Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:6004 
 
Datum uitspraak:12-05-2026
Datum gepubliceerd:26-05-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/3860
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Afwijzing aanvraag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Eiser woonde niet uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland. Geen bijzondere omstandigheden. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:aow
ingezetene
loonbelasting
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/3860

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

en


de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. K. Verbeek).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor het eenmalig bedrag op grond van het TBSH. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een eenmalig bedrag op grond van het TBSH. De SVB heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 26 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de SVB.





Totstandkoming van het besluit

3. Op grond van artikel 13, eerste lid van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft een groep ouderen van Surinaamse herkomst geen volledige AOW-uitkering opgebouwd, omdat de jaren waarin zij in Suriname woonden niet meetellen. Voor ieder gemist jaar wordt de AOW in hoofdregel met 2% gekort. Dit is als onrecht ervaren, omdat Suriname voor de onafhankelijkheid van 25 november 1975 onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft geoordeeld dat belanghebbenden met juistheid niet als ingezetenen zijn aangemerkt voor de jaren dat zij in Suriname woonden. De AOW-opbouw van voormalig ingezetenen van Suriname is, omdat het wettelijk kader geen ruimte bood, destijds onder de aandacht van de wetgever gebracht. Het TBSH heeft onder meer als doel een gebaar van erkenning te maken naar een afgebakende groep ouderen van Surinaamse herkomst met een groot en langlopend gevoel van onrechtvaardigheid. Als aan de strikte voorwaarden wordt voldaan, kan de belanghebbende aanspraak maken op een eenmalig bedrag van € 5.000,-.

4. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiser niet uiterlijk 25 november 1975 in Nederland woonde, en daarmee niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 3, aanhef en onder a, van het TBSH.



Gronden eiser

5. Eiser betoogt dat hij voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 3, aanhef en onder a, van het TBSH. Eiser voert daartoe aan dat hij op 25 november 1975 Suriname niet kon verlaten omdat hij nog studeerde. De keuze om naar Nederland te vertrekken had hij vóór 1975 gemaakt, maar hij kon deze keuze pas na het ophalen van zijn diploma in de periode mei-augustus 1977 ten uitvoer leggen. Verder stelt eiser dat hij tot en met 5 september 1977 op het grondgebied van Suriname heeft gewoond als ingezetene van het Koninkrijk der Nederlanden, dus van een deel van Nederland dat in Europa ligt. Op grond van de artikelen 55 en 6 van de AOW dient hij te worden geacht gewoond te hebben in Nederland. Ook voert eiser aan dat het TBSH in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals vastgelegd in de artikelen 3:2 tot en met 3:4 van de Awb. Tot slot voert eiser aan dat Suriname het AOW-gat van 4% niet zal aanvullen.



Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de SVB de aanvraag van eiser om een eenmalige vergoeding op grond van het TBSH terecht heeft afgewezen.


Is er voldaan aan de eerste voorwaarde van artikel 3 van het TBSH?


7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 25 november 1975 in Suriname woonde. Het standpunt van eiser dat hij voldoet aan de eerste voorwaarde van artikel 3 van het TBSH, omdat hij op grond van artikel 55 en 6 van de AOW geacht werd in Nederland te wonen, volgt de rechtbank niet. Artikel 55 AOW bevat een overgangsregeling. Omdat de AOW op 1 januari 1957 in werking is getreden, kan pas vijftig jaar later sprake zijn van een volledige pensioenopbouw. Artikel 55 AOW is bedoeld om te voorkomen dat pensioengerechtigden die vóór 1 januari 1957 de vijftienjarige leeftijd hebben bereikt, worden gekort op hun ouderdomspensioen. Deze regeling is niet op eiser van toepassing, omdat hij niet vóór 1 januari 1957 de vijftienjarige leeftijd heeft bereikt en omdat Suriname niet wordt genoemd in artikel 55 AOW. Bovendien volgt uit vaste rechtspraak van de Raad dat onder het begrip Rijk, zoals dat in de AOW was opgenomen tot 1990, moet worden verstaan het Rijk in Europa. Dat betekent het deel dat geografisch in Europa ligt. Daaronder valt niet Suriname. Dat Suriname tot 25 november 1975 tot het Koninkrijk der Nederlanden behoorde is daarbij niet relevant.
Verder oordeelt de rechtbank dat de enkele stelling van eiser dat hij vóór 25 november 1975 had besloten om Suriname te verlaten, onvoldoende is om te oordelen dat eiser wel aan de eerste voorwaarde voldoet. Immers, de eerste voorwaarde van artikel 3 van het TBSH luidt dat iemand uiterlijk op die datum in Nederland moet zijn gaan wonen. Niet relevant is op welke datum hij of zij daartoe besloten heeft. Daar komt bij dat eiser ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat uit het feit dat hij nooit in Suriname heeft gewerkt blijkt dat hij al vóór 25 november 1975 heeft besloten naar Nederland te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat gegeven onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser de keuze om naar Nederland te komen voor de onafhankelijkheid heeft gemaakt.
De SVB heeft terecht vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 3, aanhef en onder a, van het TBSH. Deze beroepsgrond slaagt niet.


