Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:6092 
 
Datum uitspraak:29-05-2026
Datum gepubliceerd:29-05-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/3814 ROT 25/3849 en ROT 25/55
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Beroep tegen last onder dwangsom opgelegd door de ACM wegens overtreding Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (Wet OHP Landbouw). De ACM was niet bevoegd een last onder dwangsom op te leggen omdat geen sprake is van overtreding van het verbod op eenzijdige prijswijziging in artikel 2, eerste lid en onder c, van de Wet OHP Landbouw. Uitleg Richtlijn 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. De last onder dwangsom houdt geen stand en wordt herroepen. Daardoor wordt het ook aanhangige beroep tegen het niet invorderen van dwangsommen bij de overtreder niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:6093
Trefwoorden:glb
landbouw
landbouwbeleid
landbouwer
melkveehouder
melkveehouders
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 25/3814, ROT 25/3849 en ROT 25/5589

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen

[bedrijf X] ( [afkorting bedrijf X] ), uit [plaats] ,
(gemachtigden: mr. C.E.L. Koken, mr. E.D. van Aalst en mr. L.A. van de Sandt),

en


de vereniging [vereniging Y] ( [afkorting vereninging Y] ), uit [plaats] ,
(gemachtigde: mr. P.J.G. van der Donck),

en

Autoriteit Consument & Markt, de ACM
(gemachtigden: mr. dr. A.N. Vroege, mr. M. Rekker en mr. L.A. Kwanten).


[afkorting bedrijf X] en [afkorting vereninging Y] nemen over en weer als derde-partij aan elkaars zaken deel.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat in de eerste plaats over een last onder dwangsom die de ACM met het besluit van 4 september 2024 aan [afkorting bedrijf X] heeft opgelegd vanwege een overtreding van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (Wet OHP Landbouw). De ACM heeft deze last onder dwangsom opgelegd naar aanleiding van een verzoek van [afkorting vereninging Y] aan de ACM om handhavend op te treden tegen [afkorting bedrijf X] . [afkorting bedrijf X] en [afkorting vereninging Y] zijn het beiden niet eens met de opgelegde last onder dwangsom en hebben daartegen bezwaar gemaakt dat bij besluit van 27 maart 2025 ongegrond is verklaard. In dit beroep voeren zij een aantal beroepsgronden aan tegen deze beslissing op bezwaar. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom.


1.1.
Deze uitspraak gaat in de tweede plaats over een verzoek van [afkorting vereninging Y] aan de ACM om invordering van dwangsommen bij [afkorting bedrijf X] . [afkorting vereninging Y] is het niet eens met de afwijzing van dit verzoek met het besluit van 19 juni 2025. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de ACM het verzoek om invordering terecht heeft afgewezen.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ACM niet bevoegd was om aan [afkorting bedrijf X] een last onder dwangsom op te leggen omdat geen sprake is van overtreding van het verbod op eenzijdige prijswijziging. [afkorting bedrijf X] krijgt dus gelijk en haar beroep met kenmerk ROT 25/3814 is gegrond. Hieruit volgt dat [afkorting vereninging Y] dus geen gelijk krijgt en dat haar beroep met kenmerk ROT 25/3849 ongegrond is. Het beroep van [afkorting vereninging Y] tegen het niet-invorderingsbesluit is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen die oordelen hebben.



1.3.
Hierna vanaf 2. staat het procesverloop in deze zaken. Vanaf 3. worden de relevante feiten en omstandigheden beschreven die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.



1.4.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaken, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop

2. Met het besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de ACM de bezwaren van [afkorting bedrijf X] en [afkorting vereninging Y] tegen de aan [afkorting bedrijf X] opgelegde last onder dwangsom ongegrond verklaard en is de ACM bij haar besluit gebleven.


2.1.

[afkorting bedrijf X] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dat beroep is geregistreerd met kenmerk ROT 25/3814. Ook [afkorting vereninging Y] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dat beroep is geregistreerd met kenmerk ROT 25/3849.



2.2.
Met het besluit van 19 juni 2025 (het niet-invorderingsbesluit) heeft de ACM het verzoek van [afkorting vereninging Y] om van [afkorting bedrijf X] dwangsommen in te vorderen afgewezen omdat [afkorting bedrijf X] volgens de ACM tijdig aan de last onder dwangsom heeft voldaan.



2.3.

[afkorting vereninging Y] heeft beroep ingesteld tegen het niet-invorderingsbesluit. Dit beroep is geregistreerd met kenmerk ROT 25/5589. Het beroep van [afkorting vereninging Y] met kenmerk ROT 25/3849 heeft op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) echter van rechtswege mede betrekking op het niet-invorderingsbesluit. De rechtbank heeft dus ten onrechte het beroep met kenmerk ROT 25/5589 aangelegd. De rechtbank zal daarom het voor dat beroep betaalde griffierecht van € 385,- aan [afkorting vereninging Y] terugbetalen.



2.4.
De ACM heeft voor een deel van de door haar overlegde stukken verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.



2.5.
De ACM heeft op de beroepen gereageerd met één gezamenlijk verweerschrift.



2.6.
Met een beslissing van 18 december 2025 heeft de rechter-commissaris het verzoek van de ACM om beperkte kennisneming gerechtvaardigd geacht.



2.7.

[afkorting bedrijf X] heeft op 15 december 2025 schriftelijk gereageerd in de zaken ROT 25/3849 en ROT 25/5589.



2.8.

