Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:3742 
 
Datum uitspraak:26-02-2026
Datum gepubliceerd:02-04-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:NL:TZ:2602354:R-RK en N NL:TZ:2602354:R-RK en N
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Moratorium toegewezen.
Trefwoorden:huurovereenkomst
zorgtoeslag
Wetreferenties:Faillissementswet 287b
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam


voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing


toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk


Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraakdatum: 26 februari 2026 (bij vervroeging)

In de zaak van



[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.





1De procedure
Verzoekster heeft op 2 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 2 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 februari 2026.

Ter zitting van 17 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:


verzoekster;



[persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);



[persoon B] , werkzaam bij Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).



Schuldhulpverlening heeft, zoals ter zitting afgesproken, de rechtbank nadere stukken doen toekomen, met afschrift daarvan aan verweerster.




2Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster wenst een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening zal binnen twee à drie weken starten en budgetbeheer is met spoed aangevraagd. Verzoekster heeft betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huur voor de maanden februari en maart 2026 is betaald.




3Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De eerste ontruiming is in 2023 aangezegd. De ontruiming is toen niet doorgezet, omdat mevrouw [verzoekster] zich had gemeld bij de gemeente voor schuldhulpverlening. Vervolgens is het traject niet gestart. Dit heeft zich meermaals voorgedaan en verweerster heeft daarom in december 2025 de ontruiming weer aangezegd. Mevrouw [verzoekster] heeft een betalingsachterstand van een jaar en de huurachterstand bedraagt momenteel € 10.670,-.




4De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 22 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen met haar minderjarige kinderen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 21 september 2023 ten uitvoer kan leggen.

Verzoekster heeft zich aangemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. Verzoekster heeft werk en heeft daaruit een inkomen van totaal € 942,91 per maand en reiskostenvergoeding van € 93,84. Daarnaast ontvangt zij een bedrag van € 384,- per maand aan huurtoeslag, € 129,- per maand aan zorgtoeslag en € 714,- aan kindgebondenbudget. Deze inkomsten zouden voldoende moeten zijn om de lopende huurtermijnen van € 632,76 per maand te voldoen. De huur van februari en maart 2026 is betaald. Bovendien zal op korte termijn schuldhulpverlening en budgetbeheer worden gestart waarmee de betaling van de lopende huurtermijnen wordt gewaarborgd. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet wordt opgestart, althans niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.




5De beslissing

De rechtbank:

- schorst de tenuitvoerlegging op van het op 21 september 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 2 februari 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.


Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu, rechter, en in aanwezigheid van mr. S.M.A.G.W. Burger, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
Link naar deze uitspraak