Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:3655 
 
Datum uitspraak:03-04-2026
Datum gepubliceerd:07-04-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 24/6562
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:Boete opgelegd aan slachthuis voor bevindingen bij cameratoezicht. Verweerder mag de camerabeelden gebruiken voor handhaving en de beelden zijn ook van voldoende kwaliteit om de handhaving op te kunnen baseren. terecht is vastgesteld dat een medewerker een kuiken heeft geschopt. De boete is terecht opgelegd maar wordt wel gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
pluimvee
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/6562

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen


[eiseres]., te [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluyter),

en


de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500,- die verweerder met het besluit van 29 maart 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder voor de overtreding terecht een boete heeft opgelegd, maar dat het beroep gegrond is omdat de boete moet worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.





Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.


2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (technisch manager bij eiseres), de gemachtigde van verweerder, [naam] (toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en [naam] (toezichthouder bij de NVWA).



2.4.
Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en eiseres gelegenheid gegeven om een nader stuk over een overleg tussen NEPLUVI en de NVWA te overleggen. Verweerder is de gelegenheid geboden om een reactie te geven op dit stuk en een eerder door eiseres ingebracht stuk over een nulmeting. Eiseres heeft op 29 december 2025 het stuk overgelegd. Verweerder heeft op 22 januari 2026 een reactie gegeven. Met instemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek op 4 maart 2026 gesloten.





Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 9 februari 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA.
De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.
“Datum en tijdstip van de bevinding(en): 1 februari 2024, omstreeks 11:00 uur.

Ik heb in het bedrijf aangesproken en heb mij gelegitimeerd aan [naam], functie: Chef APK, en Poultry Welfare officer.

Ik, toezichthouder met nummer 0130041, bevond mij op 1 februari 2024 in een kantoorruimte bij [eiseres] te [plaats] waar ik een systeeminspectie cameratoezicht uitvoerde. Ik kon zelf beelden uitkijken onder toezicht van [Chef APK] op een computer van het bedrijf welke hiervoor beschikbaar was gesteld.


Ik was de opgenomen camerabeelden "kantelaar" van 19-01-2024 omstreeks 08:19 uur aan het bekijken. Ik kon de situatie goed zien, het beeld was scherp en helder, de situatie was goed in beeld. Ik zag om 08:19 uur een container met een nieuw koppel pluimvee bij de kantelaar aankomen. Dit was koppel nummer 4 en dat zag ik op het bordje dat aan de container hing. Vervolgens werd deze container gekanteld op de kantelband en zag ik dat er 1 kuiken op de klep van de container bleef zitten. De container verplaatste vervolgens op de

baan richting de voorwasser en het kuiken kwam terecht op de onderste lamel van de kantelaar.


Toen de controleur kwam aanlopen, zag hij het kuiken op de onderste lamel zitten, en gaf hij een schop met zijn rechtervoet tegen het kuiken. Het kuiken viel daardoor op de kantelband.


Het is te zien op camerabeelden dat het slachthuispersoneel het dier heeft geschopt.


Ik, toezichthouder met toezichthouder 35503, heb op 9 februari 2024 de bovengenoemde beelden bekeken en beoordeeld, en heb bovenstaande bevindingen van mijn collega met toezichthoudernummer 0130041 ook gezien op de betreffende camerabeelden.

Hieruit bleek dat werd gehandeld in strijd met van Verordening (EG) nr. 1099/2009:


Artikel 15, eerste lid, bijlage III, hoofdstuk I, punt 1.8 onder a, het is verboden de dieren te slaan of te schoppen.”



3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, omdat een kuiken werd geschopt.”
Volgens verweerder heeft eiseres hiermee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 15, eerste lid, en Bijlage III, punt 1.8, onder a, van Verordening 1099/2009. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500,-.





Beoordeling door de rechtbank


Mogen de camerabeelden worden gebruikt als bewijs?