[afkorting vereninging Y] heeft de rechtbank op 2 januari 2026 toestemming verleend om kennis te nemen van de vertrouwelijke stukken.



2.9.

[afkorting bedrijf X] heeft op 14 januari 2026 schriftelijk gereageerd en nadere stukken overgelegd in de zaak ROT 25/3814.



2.10.
Op 20 januari 2026 heeft [afkorting bedrijf X] de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de vertrouwelijke stukken.



2.11.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens [afkorting bedrijf X] , de gemachtigden van [afkorting bedrijf X] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] namens [afkorting vereninging Y] , de gemachtigde van [afkorting vereninging Y] en de gemachtigden van de ACM.




Voorgeschiedenis en totstandkoming van de besluiten

3. [afkorting vereninging Y] is een leveranciersvereniging van melkveehouders. Haar leden leveren hun melk uitsluitend aan [afkorting bedrijf X] , die daar vervolgens kaas van produceert. Het doel van [afkorting vereninging Y] is het behartigen en bevorderen van de economische en maatschappelijke belangen van de melkveehouders die leveren aan [afkorting bedrijf X] .
[afkorting bedrijf X] heeft vaste leveranciers (melkveehouders) waarvan zij dagelijks melk afneemt. Zij verwerkt deze melk tot kaas en exporteert haar kaas naar 26 landen. Een deel van de melkveehouders die leveren aan [afkorting bedrijf X] is lid van [afkorting vereninging Y] .


3.1.
Op 5 juli 2022 heeft [afkorting vereninging Y] aan de ACM gevraagd om handhavend op te treden tegen [afkorting bedrijf X] vanwege – kort gezegd – oneerlijke handelspraktijken en verboden kartelvorming. Aan haar handhavingsverzoek met betrekking tot de oneerlijke handelspraktijken heeft [afkorting vereninging Y] bij brief van 21 juli 2022 ten grondslag gelegd dat [afkorting bedrijf X] zich schuldig maakt aan de volgende oneerlijke handelspraktijken:

“Het eenzijdig wijzigen van leveringsvoorwaarden,


Het verlangen van betalingen die geen verband houden met de levering;


Het onbevoegd met derden delen van geheime informatie en/of van bedrijfsgeheimen


Een niet transparante prijsvorming, waardoor een leverancier niet kan beoordelen of aan hem wel een juist prijs wordt betaald en waardoor een leverancier niet kan beoordelen of de afnemer met de prijs kosten verrekend die niets van doen hebben met de levering van het product”




[afkorting bedrijf X] heeft leveringsovereenkomsten gesloten met haar leveranciers, de melkveehouders. De leveringsvoorwaarden van die overeenkomsten gelden in principe voor onbepaalde tijd, maar worden jaarlijks op een aantal punten gewijzigd of aangevuld. [afkorting bedrijf X] en de melkveehouder hebben beiden een opzegtermijn. Op grond van de leveringsvoorwaarden levert de melkveehouder zijn melk exclusief aan [afkorting bedrijf X] . In ruil hiervoor betaalt [afkorting bedrijf X] de melkveehouder het zogeheten 'melkgeld' uit. Zij bepaalt de hoogte van het melkgeld maandelijks op basis van de door [afkorting bedrijf X] vastgestelde hoeveelheid geleverde melk en het vastgestelde vet- en eiwitgehalte van de levering. Vervolgens brengt [afkorting bedrijf X] hierop verschillende heffingen in mindering en telt zij hier toeslagen bij op, die in de leveringsvoorwaarden beschreven staan. De melkprijs baseert [afkorting bedrijf X] dus op de vastgestelde hoeveelheid kilo’s vet en eiwit die de geleverde melk bevat. [afkorting bedrijf X] stelt de prijs per kilo vet en eiwit eenzijdig vast. Voor het maandelijks bepalen van de vet- en eiwitprijzen hanteert [afkorting bedrijf X] geen prijssysteem of vaste rekenformule. Haar leveranciers krijgen maandelijks van [afkorting bedrijf X] te horen welke prijs zij de komende maand voor de tariefdragers vet en eiwit krijgen betaald.



3.2.
Op basis van het onderzoek heeft de ACM geconcludeerd dat [afkorting bedrijf X] elke maand op een eenzijdige en ondoorzichtige manier de prijs waarvoor zij melk afneemt, vaststelt. Dit is volgens de ACM een overtreding van artikel 2, eerste lid en onder c, van de Wet OHP Landbouw. Om de leveringsvoorwaarden op dit punt in lijn te brengen met de Wet OHP Landbouw, heeft de ACM in het besluit van 4 september 2024 [afkorting bedrijf X] gelast:

“I. om binnen drie maanden na bekendmaking van dit besluit de leveringsvoorwaarden voor zover die betrekking hebben op de prijs aan te passen en aan haar leveranciers voor te leggen, en daarmee de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan [afkorting bedrijf X] bijvoorbeeld doen door een transparant prijssysteem op te nemen in de nieuwe voorwaarden en deze vooraf voor te leggen aan haar leveranciers;
II. op grond van artikel 12r, eerste lid van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, de ACM schriftelijk te informeren indien zij gedurende de looptijd van de hiervoor genoemde last de leveringsvoorwaarden wijzigt, voor zover die betrekking hebben op de prijs;
III. [afkorting bedrijf X] dient deze last uiterlijk 5 december 2024 te hebben uitgevoerd en de overtreding volledig te hebben beëindigd. Voor elke maand of een gedeelte daarvan na verloop van deze termijn dat [afkorting bedrijf X] geen uitvoering heeft gegeven aan deze last, zal [afkorting bedrijf X] een dwangsom verbeuren van € 175.000,- per maand met een maximum van € 1.050.000,-;
IV. uiterlijk op de laatste dag van de begunstigingstermijn dient [afkorting bedrijf X] de ACM schriftelijk te informeren over de wijze waarop zij aan de last heeft voldaan.”



