Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:6234 
 
Datum uitspraak:01-05-2026
Datum gepubliceerd:28-05-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 26/3061
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingswet. Voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor funderingsherstel van een pand. Verzoekster is het daar niet mee eens, omdat zij vindt dat er geen rekening is gehouden met de gevolgen van het bouwplan voor haar woning. Zij stelt een gedeelde fundering te hebben met de woning van vergunninghoudster. Het verzoek is afgewezen. Gelet op het toetsingskader van artikel 8.3b, tweede lid, van het Bkl wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van Hsk 5 van het Bbl. De regels over de constructie zien enkel op het te verbouwen bouwwerk en niet de woning van verzoekster. Er hoeft niet getoetst te worden of aannemelijk is dat voldaan wordt aan de regels van Hsk 7 van het Bbl. Ook is binnen dit toetsingskader geen ruimte om te toetsen aan het Burgerlijk Wetboek.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/3061

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman).

Met als derde-partij: RS Invest B.V. uit Hendrik-Ido-Ambacht (vergunninghoudster).



Procesverloop

1. Met het besluit van 6 maart 2026 (bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor funderingsherstel van het pand op [adres] (het perceel). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.


1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, namens verzoekster is op zitting het woord gevoerd door [naam 1] en [naam 2], en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3].




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.


2.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


Totstandkoming van het besluit

3. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de (technische) bouwactiviteit (artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow).



3.1.
De fundering wordt hersteld door het maken van een constructievloer met betonnen plint op schroefinjectie palen, met behoud van stahoogte. Het gehele funderingsherstel duurt ongeveer drie maanden.



3.2.
Verzoekster woont naast het perceel en vreest voor schade aan haar woning door de werkzaamheden.

Toetsingskader

4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Besluit bouwwerken leefomgeving

5. Verzoekster betoogt dat het college onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd wat de gevolgen van het bouwplan zijn voor de woning van verzoekster (artikel 3:2 en 3:46 van de Awb). Het bouwplan heeft volgens verzoekster grote gevolgen voor haar woning en haar belangen zijn onvoldoende meegewogen door het college (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb) Verzoekster stelt dat de panden constructief met elkaar samenhangen. Tussen beide panden bevindt zich een scheidingsconstructie die bestaat uit twee tegen elkaar geplaatste muren of een bouwmuurconstructie waarbij de muren direct op elkaar aansluiten. Deze constructie loopt, bezien vanaf de straatzijde, aan de zijde van de woning van verzoekster verder door in de lengterichting richting de achterzijde en de tuin dan aan de zijde van het pand van vergunninghoudster. Als gevolg hiervan is de gedeelde constructie niet symmetrisch in diepte uitgevoerd, hetgeen resulteert in een asymmetrische fundering, aldus verzoekster. Tevens ontbreekt volgens verzoekster een motivering waarom wordt uitgegaan van eenzijdig herstel, zonder inzicht te geven in de noodzaak, urgentie en mogelijke alternatieven, waaronder een gezamenlijke aanpak. Een bouwkundige vooropname (nulmeting) kan uitsluitend dienen ter vastlegging van de bestaande situatie en biedt geen waarborg voor het voorkomen van schade.



5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er een het bouwplan vergunningplichtig is op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow in samenhang met de artikelen 2.25 en 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).



5.2.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Bbl. Dat volgt uit artikel 8.3b, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de regels van hoofdstuk 5 van het Bbl moet het college de omgevingsvergunning verlenen. Er is binnen dit toetsingskader geen ruimte om te toetsen aan het Burgerlijk Wetboek en dus of er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering. Ook is gelet op dit toetsingskader geen ruimte voor een belangenafweging.



5.3.
Op grond van artikel 5.9, eerste lid, van het Bbl zijn op het verbouwen van een bouwwerk de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van het Bbl toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het niveau voor verbouw zoals aangegeven in NEN 8700. Deze bepalingen zien enkel op de constructie van het te verbouwen bouwwerk en dus niet op het pand van verzoekster.



5.4.
Voorop staat dat het college in beginsel dient te beslissen op basis van de aanvraag en de bijbehorende stukken. Vergunninghoudster heeft ervoor gekozen om het funderingsherstel zonder verzoekster uit te voeren. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het wenselijk was geweest om dit gezamenlijk op te pakken, bestaat hiervoor geen wettelijke plicht. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van Brak & Eijlers adviseurs voor bouwconstructies bv met betrekking tot het paaldraagvermogen en de gewichts- en wapeningsberekening. Verzoekster heeft geen deskundig tegenrapport ingediend op grond waarvan getwijfeld moet worden aan deze rapporten. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren.



5.5.
Het college is gelet op het toetsingskader van artikel 8.3, tweede lid, van het Bkl, niet gehouden om te toetsen of het bouwplan aannemelijk maakt of tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen zullen worden getroffen om schade door de bouwwerkzaamheden aan de omliggende panden te voorkomen (Hoofdstuk 7 van het Bbl (Bouw- en sloopwerkzaamheden), zie Stb. 2020, 400, p. 1090 en Stb. 2023, 298, p. 118). De voorzieningenrechter wijst er wel op dat Hoofdstuk 7 van het Bbl een zorgplicht bevat voor iedereen die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht of laat verrichten om gevaar voor de gezondheid en veiligheid in de directe omgeving te voorkomen of niet te laten voortduren. Naleving van Hoofdstuk 7 van het Bbl moet worden afgedwongen via de zorgplicht en dus handhaving. De onderliggende procedure leent zich daar echter niet voor.



5.6.
Gelet op voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 3:4, tweede lid en 3:46 van de Awb.




Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet geschorst wordt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.



De griffier is verhinderd deze


uitspraak mede te ondertekenen











griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht




Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.



Artikel 3:4


[…]


De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.





Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.


Omgevingswet




Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
[…],
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.


Besluit kwaliteit leefomgeving




Artikel 8.3b. (beoordelingsregels bouwactiviteit)


[…].


Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.




Besluit bouwwerken leefomgeving




Artikel 5.1. (toepassingsbereik: activiteiten)
Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het verbouwen en het verplaatsen van een bestaand bouwwerk betreffen en op de wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk.



Artikel 5.9. (constructieve veiligheid)


Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het niveau voor verbouw zoals aangegeven in NEN 8700.


[…].
Link naar deze uitspraak