4. Eiseres voert aan dat er geen wettelijke basis is voor cameratoezicht. Eiseres is eigenaar van het beeldmateriaal dat zij zelf gebruikt voor monitoring van medewerkers en voor kwaliteitsborging. Het is niet de bedoeling dat dit een extra middel geeft om toezichthoudende bevoegdheden uit te oefenen. Zonder de vrijwillige cameracontrole zouden overtredingen niet zijn vastgesteld en beboet en dat maakt dat geen sprake is van gelijkwaardig en rechtvaardig toezicht op alle slachterijen. Door de camera’s vindt extra toezicht en opsporing plaats die niet is gebaseerd op uniform toezicht zoals de NVWA nastreeft. Ook voert eiseres aan dat de camera’s niet zijn gekalibreerd, zodat de snelheid en kracht van een handeling niet goed is vast te stellen. Ook daarom kunnen de beelden niet dienen als bewijs. Zij verwijst daarbij naar een e-mail van de NVWA waarin staat dat er een nulmeting voor cameratoezicht bij eiseres zal worden uitgevoerd waaruit eiseres afleidt dat ook verweerder de camerabeelden onvoldoende vindt. Ook wijst eiseres op een verslag van een overleg tussen de NVWA en NEPLUVI waar over de nulmeting is gesproken. In dit verslag staat ook dat de inspectieresultaten bij cameratoezicht aanzienlijke variatie vertonen afhankelijk van de inspecteur. Dit maakt dat geen sprake is geweest van een gelijk speelveld, aldus eiseres.


4.1.
Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar brieven over cameratoezicht die naar alle slachthuizen zijn gestuurd. Daarin staat dat de NVWA sinds 2017 ter uitwerking van een verzoek van de Tweede Kamer werkt aan cameratoezicht in alle slachthuizen, in overleg met brancheorganisaties zoals NEPLUVI, waarbij de inzet is om op basis van vrijwillige medewerking van de sector te komen tot invoering van cameratoezicht als ondersteuning van het toezicht van de NVWA. Eiseres heeft ter zitting erkend dat dit cameratoezicht ook bij haar sinds twee jaar plaatsvindt. Het is juist dat de camera’s en camerabeelden eigendom zijn van eiseres. Verweerder heeft toegelicht dat met de brancheorganisaties is afgesproken dat de beelden eigendom zijn van de slachterij en de slachterij niet verlaten. Dat de beelden eigendom zijn van eiseres betekent echter niet dat de NVWA de beelden in het kader van toezicht niet zou mogen bekijken en daarop zou mogen handhaven. In een brief van 21 augustus 2020 die naar alle slachthuizen is gestuurd staat onder meer het volgende:
“Bij bedrijven met een slachtvolume groter dan gemiddeld 10 GVE per week, ondersteunt cameratoezicht het slachthuis en de NVWA bij toezicht op dierenwelzijn. Cameratoezicht brengt alle handelingen met levende dieren in beeld. De bedrijfsbeheerder en de officiële dierenarts (OD) kunnen u om inzage in de beelden vragen, om die in hun toezicht te betrekken. Daarnaast bezoeken officiële assistenten (DA NVWA) periodiek de slachthuizen voor camera-inspecties. Het gaat om inspecteurs in dienst van de NVWA. In beginsel bezoeken zij de slachthuizen met permanent toezicht twee keer per maand, de middelgrote slachthuizen 1 keer per maand. Zij vragen daarbij inzage in beelden. Cameratoezicht werkt met de reguliere wet- en regelgeving rond dierenwelzijn. Camerabeelden kunnen dan ook de basis zijn voor het nemen van maatregelen conform het reguliere interventiebeleid. Waar nodig zullen de OD of OA afschrift van de relevante beelden opvragen.”
Het meewerken aan cameratoezicht omvat dus ook het verschaffen van inzage in de eigen camerabeelden. Voorts blijkt uit de brieven ook duidelijk dat de camerabeelden kunnen worden gebruikt voor interventies. Niet valt in te zien dat dit voor eiseres niet duidelijk zou zijn geweest. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de Wet dieren noch Verordening 2017/625 de mogelijkheid van deze vorm van toezicht op het dierenwelzijn uitsluiten.