3.3.

[afkorting bedrijf X] heeft op 15 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en [afkorting vereninging Y] op 16 oktober 2024.



3.4.

[afkorting bedrijf X] heeft bij de ACM aangegeven dat zij meer tijd nodig had om aan de last onder dwangsom te voldoen en meer duidelijkheid wenste van de ACM over de uitvoering van de last (het guidance-traject). In het kader van het guidance-traject hebben de ACM en [afkorting bedrijf X] gesproken over (onderdelen van) het door [afkorting bedrijf X] voorgestelde prijssysteem.



3.5.
Bij besluit van 28 oktober 2024 (het wijzigingsbesluit) heeft de ACM de einddatum van de begunstigingstermijn van de aan [afkorting bedrijf X] opgelegde last onder dwangsom verlengd van 5 december 2024 (drie maanden) naar 4 april 2025 (zeven maanden).



3.6.
Op 8 november 2024 heeft [afkorting vereninging Y] bezwaar gemaakt tegen het wijzigingsbesluit.



3.7.
Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 is de ACM gebleven bij de last onder dwangsom van 4 september 2024, zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit van 28 oktober 2024.



3.8.
Bij e-mail van 8 april 2025 heeft [afkorting bedrijf X] de ACM het voorstel van [afkorting bedrijf X] aan haar melkveehouders voor het nieuwe melkprijssysteem toegestuurd.



3.9.
De ACM heeft bij e-mail van 10 april 2025 bevestigd dat zij de stukken heeft ontvangen en dat zij vindt dat [afkorting bedrijf X] hiermee aan de eisen van de last voldoet. Ook heeft de ACM in deze mail aan [afkorting bedrijf X] medegedeeld dat zij voornemens is op haar website een mededeling op te nemen over de uitvoering van de last.



3.10.
Op 27 mei 2025 heeft [afkorting vereninging Y] de ACM verzocht om een beschikking als bedoeld in artikel 5:37, tweede lid, van de Awb omtrent de invordering van de dwangsom bij [afkorting bedrijf X] te nemen.



3.11.
Met het niet-invorderingsbesluit van 19 juni 2025 heeft de ACM het verzoek van [afkorting vereninging Y] afgewezen, omdat – kort gezegd – het nieuwe prijssysteem van [afkorting bedrijf X] voldoende transparant is en objectief bepaalbare elementen bevat en [afkorting bedrijf X] het prijssysteem vóór het verstrijken van de begunstigingstermijn aan haar leveranciers heeft voorgelegd. Daarmee voldoet [afkorting bedrijf X] volgens de ACM tijdig aan de opgelegde last en is zij dus niet meer in overtreding. Daarom gaat de ACM niet over tot invordering van dwangsommen van [afkorting bedrijf X] .




Beoordeling door de rechtbank


Het beroep van [afkorting bedrijf X] met kenmerk ROT 25/3814



Heeft [afkorting bedrijf X] het verbod op eenzijdige prijswijziging overtreden?

4. [afkorting bedrijf X] voert aan dat de door de ACM vastgestelde handelspraktijk niet in strijd is met Richtlijn 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (Richtlijn OHP Landbouw). De Nederlandse wetgever heeft één-op-één omzetting beoogd van de Richtlijn OHP Landbouw. De uitleg van de Wet OHP Landbouw door de ACM is volgens [afkorting bedrijf X] in strijd met de tekst van de wet en met de bedoeling van de Uniewetgever, zoals blijkt uit onder meer de considerans bij de Richtlijn OHP Landbouw en de guidance-brieven van de Europese Commissie van 11 april 2023 en 15 februari 2025 in reactie op de door de ACM gestelde vragen. Subsidiair komt de interpretatie van de ACM neer op een verdergaande nationale maatregel en gaat het daarmee in tegen de expliciete bedoeling van de nationale wetgever om bij de implementatie van de Richtlijn OHP Landbouw geen verdergaande nationale maatregelen in te voeren. De (verdergaande) nationale maatregel zoals de ACM die met haar uitleg voorstaat, is in strijd met het Unierechtelijke legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel, het recht van vrijheid van ondernemerschap dan wel contractsvrijheid en het principe van het vrije verkeer van goederen. Tot slot betoogt [afkorting bedrijf X] dat zij een marktconforme prijs betaalt en dat zij dit heeft onderbouwd door te becijferen dat zij gemiddeld genomen over jaren 2019-2023 van de zeven grote zuivelondernemingen in Nederland op de derde plaats staat wat betreft de hoogte van de uitbetaalde melkprijs. Daarnaast heeft zij gesteld dat de toenemende schaarste van het melkaanbod in Nederland ook noodzaakt tot marktconforme prijzen. De leveranciers kunnen volgens [afkorting bedrijf X] overstappen en de cijfers maken duidelijk dat zij dit ook daadwerkelijk doen. Ten slotte heeft [afkorting bedrijf X] gesteld dat het voor de melkveehouders eenvoudig is om de melkprijzen van [afkorting bedrijf X] en haar concurrenten met elkaar te vergelijken, nu deze (in ieder geval) sinds 2007 maandelijks worden gepubliceerd.


