|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:4007 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | NL:TZ:2602389:R-RK en NL: NL:TZ:2602389:R-RK en NL: | | Rechtsgebied | : | Insolventierecht | | Indicatie | : | Moratorium toegewezen. | | Trefwoorden | : | huurovereenkomst | | | zorgtoeslag | | Wetreferenties | : | Faillissementswet 287b
| | | | Uitspraak | RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraakdatum: 26 februari 2026
In de zaak van
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1De procedure
Verzoekster heeft op 2 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 2 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 februari 2026.
Ter zitting van 17 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
[persoon A] , werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
[persoon B] en [persoon C] , beiden werkzaam bij Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster);
Schuldhulpverlening heeft, zoals ter zitting afgesproken, de rechtbank nadere stukken doen toekomen, met afschrift daarvan aan verweerster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wenst een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft sinds 21 oktober 2024 budgetbeheer en betaalt de lopende huurtermijnen. Verzoekster heeft betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huur voor de maanden februari en maart 2026 ook is betaald. Verzoekster heeft in februari 2025 een bedrag van € 30.000,- van de belastingdienst ontvangen en is officieel aangemerkt als gedupeerde in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire. Verzoekster had verwacht dat de huurschuld zou worden kwijtgescholden, maar kreeg in december 2025 te horen dat dit niet aan de orde was.
3Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De ontruiming is aangezegd omdat er een betalingsachterstand is sinds oktober 2023. De huurschuld bedraagt momenteel € 5.893,-.
4De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 23 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen met haar minderjarige kinderen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 31 januari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft een Participatiewetuitkering ter hoogte van € 1.158,72 per maand. Daarnaast ontvangt zij een bedrag van € 384,- per maand aan huurtoeslag, € 131,- per maand aan zorgtoeslag en € 968,- per maand aan kindgebondenbudget. Deze inkomsten zouden voldoende moeten zijn om de lopende huurtermijnen van € 663,40 per maand te voldoen. De huur van februari en maart 2026 is betaald. Bovendien is sinds 21 oktober 2024 budgetbeheer ingesteld waarmee de betaling van de lopende huurtermijnen wordt gewaarborgd. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet wordt opgestart, althans niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5De beslissing
De rechtbank:
- schorst de tenuitvoerlegging op van het op 31 januari 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 2 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu, rechter, en in aanwezigheid van mr. S.M.A.G.W. Burger, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|