|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:5538 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/6334 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Aanvraag gehandicaptenparkeerkaart afgewezen. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6334
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. D. Gogar).
Samenvatting
1. Eiser heeft een Europese gehandicaptenparkeerkaart (hierna: gehandicaptenparkeerkaart) voor een bestuurder en voor een passagier aangevraagd. Het college heeft aan eiser een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder toegekend voor de duur van één jaar. Eiser is het hier niet mee eens en wil een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder voor de duur van vijf jaren. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank of het college terecht tot het bestreden besluit is gekomen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat het geval is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Bij besluit van 13 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan eiser een gehandicaptenparkeerkaart toegekend voor een bestuurder voor de duur van één jaar. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Bij besluit van 9 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard met aanvulling van de motivering en de grondslag van het primaire besluit. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 11 december 2024 heeft eiser een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder en een passagier aangevraagd. Op verzoek van het college heeft vervolgens een medische beoordeling door een adviserend arts (van Team Sociaal Medische Advisering) plaatsgevonden. De arts heeft geconcludeerd dat eiser wel voldoet aan de voorwaarden voor het verstrekken van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, maar niet aan de voorwaarden voor het verstrekken van een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Bovendien heeft de arts geconcludeerd dat een herkeuring na één jaar geïndiceerd is. Gelet op deze conclusies heeft de arts het college geadviseerd om een gehandicaptenparkeerkaart toe te kennen voor alleen een bestuurder voor de duur van één jaar. Het college heeft dit advies van 12 februari 2025 opgevolgd in het primaire besluit en dit besluit met het bestreden besluit gehandhaafd.
Standpunt eiser
4. Eiser voert aan dat aan hem een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder had moeten worden verstrekt voor de duur van vijf jaren. Het college mocht het medisch advies niet zonder meer ten grondslag leggen aan zijn besluitvorming. Het college heeft te weinig waarde toegekend aan het chronische karakter van eisers klachten en aan de omstandigheid dat verschillende behandelingen hiervoor niet tot verbetering hebben geleid. Uit het advies van de arts kan bovendien worden herleid dat eiser de komende jaren niet in staat zal zijn om een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet af te leggen. Dit standpunt wordt ook ondersteund door de in bezwaar overgelegde stukken, waaruit blijkt dat eiser van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 een WIA-uitkering toegekend heeft gekregen en sinds 9 augustus 2024 een duurzame ontheffing heeft voor arbeidsverplichting, re-integratieverplichting en het leveren van een tegenprestatie in het kader van een bijstandsuitkering. Eiser stelt dat hij hiermee voldoende informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat het advies van de arts onjuist of onvolledig is. In elk geval had de hiervoor bedoelde informatie door het college voorgelegd moeten worden aan de arts. Tijdens de zitting heeft eiser nog gewezen op de omstandigheid dat zijn medische situatie sinds de medische beoordeling, in tegenstelling tot wat kennelijk de verwachting was van de adviserend arts, niet is verbeterd. Ook heeft hij zijn beroepsgronden tegen het niet verstrekken van een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of het college terecht een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder voor de duur van één jaar aan eiser heeft verstrekt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5.1.
Uit artikel 51 lid 1 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer volgt dat een gehandicaptenkaart in principe geldig is voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren. Uit lid 2 van dit artikel volgt dat indien een redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de termijn gedurende welke de gehandicapte in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart, korter zal zijn dan vijf jaren, het gezag dat bevoegd is tot de afgifte van gehandicapten parkeerkaarten, de geldigheidsduur tot die termijn beperkt.
5.2.
De rechtbank dient dus te toetsen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit redelijke grond bestond voor de verwachting dat eiser minder dan vijf jaren, te weten één jaar, in aanmerking zou komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een enigszins beknopt, maar voldoende objectief en inzichtelijk advies. De arts heeft zijn conclusies voldoende toegelicht en onderbouwd. Gelet hierop heeft het college het advies van de arts aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Wat eiser heeft aangevoerd geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch advies. Datzelfde geldt voor de stukken die eiser heeft overgelegd. Het college heeft er namelijk terecht op gewezen dat in de procedures waar deze stukken op zien andere beoordelingskaders gelden. Het college was daarom ook niet gehouden om deze stukken alsnog aan de arts voor te leggen.
5.4.
Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het college voldoende waarde heeft toegekend aan het chronische karakter van eisers klachten en aan de omstandigheid dat verschillende behandelingen hiervoor niet tot verbetering hebben geleid. Het college heeft zich immers gebaseerd op het advies van de arts van 12 februari 2025 en die heeft uitdrukkelijk overwogen dat eiser langdurig belast is met een chronische medische aandoening en dat eiser hiervoor al verschillende behandelingen heeft gevolgd. De arts en het college hebben daarbij uiteraard geen rekening kunnen en hoeven houden met de huidige medische situatie van eiser, zoals die tijdens de zitting is toegelicht.
5.5.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat uit het advies van de arts herleid kan worden dat eiser de komende jaren niet in staat zal zijn om een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet af te leggen. In het medisch advies staat namelijk expliciet genoemd dat een herkeuring na één jaar geïndiceerd is omdat de medische situatie van eiser niet stabiel is, hij sinds kort is gestart met een intensieve behandeling en verbetering van zijn medische situatie niet (volledig) uitgesloten is.
5.6.
Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat redelijke grond bestond voor de verwachting dat eiser minder dan vijf jaren, te weten één jaar, in aanmerking zou komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft de geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart hierdoor terecht beperkt tot een termijn van één jaar.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat zijn gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder terecht is toegewezen voor de duur van één jaar. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|