4.1.
Deze beroepsgrond slaagt.



4.2.
De belangrijkste vraag die [afkorting bedrijf X] en de ACM verdeeld houdt, is of de aan [afkorting bedrijf X] verweten gedraging kwalificeert als een overtreding van het verbod op eenzijdige prijswijziging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw.


4.2.1.
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw bepaalt dat een afnemer onrechtmatig handelt jegens een leverancier in geval van eenzijdige wijziging van de voorwaarden van de leveringsovereenkomst, die verband houden met (onder andere) de prijzen. Deze bepaling is de implementatie van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn OHP Landbouw, waarin de Europese wetgever exact dezelfde bewoordingen gebruikt.



4.2.2.
Hierboven in 3.1 is een omschrijving gegeven van de leveringsovereenkomst tussen [afkorting bedrijf X] en de aangesloten melkveehouders.

In de overeenkomsten met haar leveranciers is [afkorting bedrijf X] onder meer het volgende overeengekomen:

“2.1 Gronden betaling Boerderijmelk

[afkorting bedrijf X] betaalt de melkveehouder per kalendermaand melkgeld op basis van (1) de door [afkorting bedrijf X] vastgestelde hoeveelheid geleverde boerderijmelk, (2) de resultaten van het door het melkcontrolestation uitgevoerde kwaliteitsonderzoek (artikel 3.1) en samenstellingsonderzoek, (3) heffingen en toeslagen (artikel 2.3 t/m 2.12). Met het samenstellingsonderzoek zal van elke levering het vet- en eiwitgehalte worden vastgesteld. Dit dient als basis voor uitbetaling van de geleverde boerderijmelk.




2.2
Opbouw melkprijs
Het door [afkorting bedrijf X] aan de melkveehouder te betalen bedrag per kilogram geleverd vet en eiwit wordt maandelijks vastgesteld.



2.3
Negatieve grondprijs
Per 100 kilogram geleverde boerderijmelk wordt door [afkorting bedrijf X] € 5,00 ingehouden.



2.4
Vaste kosten per melkgeldafrekening wordt door [afkorting bedrijf X] € 35,00 vaste kosten aan de melkveehouder in rekening gebracht.

(…)

”2.13 Definitieve melkprijs

[bedrijf X] hanteert een definitieve melkprijs. Een nabetaling is niet van toepassing.”

Verder is [afkorting bedrijf X] met de melkveehouders overeengekomen dat zij hen - onder voorwaarden - verschillende toeslagen betaalt, zoals de Kwaliteitstoeslag (2.6), Kwaliteitstoeslag pooling (2.7), Kwantumtoeslag (2.8), Toeslag weidegang (2.9), Duurzaamheidstoeslag (2.10), VLOG toeslag (2.11) en Markttoeslag (2.12).



4.3.
De ACM stelt zich op het standpunt dat [afkorting bedrijf X] met deze leveringsovereenkomst het verbod op eenzijdige prijswijziging schendt, omdat de prijs niet in de overeenkomst is vastgelegd terwijl evenmin op kenbare wijze in de overeenkomst is vastgelegd hoe de melkprijs maandelijks wordt berekend. Om niet in strijd met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw te handelen moet [afkorting bedrijf X] volgens de ACM de prijsbepaling op één van de volgende drie manieren vaststellen: (1) de prijs is in het contract opgenomen, (2) de prijs is niet in het contract opgenomen, maar het contract regelt periodieke prijsbepaling met een transparant en objectief prijsmechanisme, of (3) [afkorting bedrijf X] en haar leveranciers onderhandelen periodiek over de prijs. Volgens de ACM volgt deze uitleg in de eerste plaats uit de tekst van de verbodsbepaling zelf. Daarnaast, en belangrijker, volgt deze uitleg volgens de ACM uit de doelstellingen van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), zoals onder meer weergegeven in de Verordening (EU) 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (GMO-verordening), de Richtlijn OHP Landbouw (overwegingen 16 en 21 van de considerans) en de guidance-brieven van de Europese Commissie. Volgens de ACM heeft het verbod op eenzijdige wijzigingen van prijsvoorwaarden van artikel 2, eerste lid en onder c, van de Wet OHP Landbouw dus ten doel om de landbouwbevolking van een redelijke levensstandaard te verzekeren door te borgen dat de prijs voor landbouwproducten op basis van gezonde mededinging en na vrije onderhandeling tot stand komt. Het strekt er volgens de ACM toe unilateraal gedrag van afnemers te verbieden, als gevolg waarvan leveranciers na het sluiten van een leveringsovereenkomst geconfronteerd zouden worden met een situatie waarin zij niet over prijsaanpassingen kunnen onderhandelen en niets anders kunnen dan de prijs van de afnemer te accepteren.



4.4.
Anders dan de ACM, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor beschreven prijsbepaling door [afkorting bedrijf X] niet valt onder de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw opgenomen verboden handelspraktijk die verband houdt met prijzen. Bij het maandelijks vaststellen van de melkprijs wijzigt [afkorting bedrijf X] de leveringsovereenkomst niet en dus kan er ook niet worden gesproken van een eenzijdige wijziging van de leveringsovereenkomst. Zelfs als de bepaling over de vaststelling van melkprijs door [afkorting bedrijf X] een onevenwichtige en oneerlijke contractuele voorwaarde is, leidt dat er op zichzelf nog niet toe dat de bepaling valt onder de reikwijdte van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw, dat uitsluitend eenzijdige wijzigingen van de leveringsovereenkomst verbiedt.