4.2.
Voorts ziet de rechtbank in de door eiseres overgelegde stukken over een uit te voeren nulmeting evenmin grond om te oordelen dat de camerabeelden niet voor handhaving mochten worden gebruikt. In het verslag van het overleg tussen de NVWA en NEPLUVI staat:
“Hoewel de uitvoering van de inspecties over het algemeen van hoge kwaliteit is, vertonen de inspectieresultaten aanzienlijke variatie afhankelijk van de inspecteur. Dit leidt tot niet-uniforme resultaten. Het blijft onduidelijk of deze verschillen het gevolg zijn van inconsistentie in de gehanteerde criteria, variaties in de kwaliteit van de systemen, een combinatie van beide, of andere factoren. Het doel van de nulmeting is om een inventarisatie te maken van de variaties en afwijkingen van het systeem per bedrijf. Deze aanpak stelt ons in staat om een duidelijk beeld te krijgen van de huidige situatie en de verschillende praktijken die binnen de bedrijven worden gehanteerd. Daarnaast kan de analyse van de informatie die uit de nulmeting is verkregen, ons waardevolle inzichten bieden in de noodzaak om de controlepunten te verfijnen of uit te breiden, afhankelijk van de specifieke behoeften en omstandigheden. Deze inzichten zijn essentieel voor het verbeteren van de consistentie en effectiviteit van onze controles. Ook zal er gekeken worden of camera’s nog op de juiste locaties hangen en of er nog andere zaken zijn aangepast zouden moeten worden (bijvoorbeeld of de beeldkwaliteit nog voldoende is).”
En in het overgelegde e-mailbericht waarin de NVWA eiseres bericht over de nulmeting die bij haar zal worden uitgevoerd, staat:
“Doel is om met deze nulmeting vast te stellen of aan alle randvoorwaarden wordt voldaan om via cameratoezicht het dierenwelzijn goed in beeld te hebben. Denk bijvoorbeeld aan cameraposities, kwaliteit van het beeld etc.”
Anders dan eiseres, leidt de rechtbank uit deze stukken niet af dat de NVWA van mening is dat de camerabeelden die op slachthuizen in het kader van toezicht worden bekeken in het algemeen dan wel specifiek bij eiseres onvoldoende zijn. Dat bij de nulmeting ook wordt gekeken naar de camera’s op de slachthuizen impliceert niet dat de veronderstelling leeft dat de camera’s van onvoldoende kwaliteit zouden zijn. Over een kalibratie van de camera’s wordt ook niet gesproken. Uit de omstandigheid dat is geconstateerd dat er variaties zijn in de inspectieresultaten per inspecteur ziet de rechtbank evenmin grond om te concluderen dat verweerder de camerabeelden niet als grond voor handhaving heeft mogen gebruiken. Zoals verweerder heeft toegelicht ziet die variatie op het uitvoeren van de inspectie; namelijk hoe vaak en op welke manier de camerabeelden door toezichthouders worden uitgekeken. De rechtbank is in dit kader ook niet gebleken dat ten aanzien van eiseres sprake zou zijn van een ongelijk speelveld.



4.3.
Eiseres heeft de beelden die door de toezichthouder zijn bekeken ook aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank heeft deze beelden bekeken en vindt ze van voldoende kwaliteit om handhaving op te kunnen baseren. Eiseres heeft ook op geen enkele wijze onderbouwd dat de camera een onjuist beeld zou geven. Zij heeft enkel gesteld dat de beelden sneller zouden kunnen zijn dan in werkelijkheid. Overigens ziet de rechtbank ook niet in hoe een versnelde weergave in dit geval tot een ander beeld van de handeling van de medewerker zou leiden. Voorts wijst verweerder er terecht op dat de camera’s eigendom zijn van eiseres en dat het aan eiseres is om ervoor te zorgen dat de camera’s van voldoende kwaliteit zijn om toezicht te kunnen uitvoeren. Verweerder heeft toegelicht dat er jaarlijks een systeeminspectie bij eiseres plaatsvindt waarbij wordt gecontroleerd of aan de randvoorwaarden voor cameratoezicht wordt voldaan. De rechtbank is niet gebleken dat deze camera niet aan die randvoorwaarden zou voldoen.


Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?