De exceptieve en rechtstreekse toetsing in het kader van strijd met hoger recht


8. Eiser voert aan dat het TBSH in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals vastgelegd in de artikelen 3:2 tot en met 3:4 van de Awb, en meer specifiek voert eiser aan dat artikel 3, aanhef en onder a, van het TBSH in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Ouderen met een Surinaamse afkomst die na 25 november 1975 naar Nederland zijn gekomen, hebben geen recht op het eenmalig bedrag van € 5.000,- terwijl zij, net als ouderen die wél in aanmerking komen voor het eenmalig bedrag, worden gekort op hun AOW vanwege de jaren die zij in Suriname verbleven. Ook de groep die na 25 november 1975 naar Nederland is gekomen, dient gecompenseerd te worden in hun gevoelens van onrechtvaardigheid, aldus eiser.

9. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, te weten het TBSH. Een algemeen verbindend voorschrift (hier: het TBSH) kan worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. Een algemeen verbindend voorschrift kan, ook wanneer het gaat om de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, buiten toepassing worden gelaten als het wettelijk voorschrift als zodanig niet rechtmatig is (de exceptieve toetsing) of als toepassing van het wettelijk voorschrift in het concrete geval van de belanghebbende(n) niet rechtmatig is (de rechtstreekse toetsing).


De exceptieve toetsing


10. Volgens vaste rechtspraak is bij de exceptieve toetsing de intensiteit van de beoordeling door de rechter afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft gekregen van de wet- en regelgever, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De (onafhankelijke) rechterlijke beoordeling moet materieel terughoudend zijn als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt. De (bestuurs)rechter heeft, gelet op de scheiding der machten, niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Dat vloeit voort uit de scheiding der machten. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever is naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.

11. De rechtbank stelt vast dat artikel 3 van het TBSH een gebonden bevoegdheid bevat: alleen als de aanvrager voldoet aan alle in het artikel genoemde voorwaarden, mag de SVB het eenmalig bedrag toekennen en anderzijds, als er aan één of meerdere voorwaarden niet wordt voldaan, is de SVB verplicht de aanvraag voor het eenmalige bedrag af te wijzen. Dit heeft de wetgever zo bepaald; de SVB heeft van de wetgever geen ruimte gekregen om een belangenafweging te maken of hiervan af te wijken.
Verder stelt de rechtbank vast dat aan het TBSH een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag ligt: het TBSH is het resultaat van de politieke wens om een specifiek afgebakende groep Surinaamse ouderen met een AOW-tekort tegemoet te komen ten aanzien van specifiek afgebakend gevoel van onrecht. Volgens vaste rechtspraak, zoals uiteengezet onder 10, is het dus niet aan de (onafhankelijke) rechter om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Als de rechter dat wel zou doen, zou dat juist willekeur in de hand werken. De rechtbank concludeert daarom dat zij het TBSH zeer terughoudend moet toetsen. Dat leidt tot het volgende.

12. Uit de Nota van toelichting bij het TBSH blijkt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het eenmalige bedrag toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen:

“Aan de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 zijn langdurige en intensieve onderhandeling voorafgegaan. Daarbij is uiteindelijk besloten dat iedereen die Nederlander wenste te blijven, Nederlander mocht blijven en – voor de datum van de onafhankelijkheid – als Nederlander met de daarbij horende rechten en plichten werd toegelaten tot Nederland. Dit werd tussen beide landen vastgelegd in de Toescheidingsovereenkomst. Diegenen die tijdig in Nederland waren aangekomen verwachtten daardoor ook dat voor hen in het verlengde van deze keuze om de Nederlandse nationaliteit te behouden, de rechten in het kader van de AOW zouden gelden en realiseerden zich niet dat voor de AOW-opbouw niet het Nederlanderschap als criterium gold voor de pensioenopbouw. Daarmee onderscheidt deze groep zich van diegenen die bij de onafhankelijkheid in Suriname bleven en van de situatie in de voormalige Nederlandse Antillen. De groep die in Suriname bleef heeft niet direct gehandeld en niet direct de welbewuste keuze gemaakt om naar Nederland te komen, en opteerde daardoor niet voor het behouden van de Nederlandse nationaliteit en de daarbij behorende rechten en plichten.”

