Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:5135 
 
Datum uitspraak:16-04-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:NL:TZ:2607585:R-RK
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Moratorium toegewezen. Gelet op de inhoud van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken en verzocht, zal het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening daarom worden aangemerkt als een verzoek ex artikel 287, vierde lid, Fw. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.
Trefwoorden:uitkering
zorgtoeslag
Wetreferenties:Faillissementswet 287b
Faillissementswet 287
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer]


Uitspraak van 16 april 2026


In de zaak van



[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats], [geboorteland],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
verzoeker.




1De procedure

Verzoeker heeft op 25 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift ex artikel 287b Fw bepaald op 8 april 2026.

Ter zitting van 8 april 2026 zijn verschenen en gehoord:


verzoeker;


de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);


de heer S. Manna en mevrouw S. Albertus, beiden werkzaam bij Stichting Nieuw Vaarwater (hierna: beschermingsbewindvoerder).




[naam], werkzaam bij [naam deurwaarderskantoor], heeft namens Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster), op 3 april 2026 schriftelijk gereageerd en laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.




2Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van vier maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Er is eerder op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, een voorlopige voorziening toegekend vanaf 2 oktober 2025 voor de duur van zes maanden. Doordat na de huurverhoging door de beschermingsbewindvoerder bij een huurtermijn abusievelijk nog een te laag bedrag is overgemaakt, heeft verweerster de ontruiming opnieuw aangezegd. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat dit inmiddels is aangezuiverd.

De huur bedraagt € 623,04 per maand. Verzoeker ontvangt inkomen uit een Participatiewet-uitkering. Daarnaast ontvangt hij huur- en zorgtoeslag. Het eerdere moratorium is vanaf 2 oktober 2025 aangevangen. Sinds 28 oktober 2025 staat verzoeker onder beschermings-bewind en vanaf dat moment zijn alle lopende huurtermijnen voldaan. De huurtermijn voor de maand april 2026 is op 25 maart 2026 tijdig betaald. Verzoeker heeft een sluitend budgetplan. Het heeft enige tijd geduurd om alle schulden van verzoeker te inventariseren. Zo waren onder meer onduidelijkheden over het energiecontract en de daaruit voortvloeiende vordering. Inmiddels heeft verzoeker samen met de beschermingsbewind-voerder zijn volledige schuldensituatie in kaart gebracht. Op 24 maart 2026 is verzoeker aangemeld bij schuldhulpverlening (Geldplein). Verzoeker is voornemens om op korte termijn een volledig verzoekschrift ex artikel 284 Fw in te dienen. De advocaat van verzoeker verzoekt dan ook het verzoekschrift ex artikel 287b Fw aan te merken als een verzoekschrift ex artikel 287 lid 4 Fw.




3Het verweer

In haar schriftelijke reactie van 3 april 2026 heeft verweerster zich op het volgende standpunt gesteld. Bij vonnis van 7 november 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de voorlopige voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker is in gebreke gebleven met de volledige betalingen van de lopende huurtermijnen. Verweerster is dan ook van mening dat zij gerechtigd is om alsnog tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 22 mei 2025 over te gaan en dat het verzoek om een tweede moratorium dient te worden afgewezen.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.




4De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verzoeker reeds eerder een verzoek ex artikel 287b Fw en ex artikel 284 Fw heeft ingediend, waarop bij uitspraak van 7 november 2025 door de rechtbank Rotterdam een beslissing is genomen. Daarbij is een moratorium voor de duur van zes maanden toegewezen. Dat betekent dat een verzoek ex artikel 287b Fw, op grond van het vijfde lid van dat artikel, niet langer openstaat. Gelet op het tevens ingediende verzoek ex artikel 284 Fw, en mede gelet op de inhoud van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken en verzocht, zal het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening daarom worden aangemerkt als een verzoek ex artikel 287, vierde lid, Fw.

Voor toewijsbaarheid van het verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.

De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025 tot ontruiming van zijn woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van het exploot van 10 februari 2026 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 april 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning.

Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hem ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw in zijn huurwoning kan blijven wonen.

Het belang van verweerster bestaat eruit dat zij het vonnis van 22 mei 2025 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering en toeslagen van de Belastingdienst. Hij heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft de lopende huurtermijnen vanaf november 2026 voldaan. De huurtermijn van april 2026 is tijdig, op 25 maart 2026, voldaan. Ook staat verzoeker sinds 28 oktober 2025 onder beschermingsbewind, waardoor voldoende wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen ook tijdig zullen worden voldaan.

Weliswaar is op dit moment nog geen schuldregelingstraject doorlopen; op voorhand kan niet worden uitgesloten dat dit alsnog versneld kan worden doorlopen met behulp van beschermingsbewind. Daarbij betrekt de rechtbank dat ex artikel 285 lid 1 onder f Fw onder omstandigheden ook gemotiveerd kan worden afgezien van het doen van een minnelijk aanbod voorafgaand aan het Wsnp-verzoek. Daarnaast geldt dat artikel 287 lid 2 Fw als uitgangspunt neemt dat bij het ontbreken van bepaalde gegevens of een bepaalde toelichting in het Wsnp-verzoek, in beginsel een termijn van een maand wordt gegund om het verzoek alsnog compleet te maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet op voorhand worden vastgesteld dat het onaannemelijk is dat verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten, althans dat het verzoek niet-ontvankelijk zal (moeten) worden verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank dient tegen deze achtergrond het belang van verzoeker op dit moment zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal bovendien op

12 juni 2026 te 09:30 uur – en derhalve op korte termijn – worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw.

De verzochte voorziening zal bovendien worden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan. De voorziening zal gelden totdat op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling onherroepelijk zal zijn beslist of totdat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken.

Verzoeker dient het verzoekschrift ex artikel 284 Fw te completeren en de opgevraagde stukken uiterlijk een maand na deze uitspraak, te weten op 16 mei 2026 aan te leveren. Onder meer zal er dan een verklaring ex artikel 285 lid 1 onder f Fw moeten worden aangeleverd door de beschermingsbewindvoerder dan wel schuldhulpverlening (Geldplein).




5De beslissing

De rechtbank:

- verbiedt verweerster, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, gelegen aan de:

[adres]


[postcode] te [plaatsnaam];

- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan;

- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel de beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;

- bepaalt dat het op 25 maart 2026 door verzoeker ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw wordt behandeld op 12 juni 2026 te 09:30 uur.

Deze beschikking is op 16 april 2026 gegeven door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier.




Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende drie maanden na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Link naar deze uitspraak