5. Eiseres voert aan dat de feitelijke waarneming van de toezichthouder niet kwalificeert als ‘schoppen’ zoals bedoeld in punt 1.8, onder a, van Bijlage III van Verordening 1099/2009. Uit het beeldmateriaal blijkt duidelijk dat het kuiken zonder kracht met de voet op de band wordt geschoven. Dit is geen schoppen en ook geen handeling die vermijdbare pijn of lijden heeft veroorzaakt. Ten onrechte heeft verweerder in het kader van de heroverweging in bezwaar niet zelf de beelden opgevraagd en beoordeeld, maar gaat enkel af op de kwalificatie die toezichthouder aan de beelden geeft. Verder voert eiseres aan dat onmiddellijk ingrijpen was vereist om te voorkomen dat het kuiken via de container in de voorwasser zou belanden of tussen de containers en de opvangbak zou vallen. Eiseres verwijst naar haar eigen werkinstructie waarin staat dat achtergebleven pluimvee zo spoedig mogelijk moet worden verwijderd en teruggeplaatst. Verweerder wijst erop dat in de werkinstructie staat dat het handmatig moet gebeuren, maar dat ziet niet op deze situatie. Het met de voet bewegen van het kuiken naar de glijplaat was een juiste oplossing. Het handmatig rapen van het kuiken duurt langer en levert het kuiken waarschijnlijk meer pijn, spanning en lijden op omdat de medewerker zich naar het kuiken moet buigen en graaien. Ook zou de medewerker zich dan arbotechnisch in een risicopositie brengen, aldus eiseres.



5.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport van bevindingen voldoende duidelijk beschreven wat de toezichthouders op de beelden hebben waargenomen, namelijk dat een kuiken bij het kantelen op de onderste lamel van de kantelaar terecht kwam waarna een medewerker met de rechtervoet een schop gaf tegen het kuiken waardoor het op de kantelband viel. De rechtbank ziet in het rapport geen grond om aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders te twijfelen. Verweerder heeft in de bezwaarfase dan ook geen aanleiding hoeven zien de camerabeelden bij eiseres op te vragen. Eiseres heeft in beroep de camerabeelden ingebracht en naar het oordeel van de rechtbank ondersteunen deze de bevindingen van de toezichthouders zoals beschreven in het rapport. De beweging die door de medewerker wordt gemaakt is niet ten onrechte gekwalificeerd als schoppen.
Te zien is dat een medewerker al lopende een snelle zijwaartse beenbeweging maakt waarbij de schoen van de medewerker het kuiken treft waarna het dier van een rand valt. Van het enkel verschuiven van het kuiken met de voet – zoals eiseres stelt – geven de beelden geen blijk. Verweerder heeft dan ook terecht vastgesteld dat eiseres punt 1.8 van Bijlage III van Verordening 1099/2009, waarin staat dat het verboden is om dieren te schoppen, heeft overtreden. Deze overtreding kan eiseres bovendien volledig worden verweten. De rechtbank volgt eiseres niet dat de wijze waarop de medewerker heeft gehandeld voor het kuiken de minst ingrijpende oplossing zou zijn geweest. Zoals verweerder heeft toegelicht had de medewerker het kuiken met de handen moeten oppakken en verplaatsen, zo nodig na het stopzetten van het kantelproces middels een noodknop. Verweerder heeft in dit kader ook verwezen naar de werkinstructie van eiseres, maar de rechtbank stelt vast dat de boete niet is opgelegd omdat eiseres de eigen werkinstructie niet zou hebben gevolgd. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de betogen van beide partijen over het al dan niet handelen in overeenstemming met de werkinstructie van eiseres.



Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete


6. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een overtreding die als ‘zwaar’ is te kwalificeren. Verweerder verwijst op dit punt naar interventiebeleid, maar eiseres is niet duidelijk in welk specifiek interventiebeleid deze kwalificatie te vinden is. Voor zover dit niet in specifiek interventiebeleid is vastgesteld, kan de boete niet in stand blijven. Voor zover het wel in specifiek interventiebeleid is vastgelegd, ligt het voor de hand om met deze situatie waarin een dier zacht en doelmatig ter vermijding van stress en lijden met de voet wordt verschoven, anders om te gaan dan standaard. Het opleggen van een boete is dan onevenredig. In elk geval moet de boete worden gehalveerd vanwege de geringe gevolgen voor het dierenwelzijn. De stressvolle situatie waarin het kuiken verkeerde is snel en effectief beëindigd zonder het kuiken pijn, spanning of letsel toe te brengen. Van een ernstige aantasting van het dierenwelzijn was geen sprake, aldus eiseres.