4.5.
De wetsuitleg door de ACM volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit - in de woorden van de ACM - het overkoepelende doel van de Richtlijn OHP Landbouw, zoals dat blijkt uit de considerans daarbij en de positionering van die richtlijn binnen het GLB. Uit de bronnen en passages waarop de ACM zich beroept kan niet worden afgeleid dat uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw voor [afkorting bedrijf X] een verplichting volgt om een transparant en objectief prijsmechanisme te hanteren.



4.6.
Overweging 16 van de considerans van Richtlijn OHP Landbouw maakt onderscheid tussen enerzijds in de leveringsovereenkomst of opvolgende overeenkomsten op duidelijke en ondubbelzinnig wijze geregelde praktijken en anderzijds praktijken die zich voordoen nadat de transactie van start is gegaan en die niet vooraf zijn overeengekomen. Enkel eenzijdige wijzigingen en wijzigingen met terugwerkende kracht in die duidelijke en ondubbelzinnige voorwaarden van de leveringsovereenkomst worden verboden.


4.6.1.
Uit overweging 16 volgt dat bepaalde handelspraktijken als inherent oneerlijk worden beschouwd en niet het voorwerp mogen uitmaken van de contractuele vrijheid van partijen (de zogeheten zwarte lijst). Deze inherent oneerlijke handelspraktijken worden toegelicht in de daarop volgende overwegingen 17 tot en met 23 en artikel 3, eerste lid, van de richtlijn.



4.6.2.
Voor zover in deze zaak relevant, volgt uit overweging 21 en artikel 3, eerste lid, onder c, van de Richtlijn OHP Landbouw dat als inherent oneerlijk wordt beschouwd de eenzijdige wijziging van de voorwaarden van de leveringsovereenkomst. Dit betekent dus dat het 'inherent oneerlijk' is dat een afnemer de (eerder) overeengekomen contractuele voorwaarden (op een later moment) eenzijdig kan wijzigen. Omdat dit 'inherent oneerlijk' is, kan niet overeen worden gekomen dat dit de afnemer wel is toegestaan. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, is in dit geval een eenzijdige wijziging niet aan de orde, omdat juist een maandelijkse (eenzijdige) vaststelling van een onderdeel van de totale melkprijs is overeengekomen. De leveringsovereenkomst staat ook niet toe dat [afkorting bedrijf X] de voor een concrete maand vastgestelde melkprijs nadien nog eenzijdig wijzigt.



4.6.3.
In overweging 21 van de considerans van de Richtlijn OHP Landbouw staat dat sterkere afnemers overeengekomen contractuele voorwaarden niet eenzijdig mogen wijzigen, zoals het uit het assortiment nemen van onder een leveringscontract vallende producten. Het beroep van de ACM op deze overweging van de considerans treft ook geen doel omdat zoals hiervoor is overwogen geen sprake is van een eenzijdige wijziging van contractvoorwaarden.




4.7.
De ACM beroept zich ook op artikel 148, vierde lid, van de GMO-verordening. Daarin staat dat de partijen in alle vrijheid onderhandelen over alle elementen in door producenten, inzamelaars of verwerkers van rauwe melk gesloten contracten voor de levering van rauwe melk, waaronder de prijs.
Artikel 148 is echter geschreven voor situaties waarin een lidstaat besluit om melkveehouders en afnemers te verplichten een schriftelijke overeenkomst te sluiten. In artikel 148, eerste lid, van de GMO-verordening staat dat “indien een lidstaat besluit” een schriftelijk contract verplicht te stellen, dat contract dient te voldoen aan een aantal voorwaarden waaronder de in artikel 148, tweede lid, onder c, sub i, van de GMO-verordening genoemde voorwaarde dat de prijs ofwel statisch moet zijn en in het contract vermeld ofwel moet worden berekend aan de hand van, kort gezegd, objectieve indicatoren en methoden. Het vierde lid bepaalt vervolgens dat partijen in alle vrijheid over verschillende elementen met elkaar onderhandelen met inbegrip van de in het tweede lid, aanhef en onder c, opgenomen voorwaarde. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat, tenzij een lidstaat besluit een schriftelijk contract verplicht te stellen, er geen algemene Unierechtelijke verplichting bestaat op het in de overeenkomst opnemen van een vaste prijs of een transparant en objectief prijsmechanisme, zoals de ACM betoogt.
Dit sluit aan bij overweging 127 van de considerans van de GMO-verordening waarin staat dat aan lidstaten de keuze is gelaten om het gebruik van schriftelijke overeenkomsten verplicht te stellen, maar dat als een lidstaat daarvoor kiest wel een aantal basisvoorwaarden geldt, waarover vrij moet worden onderhandeld. Anders dan bepaalde andere lidstaten, heeft Nederland er niet voor gekozen het gebruik van schriftelijke contracten voor de levering van melk door de melkveehouder aan de afnemer in haar nationale wet verplicht te stellen. Het beroep van de ACM op artikel 148 van de GMO-verordening treft dus geen doel.