13. Verder vermeldt de Nota van toelichting expliciet dat de groep Surinaamse ouderen die na de onafhankelijkheid naar Nederland zijn gekomen, niet onder de doelgroep van het gebaar valt. Hiervoor heeft de wetgever volgens de Nota van toelichting gekozen omdat deze groep, anders dan de groep die recht heeft op het eenmalige bedrag, niet direct gehandeld heeft toen Suriname onafhankelijk werd, inmiddels de Surinaamse nationaliteit had verkregen en feitelijk van buiten het Koninkrijk naar Nederland is verhuisd.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever inzichtelijk en voldoende gemotiveerd waarom de ene groep wel en de andere niet voor het eenmalig bedrag in aanmerking komt. De groep die voor de onafhankelijkheid naar Nederland is gekomen heeft direct gehandeld en opteerde voor het behouden van de Nederlandse nationaliteit en de daarbij behorende rechten en plichten. Dat de wetgever ook een andere keuze had kunnen maken, en tot een andere afbakening van de groep had kunnen kiezen of voor een ruimere mogelijkheid om individuele belangen mee te wegen bij de toepassing van de criteria, is daarbij niet relevant. Ter toetsing ligt déze gemaakte keuze van de wetgever voor het TBSH. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om (de eerste voorwaarde van) het TBSH buiten toepassing te laten wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel of ander hoger recht. Deze beroepsgrond slaagt niet.


De rechtstreekse toetsing


15. In het kader van de rechtstreekse toetsing beoordeelt de rechtbank of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het TBSH in dit geval voor eiser zozeer in strijd komt met het hoger recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de uitkomst (‘onder de streep’) van het bestreden besluit door bijzondere omstandigheden tot een onevenredige uitkomst leidt. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (onevenredigheid ‘stricto sensu’). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.

16. De rechtbank overweegt om te beginnen dat bij het afbakenen van een groep van rechthebbenden vrijwel altijd sprake zal zijn van grensgevallen, waarvan het in objectieve zin ter discussie zou kunnen worden gesteld of deze wel of niet tot de afgebakende groep behoren (of zouden moeten behoren). Dit is op zichzelf onvoldoende om aan de hoge drempel te voldoen dat een individuele situatie zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing van een voorwaarde achterwege moet blijven.

17. Eiser betoogt dat in zijn individuele geval sprake is van overmacht dan wel verschonende omstandigheden omdat hij op 25 november 1975 nog studeerde in Suriname en zwaarwegende belangen had om die opleiding in Suriname eerst af te ronden. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij in Nederland niet verder had kunnen studeren zonder eerst zijn opleiding in Suriname af te maken. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat dit geen omstandigheid is die maakt dat de eerste voorwaarde van de TBSH onderaan de streep onredelijk bezwarend uitpakt voor eiser. Dat eiser ervoor heeft gekozen om zijn opleiding in Suriname af te maken, zodat hij in Nederland verder kon studeren en zich ontwikkelen, hoe begrijpelijk deze keuze ook is, is naar het oordeel van de rechtbank een persoonlijke keuze en een omstandigheid die binnen zijn invloedsfeer lag.

18. Dat Suriname het AOW-tekort van 4% niet zal aanvullen voor eiser, is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat het bestreden besluit onevenredig bezwarend is voor eiser. Uit de Nota van Toelichting bij het TBSH volgt nadrukkelijk dat het eenmalig bedrag niet een vorm van vereffening van het AOW-gat is, maar is bedoeld als een gebaar voor erkenning.

19. Tot slot overweegt de rechtbank dat het gaat het om een begunstigend besluit (een eenmalig gebaar dat diegenen die aan de voorwaarden voldoen krijgen zónder dat zij daar een voorafgaand wettelijke recht op hadden), dat eiser niet krijgt omdat hij niet aan de voorwaarde voldoet. Er is geen sprake van een (wettelijk) recht dat eiser wordt onthouden of van een belastend besluit dat hem financieel nadelig treft. In het geval iemand geen begunstigend besluit krijgt, kan alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn van een situatie dat de uitkomst van het afwijzende besluit onredelijk bezwarend is. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitkomst van het bestreden besluit jegens eiser niet zozeer in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of (ander) hoger recht dat de toepassing van de voorwaarden van de TBSH achterwege zou moeten blijven. De SVB heeft de aanvraag van eiser om een eenmalige vergoeding op grond van het TBSH terecht afgewezen.



Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij niet alsnog het eenmalige gebaar krijgt toegekend. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Usmany, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving



Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst


Op grond van artikel 3 heeft een persoon recht op een eenmalig bedrag, indien deze:


uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;


voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;


ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en


op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.




Algemene Ouderdomswet


In artikel 6, eerste lid, is bepaald dat verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en


ingezetene is;


geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.



In artikel 55, eerste lid, is bepaald dat degene, die vóór het in werking treden van artikel 6 de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, en die - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft gewoond, voor de toepassing van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, gedurende het tijdvak, gelegen tussen de voleindiging van zijn 15de levensjaar en het in werking treden van artikel 6, geacht wordt verzekerd te zijn geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt, uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel 8 met toepassing van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, de jongere echtgenoot van de pensioengerechtigde geacht het 59ste levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als de pensioengerechtigde.


Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1965.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8822.


Niet zijn een wet in formele zin.


Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6733 en de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (het CBB) van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016 en de uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:748.


Staatsblad 2023, 386, pagina 7.


Staatsblad 2023, 386, pagina 8.


Zoals beschreven onder 9 van deze uitspraak.


Zie de uitspraak van het CBB van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
Link naar deze uitspraak