid; de eigen functie’. [verzoekster] is erop gewezen dat zij een deskundigenoordeel bij het UWV kan aanvragen als zij het hiermee niet eens is. Dat heeft zij niet gedaan.



2.10.
Per 1 juli 2023, bijna twee jaar na de eerste ziektedag, wordt [verzoekster] hersteld gemeld. De hersteldmelding volgt op het oordeel van de arbeidsdeskundige van het UWV van 14 juni 2023 in het kader van de WIA-aanvraag van [verzoekster] . De arbeidsdeskundige heeft beoordeeld of het re-integratietraject na 104 weken arbeidsongeschiktheid naar behoren is afgerond en komt tot de conclusie dat NN niet genoeg heeft gedaan om de werknemer te re-integreren. De arbeidsdeskundige van het UWV verwijst naar het eerdere oordeel van de arbeidsdeskundige van Kikame en merkt op dat de activiteiten nadien abusievelijk zijn voorgezet als re-integratiewerkzaamheden. Werknemer had volledig moeten worden herplaatst in het eigen werk. NN heeft een loondoorbetalingsverplichting opgelegd gekregen. Deze tekortkoming, zoals het UWV het noemt, kan door NN worden gerepareerd door [verzoekster] hersteld te melden. Dit heeft NN vervolgens gedaan. De aanvraag van de WIA-uitkering door [verzoekster] is geweigerd.



2.11.
Partijen zijn daarna in gesprek gegaan omdat [verzoekster] zich niet kan vinden in de hersteldmelding. Zij is van mening dat zij niet volledig arbeidsgeschikt is. Op 27 juli 2023 meldt zij zich opnieuw ziek.



2.12.
De bedrijfsarts oordeelt op 8 augustus 2023 (bijlage 17 verweerschrift) dat [verzoekster] een terugslag heeft gehad en dat haar klachten daardoor zijn toegenomen. De week erna zal worden gestart met re-integratiewerkzaamheden. Vanwege privéomstandigheden valt [verzoekster] in oktober 2023 een tijdje helemaal uit. Uit een rapportage van de bedrijfsarts van 14 februari 2024 (bijlage 18 verweerschrift) volgt dat [verzoekster] op dat moment vijf uur per dag eenvoudige werkzaamheden doet (bijlage 18 verweerschrift). De bedrijfsarts adviseert [verzoekster] dan een WIA-uitkering aan te vragen. [verzoekster] volgt dit advies op. In een besluit van 17 oktober 2024 van het UWV is aan [verzoekster] met ingang van 21 juni 2024 een WIA-uitkering (loongerelateerde uitkering) toegekend.



2.13.
Na de toekenning van de uitkering heeft NN aan [verzoekster] een vaststellingsovereenkomst aangeboden om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen. Partijen zijn het hierover niet eens geworden. NN heeft vervolgens een verzoek tot toestemming opzegging van de arbeidsovereenkomst ingediend bij het UWV. Het UWV heeft de toestemming op 20 maart 2025 gegeven. De arbeidsovereenkomst is opgezegd per 1 juli 2025.


Conclusie: geen (ernstig) verwijtbaar handelen NN



2.14.
Op basis van wat hiervoor uiteen is gezet concludeert de kantonrechter dat het standpunt van [verzoekster] geen steun vindt in de overgelegde rapporten, beoordelingen en adviezen. Uit deze stukken volgt dat de re-integratie inderdaad gericht is geweest op volledige terugkeer in de eigen functie. NN heeft onweersproken aangevoerd dat zij daarbij steeds de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd. Ook wat betreft de hersteldmelding van 1 juli 2023 geldt dat NN het oordeel van de arbeidsdeskundige van het UWV heeft gevolgd. [verzoekster] zou al een jaar volledig geschikt zijn haar eigen werk te doen. Het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen betekent in dit geval dus niet dat werkgever te weinig heeft gedaan om werknemer te re-integreren, maar dat NN [verzoekster] had moeten laten terugkeren in het eigen werk. Dat was nu juist niet wat [verzoekster] wilde of waarvan zij zelf vond dat zij dat (nog) niet aankon.



2.15.

[verzoekster] heeft niet concreet gemaakt op basis waarvan NN haar een andere passende functie (dus een andere dan haar eigen functie) had moeten aanbieden. Desondanks heeft NN wel oog gehad en open gestaan voor de (eventuele) wensen van [verzoekster] . In het gespreksverslag van het gesprek op 25 juli 2023 (bijlage 15 verweerschrift) is bijvoorbeeld te lezen: “als je huidige functie niet echt is wat je wil dan kunnen we de acties om je zelfstandigheid terug te krijgen in deze functie achterwege laten en ons gaan richten op het vinden van een andere passende functie die aansluit bij wat je wil. We hebben dit al eerder besproken en in dat kader loopbaancoaching aangeboden. Dit heb je eerder zelf ‘on hold’ gezet omdat je wilde focussen op werkhervatting in je eigen functie. Dat kan, maar het inzetten van een coach is nog steeds mogelijk.” Er blijkt niet dat [verzoekster] het met de inhoud van dit verslag niet eens was. [verzoekster] heeft verder ook niet weersproken dat NN meerdere keren professionele begeleiding door een coach heeft aangeboden en dat zij daar gebruik van heeft gemaakt. Waarom een en ander niet tot resultaten heeft geleid, in die zin dat [verzoekster] een andere functie bij NN heeft gevonden, is niet duidelijk geworden maar er blijkt niet dat NN op dat punt een verwijt kan worden gemaakt. [verzoekster] heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat ze meer begeleiding van NN had verwacht, maar dat standpunt kan de kantonrechter gelet op het voorgaande niet volgen. Bovendien had [verzoekster] de beschikking over een re-integratiebegeleider. [verzoekster] heeft niet toegelicht wat zij redelijkerwijs nog meer van NN mocht verwachten.



2.16.
Verder is van belang dat [verzoekster] tijdens de hiervoor beschreven periode nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de oordelen van de bedrijfsarts. Zij heeft dat in elk geval niet laten zien. Evenmin heeft zij op een deskundigenoordeel aangevraagd.



2.17.
Voor zover [verzoekster] in het kader van het ernstig verwijtbaar handelen ook doelt op het niet voldoen aan de herplaatsingsplicht (artikel 7:669 lid 1 BW) door NN overweegt de kantonrechter dat uit de beslissing van het UWV van 20 maart 2025 volgt dat er toen geen passende vacatures waren. Dat werd door [verzoekster] ook erkend. Dat dit toch anders was, heeft [verzoekster] niet aangetoond. Uit de twee vacatures die zij heeft overgelegd volgt dit in elk geval niet. Het is niet duidelijk van wanneer die vacatures zijn. Evenmin is toegelicht waarom deze vacatures passend zouden zijn.



2.18.
De slotsom is dat geen sprake is van verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar, handelen door NN. Het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen.



[verzoekster] moet de proceskosten betalen



2.19.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoekster] aan NN moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.


Uitvoerbaar bij voorraad



2.20.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing

De kantonrechter:


3.1.
wijst het verzoek van [verzoekster] af;



3.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die aan de kant van NN worden begroot op € 1.009,-;



3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
540
Link naar deze uitspraak