4.8.
Dat een lidstaat een vaste prijs of transparant prijsmechanisme wel verplicht mag stellen maar dat die verplichting niet volgt uit Richtlijn OHP Landbouw leidt de rechtbank ook af uit het staff working document van 3 juni 2024 waar in staat dat bijvoorbeeld Kroatië aanvullende, strengere maatregelen heeft opgenomen, waaronder de verplichting dat tussen de afnemer en de leverancier een schriftelijke overeenkomst moet worden gesloten waarin (onder meer) is opgenomen "the price of the agricultural or food product and/or the method for setting, i.e. calculating, the price,- [. ..] The price of the agricultural or food product (...) may be set as a fixed amount, and may be set and/or calculated by combining various factors, which shall be set out in the agreement and may include, for example, market indicators reflecting changes in market conditions, the quantities delivered and the quality or composition of the agricultural products delivered." Deze door Kroatië genomen strengere maatregelen duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat een eis met betrekking tot de wijze van prijsbepaling niet al uit de Richtlijn OHP Landbouw volgt en daarmee dus ook niet uit de Wet OHP, waarin geen strengere maatregelen zijn opgenomen. Het standpunt van de ACM, dat de handelswijze waarbij [afkorting bedrijf X] op niet-transparante wijze de prijs eenzijdig en maandelijks wijzigt, onverenigbaar is met het doel van de Richtlijn en de Wet OHP Landbouw, volgt de rechtbank dan ook niet. Met de stelling dat een vaste prijs of een transparant prijsmechanisme niet verplicht is op grond van de Richtlijn OHP Landbouw, maar dat dan wel over de prijs van vet en eiwit moet kunnen worden onderhandeld, hanteert de ACM een uitleg van het verbod op het eenzijdig wijzigen van de voorwaarden van de leveringsovereenkomst die de rechtbank daarin niet kan lezen.



4.9.
De ACM heeft verder gewezen op de brieven van de Europese Commissie van 15 februari 2023 en 11 april 2023. Over het verbod op eenzijdige prijsbepaling antwoordt de Europese Commissie op vragen van de ACM dat artikel 3, eerste lid, onder c, van de Richtlijn OHP Landbouw in alle gevallen verbiedt dat de koper eenzijdig de voorwaarden van de leveringsovereenkomst wijzigt. Het is verboden dat een koper een overeengekomen prijs of methode voor het bepalen van de prijs wijzigt, zonder onderhandeling of een nieuwe overeenkomst met de leverancier. Artikel 3, eerste lid, onder c, van de Richtlijn OHP, gelezen in samenhang met overweging 21 van de considerans, verbiedt echter niet dat partijen overeenkomen dat de afnemer een concreet element van de transactie, waaronder prijzen, op een later moment nader zal bepalen. [afkorting bedrijf X] en de melkveehouder zijn met de leveringsvoorwaarden geen (vaste) prijs of prijsmechanisme overeengekomen maar wel dat [afkorting bedrijf X] maandelijks de melkprijs (per kilogram eiwit en vet) zal vaststellen. Zoals de rechtbank hiervóór al heeft geoordeeld, is daarmee geen sprake van een eenzijdige wijziging van de leveringsvoorwaarden met betrekking tot de melkprijs. De brieven bieden naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen steun voor de uitleg van de ACM.



4.10.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat geen van de hiervoor besproken bronnen steun biedt voor de door de ACM gekozen ruime uitleg van het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw opgenomen verbod, die er in wezen op neerkomt dat het verbod op eenzijdige prijswijzigingen tevens een verplichting inhoudt om een transparant en objectief prijsmechanisme te hanteren.

5. Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw door [afkorting bedrijf X] . De ACM was dus niet bevoegd om aan [afkorting bedrijf X] een last onder dwangsom op te leggen. Het beroep van [afkorting bedrijf X] is reeds hierom gegrond. De rechtbank ziet gelet op deze conclusie geen aanleiding meer voor het bespreken van de overige beroepsgronden van [afkorting bedrijf X] , namelijk schending van het verdedigingsbeginsel en de instrumentkeuze door de ACM. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank ook geen aanleiding.


Het beroep van [afkorting vereninging Y] met kenmerk ROT 25/3849 (last onder dwangsom)



Stelt [afkorting vereninging Y] terecht dat de ACM maar gedeeltelijk op het handhavingsverzoek heeft beslist?

6. [afkorting vereninging Y] voert aan dat de ACM de door haar ingediende klacht over de eenzijdige bepaling van de prijs voor melk weliswaar gegrond heeft verklaard, maar met betrekking tot de klacht over de contributie van ZuivelNL die [afkorting bedrijf X] int bij haar leveranciers heeft de ACM ten onrechte besloten om dit los te beoordelen van de overige klachten in het handhavingsverzoek. [afkorting vereninging Y] vindt dat dit niet had mogen gebeuren. De overige aan het handhavingsverzoek ten grondslag gelegde bezwaren van [afkorting vereninging Y] waarop in het bestreden besluit van 27 maart 2025 is beslist zijn door de ACM ten onrechte afgewezen.



6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ACM in het bestreden besluit voldoende toegelicht waarom een deel van de klachten van [afkorting vereninging Y] buiten de omvang van het geding valt.


6.1.1.
Het gaat dan om klachten over de manier waarop [afkorting bedrijf X] mogelijk aan de last onder dwangsom zal voldoen, klachten tegen [afkorting bedrijf X] die geen onderdeel uitmaken van het oorspronkelijke handhavingsverzoek van [afkorting vereninging Y] en bezwaren die betrekking hebben op andere besluiten van de ACM dan de last onder dwangsom of het wijzigingsbesluit. De ACM heeft het bezwaar van [afkorting vereninging Y] op deze onderdelen niet-ontvankelijk verklaard. Nu [afkorting vereninging Y] geen inhoudelijke beroepsgronden heeft aangevoerd tegen deze overwegingen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit van 27 maart 2025 in zoverre niet in stand kan blijven.