6.1.
Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan, was verweerder op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren in beginsel bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In het interventiebeleid van verweerder staat hoe met die boetebevoegdheid wordt omgegaan. In dit geval is het Specifiek interventiebeleid Doden van gehouden dieren van toepassing, zoals in het boetebesluit ook is beschreven. In de Bijlage bij dit interventiebeleid is per soort overtreding beschreven welke interventie daarop volgt. In deze bijlage wordt het schoppen van dieren niet expliciet vermeld, maar wel een overtreding van artikel 15, eerste lid, van Verordening 1099/2009, zoals hier aan de orde is. De bijlage vermeldt dat als sprake is van een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn, deze overtreding wordt geclassificeerd als B waarop de interventie van een boete volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de overtreding als zodanig mogen kwalificeren en daarvoor terecht een boete opgelegd. Door de schop van de medewerker is het kuiken bij het kantelproces pijn, dan wel extra spanning en lijden toegebracht terwijl dit volledig vermijdbaar was.



6.2.
In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is voor deze overtreding een boete van € 2.500,- vastgesteld, zoals verweerder ook aan eiseres heeft opgelegd. Verweerder heeft terecht geen grond gezien om de boete op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren te halveren. Niet kan worden geconcludeerd dat de risico’s of gevolgen voor het dierenwelzijn gering waren.
Gelet op de aard en ernst van de overtreding vindt de rechtbank de door verweerder opgelegde boete evenredig.


Redelijke termijn


7. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden. Dit is bij punitieve sancties het geval als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5 % per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.



7.1.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van het voornemen op 6 maart 2024. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met ruim een maand overschreden. De rechtbank ziet in deze overschrijding aanleiding om de boete te matigen met 5 % tot een bedrag van € 2.375,-.





Conclusie en gevolgen

8. Uit al het voorgaande volgt dus dat verweerder terecht de boete heeft opgelegd, maar dat het boetebedrag wordt verlaagd omdat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de rechtbank het boetebedrag verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het beroep is dus gegrond.

9. Eiseres heeft zelf geen beroep gedaan op een overschrijding van de redelijke termijn. Van gemaakte proceskosten die zijn gemoeid met een zodanig verzoek die voor vergoeding in aanmerking komen, is dus geen sprake. Eiseres krijgt dus geen vergoeding voor door haar gemaakte proceskosten.

10. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht wordt vergoed. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen het griffierecht te vergoeden.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het besluit van 21 mei 2024, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;


herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;


stelt de boete vast op € 2.375,-


bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.


de rechter is verhinderd


deze uitspraak te tekenen



griffier rechter


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Verordening 1099/2009
Artikel 15, eerste lid
1. De bedrijfsexploitanten waarborgen dat de in bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen.


Punt 1.8, Bijlage III

Het is verboden:
a. a) de dieren te slaan of te schoppen;
[…]



Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.


Artikel 8.7

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.


Artikel 8.8, eerste lid

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.



Regeling houders van dieren

Artikel 5.8

Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.



Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren


Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2.500
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.


Artikel 2.3, aanhef en onder a

Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;


Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden


Werkinstructie slachtlijn WI-200.0, paragraaf 4.1


Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2024:222 (r.o. 7.2) en ECLI:NL:CBB:2025:203 (r.o. 5.2)


Gelezen in samenhang met artikel 8.6, eerste lid, en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren en met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren


IB03-SPEC 72, versie 06 en de Bijlage, regel 31


Gelezen in samenhang met artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren


Gelet op ECLI:NL:CBB:2025:7 en ECLI:NL:RVS:2024:4761


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:252, ECLI:NL:RVS:2016:1261 en ECLI:NL:CBB:2017:32
Link naar deze uitspraak