6.1.2.
Verder heeft de ACM in het bestreden besluit van 27 maart 2025 gemotiveerd waarom zij met betrekking tot ZuivelNL een apart besluit op het handhavingsverzoek heeft genomen. Deze afsplitsing betreft volgens de ACM een louter procedurele beslissing, die is ingegeven door het feit dat ZuivelNL geen betrokkenheid heeft bij de andere klachten van [afkorting vereninging Y] tegen [afkorting bedrijf X] . De ACM stelt terecht dat een dergelijke beslissing valt binnen de ruimte die zij heeft om haar (handhavings)procedures vorm te geven. De ACM heeft de bezwaren van [afkorting vereninging Y] tegen het toezeggingsbesluit en het prioriteringsbesluit in een aparte beslissing op bezwaar beoordeeld. [afkorting vereninging Y] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, dat is geregistreerd met kenmerk ROT 25/3850. De inhoudelijke beroepsgronden die [afkorting vereninging Y] hiertegen aanvoert, kan de rechtbank alleen beoordelen in het kader van die procedure. Dat beroep is eveneens op 26 januari 2026 op zitting behandeld en de rechtbank doet vandaag ook uitspraak in die zaak.




6.2.
Gelet op het voorgaande is het beroep van [afkorting vereninging Y] tegen het bestreden besluit van 27 maart 2025 ongegrond.


Het beroep van [afkorting vereninging Y] met kenmerk ROT 25/5589 (verzoek om invordering)


7. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, heeft het beroep van [afkorting vereninging Y] tegen de last onder dwangsom (ROT 25/3849) van rechtswege mede betrekking op het niet-invorderingsbesluit. Omdat de rechtbank het beroep van [afkorting bedrijf X] tegen de handhaving van de last onder dwangsom met het bestreden besluit (zaak ROT 25/3814) gegrond verklaart, houdt de last onder dwangsom geen stand en wordt de last herroepen. Gelet hierop heeft [afkorting vereninging Y] geen belang meer bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet-invorderingsbesluit. Het beroep tegen het niet-invorderingsbesluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep van [afkorting bedrijf X] met kenmerk ROT 25/3814 is gegrond. De ACM was niet bevoegd om aan [afkorting bedrijf X] een last onder dwangsom op te leggen omdat [afkorting bedrijf X] geen overtreding van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet OHP Landbouw heeft begaan. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zij neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en herroept het primaire besluit van 4 september 2024, zoals gewijzigd met het besluit van 28 oktober 2024, vanwege hetzelfde bevoegdheidsgebrek.


8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de ACM het griffierecht aan [afkorting bedrijf X] vergoeden en krijgt [afkorting bedrijf X] ook een vergoeding van haar proceskosten. De ACM moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [afkorting bedrijf X] een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. [afkorting bedrijf X] heeft gevraagd om vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep. De gemachtigden hebben een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en hebben aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. [afkorting bedrijf X] heeft verzocht om bij de berekening van de proceskosten uit te gaan wegingsfactor 2 (zeer zwaar) maar de rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding en zal uitgaan van wegingsfactor 1 (gemiddeld). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.

9. Het beroep van [afkorting vereninging Y] met kenmerk ROT 25/3849 is ongegrond. [afkorting vereninging Y] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

10. In de zaak met kenmerk ROT 25/5589 krijgt [afkorting vereninging Y] het griffierecht teruggestort, omdat de rechtbank dit dossier ten onrechte heeft aangelegd. Het beroep tegen het niet-invorderingsbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van [afkorting bedrijf X] met kenmerk ROT 25/3814 gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 maart 2025;
- herroept het besluit van 4 september 2024, zoals gewijzigd met het besluit van 28 oktober 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de ACM het griffierecht van € 385,- aan [afkorting bedrijf X] moet vergoeden;
- veroordeelt de ACM tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan [afkorting bedrijf X] ;
- verklaart het beroep van [afkorting vereninging Y] met kenmerk ROT 25/3849 ongegrond;
- verklaart het beroep van [afkorting vereninging Y] tegen het niet-invorderingsbesluit niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de griffier in het beroep met kenmerk ROT 25/5589 het griffierecht van € 385,- aan [afkorting vereninging Y] terugbetaalt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. S.M. Goossens en mr. C.A. Geleijnse, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.












griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 5:1, eerste lid

In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.


Artikel 5:37, tweede lid

Het bestuursorgaan geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.


Artikel 5:39, eerste lid

Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.


Artikel 8:29, eerste, derde, vierde en vijfde lid

1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.


Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen


Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c

1. Een afnemer handelt onrechtmatig jegens een leverancier indien hij een van de volgende handelspraktijken verricht:
c. de afnemer wijzigt eenzijdig de voorwaarden van een leveringsovereenkomst voor landbouw- en voedingsproducten die verband houden met de frequentie, de methode, de plaats, de timing of het volume van de levering van de landbouw- en voedingsproducten, de kwaliteitsnormen, de betalingsvoorwaarden of de prijzen, of met de verlening van diensten, voor zover die uitdrukkelijk worden vermeld in artikel 3.


Richtlijn 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen

(14) Deze richtlijn moet van toepassing zijn op het handelsgedrag van grotere marktdeelnemers jegens marktdeelnemers met een slechtere onderhandelingspositie. Een passende benadering van de relatieve onderhandelingspositie is de van de verschillende marktdeelnemers. Hoewel het een benadering is, biedt dit criterium marktdeelnemers voorspelbaarheid wat betreft hun rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn. Een bovengrens moet voorkomen dat bescherming wordt geboden aan marktdeelnemers die niet kwetsbaar zijn, of aanzienlijk minder kwetsbaar zijn dan hun kleinere partners of concurrenten. Daarom voorziet deze richtlijn in op omzet gebaseerde categorieën van marktdeelnemers volgens welke bescherming wordt geboden.

(16) Bij de beslissing of een bepaalde individuele handelspraktijk als oneerlijk wordt beschouwd, is het van belang het risico op een inperking van het gebruik van eerlijke en efficiëntiebevorderende overeenkomsten tussen de partijen te verkleinen. Daarom is het passend praktijken die op duidelijke en ondubbelzinnige wijze in leveringsovereenkomsten of in daaropvolgende overeenkomsten tussen de partijen zijn geregeld, te onderscheiden van praktijken die zich voordoen nadat de transactie van start is gegaan en die niet vooraf zijn overeengekomen, zodat uitsluitend eenzijdige wijzigingen en wijzigingen met terugwerkende kracht in die duidelijke en ondubbelzinnige voorwaarden van de leveringsovereenkomst worden verboden. Bepaalde handelspraktijken worden echter als inherent oneerlijk beschouwd en mogen niet het voorwerp uitmaken van de contractuele vrijheid van de partijen.

(21) Sterkere afnemers mogen overeengekomen contractuele voorwaarden niet eenzijdig wijzigen, zoals het uit het assortiment nemen van onder een leveringscontract vallende producten. Dit mag evenwel niet gelden voor situaties waarin er sprake is van een overeenkomst tussen een leverancier en een afnemer waarin specifiek is vastgelegd dat de afnemer een concreet element van de transactie met betrekking tot toekomstige bestellingen in een later stadium nader kan bepalen. Dit zou bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op de bestelde hoeveelheden. Een overeenkomst wordt niet noodzakelijk op één bepaald tijdstip voor alle aspecten van de transactie tussen de leverancier en de afnemer gesloten.


Artikel 3 Verbod op oneerlijke handelspraktijken

1. De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende oneerlijke handelspraktijken verboden zijn:
c) de afnemer wijzigt eenzijdig de voorwaarden van een leveringsovereenkomst voor landbouw- en voedingsproducten die verband houden met de frequentie, de methode, de plaats, de timing of het volume van de levering van de landbouw- en voedingsproducten, de kwaliteitsnormen, de betalingsvoorwaarden of de prijzen, of met de verlening
van diensten, voor zover die uitdrukkelijk worden vermeld in lid 2.


Verordening (EU) 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten


Artikel 148, eerste, tweede, onder c, sub i, en vierde lid

1. Indien een lidstaat besluit dat voor elke levering van rauwe melk op zijn grondgebied door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk, een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten en/of besluit dat een eerste koper een landbouwer voor een contract betreffende de levering van rauwe melk een schriftelijk voorstel moet doen, dienen dat contract en/of dat voorstel voor een contract te voldoen aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden.

Een lidstaat die besluit dat voor leveringen van rauwe melk van een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, bepaalt tevens, indien de rauwe melk door één of meer inzamelaars wordt geleverd, welk leveringsstadium of welke leveringsstadia onder dit contract vallen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "inzamelaar" verstaan: een onderneming die rauwe melk vervoert van een landbouwer of een andere inzamelaar naar een verwerker van rauwe melk of een andere inzamelaar, met dien verstande dat de eigendom van de melk telkens wordt overgedragen.

2. Het contract en/of het voorstel voor een contract bedoeld in lid 1:
a. a) worden vóór de levering gesloten;
b) worden schriftelijk opgesteld; en
c) bevatten in het bijzonder de volgende gegevens:
i) de voor de levering verschuldigde prijs, die:
- statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, en/of
- wordt berekend op grond van een combinatie van verschillende in het contract opgenomen factoren, zoals marktindicatoren die de ontwikkeling van de marktsituatie weerspiegelen, de geleverde hoeveelheid en de kwaliteit of de samenstelling van de geleverde rauwe melk;

4. De partijen onderhandelen in alle vrijheid over alle elementen in door producenten, inzamelaars of verwerkers van rauwe melk gesloten contracten voor de levering van rauwe melk, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

Niettegenstaande de eerste alinea geldt één of beide van de volgende mogelijkheden:
a. a) indien een lidstaat besluit dat voor de levering van rauwe melk overeenkomstig lid 1 een schriftelijk contract moet worden gesloten, kan de lidstaat een minimale looptijd vaststellen die echter alleen van toepassing is op schriftelijke contracten tussen een landbouwer en de eerste koper van rauwe melk; de aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen;
b) indien een lidstaat besluit dat de eerste koper van rauwe melk de landbouwer voor een contract overeenkomstig lid 1 een schriftelijk voorstel dient te doen, kan de lidstaat bepalen dat het voorstel de ter zake in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet omvatten; de aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden, en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.

De tweede alinea laat de rechten onverlet van de landbouwer om een dergelijke minimale looptijd schriftelijk te weigeren. In dat geval onderhandelen de partijen in alle vrijheid over alle elementen van het contract, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.


Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6768 (r.o. 22), en 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2354 (r.o. 7).


Zie overwegingen 43 en 44 van het arrest 13 november 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2019:962 (Lietuvos).


Commission staff working document, Unfair Trading Practices (UTP) - Overview tables on Member States’ transposition choices and enforcement activities SWD(2024) 106 final/2.
Link naar deze uitspraak