Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:6252 
 
Datum uitspraak:29-04-2026
Datum gepubliceerd:16-06-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/703201 / HA ZA 25-58
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Vordering tot verdeling van de echtelijke woning wordt voor twee jaar uitgesloten (artikel 3:178 lid 3 BW).
Trefwoorden:echtscheiding
kinderbijslag
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven


Zaaknummer: C/10/703201 / HA ZA 25-589


Vonnis van 29 april 2026


in de zaak van



[naam vrouw]
,
te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. L.A. Alderlieste,

tegen



[naam man]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.M. Menheere.





1De zaak in het kort


1.1.
De man en de vrouw zijn getrouwd geweest, in gemeenschap van goederen. In het kader van hun echtscheiding hebben zij afgesproken dat hun woning gezamenlijk eigendom blijft en dat de man daar (zonder de vrouw) nog in elk geval twee jaar mag blijven wonen. Die twee jaar zijn inmiddels voorbij. De vrouw wil nu dat de woning wordt verkocht, de man verzet zich daartegen. Hij wil dat de woning onverdeeld blijft zodat hij de tijd heeft om met de kinderen een nieuwe woning te zoeken. De rechtbank beslist dat de woning nog twee jaar onverdeeld blijft, omdat het belang van de man aanmerkelijk zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij verkoop.



1.2.
Verder is het de vraag of partijen nog geld van elkaar tegoed hebben. De rechtbank beslist welke bedragen partijen nog aan elkaar moeten betalen.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 27 juni 2025, met producties 1 tot en met 10;


de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 6;


de oproepingsbrieven van de rechtbank van 16 en 25 september 2025;


de e-mail van 5 januari 2026 van de rechtbank met een zittingsagenda;


de brief van mr. Menheere van 16 januari 2026, met aanvullende producties 7 tot en met 11;


de conclusie van antwoord in reconventie, met aanvullende producties 11 tot en met 16;


de aanvullende producties 17 tot en met 19 van de vrouw;


de mondelinge behandeling van 3 februari 2026.





2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






3De feiten


3.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] gehuwd in gemeenschap van goederen. Partijen hebben samen twee kinderen: een (jong)-meerderjarige dochter (geboren in 2007) en een minderjarige zoon (geboren in 2013).



3.2.
Partijen hebben tijdens hun huwelijk samen een woning gekocht, aan de [adres] ( [postcode] ) in Rotterdam. De woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening van de ING bank, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn (hierna: de hypotheek).



3.3.
De hypotheekschuld bedraagt momenteel in totaal ongeveer € 230.000,-. Ter zitting is gebleken dat de waarde van de woning voor de WOZ meest recentelijk is bepaald op € 404.000,-.



3.4.
Bij beschikking van 21 juni 2022 is de echtscheiding – naar aanleiding van een ingediend verzoekschrift d.d. 3 juni 2022 – tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 8 juli 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.



3.5.
In het kader van de echtscheiding hebben partijen afspraken gemaakt die zij hebben vastgelegd in een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant), dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking. In het convenant is opgenomen dat partijen de woning twee jaar onverdeeld zullen laten en dat zij zich na ommekomst van die twee jaar zullen beraden hoe verder te gaan met de woning.


3.6.
In het convenant is verder afgesproken dat de belastingschuld op naam van de vrouw en de belastingschuld op naam van de man aan ieder van partijen voor de helft wordt toegerekend.



3.7.
De vrouw heeft in het najaar van 2022 de woning verlaten. Zij woont sindsdien in een huurwoning. De man is in de woning blijven wonen. Partijen hadden oorspronkelijk co-ouderschap van de kinderen. Inmiddels wonen beide kinderen bij de man.



3.8.
Partijen hebben na het verstrijken van de in het convenant opgenomen tweejaarstermijn gecorrespondeerd over de verdeling van de woning.



3.9.
De vrouw heeft tot 1 oktober 2025 kinderbijslag en kindgebonden budget ontvangen voor de zoon van partijen, die tot die datum op haar adres stond ingeschreven. Per 1 oktober 2025 staat de zoon ingeschreven op het adres van de man. De dochter van partijen heeft steeds bij de man ingeschreven gestaan.






4Het geschil


in conventie



4.1.
De vrouw vordert bij dagvaarding – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


de wijze van verdeling van de woning te gelasten, in die zin dat de woning moet worden verkocht en de man daaraan alle medewerking moet verlenen, op straffe van een dwangsom;


de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 4.030,44 uit hoofde van de verdeling van de belastingschulden;


de man te veroordelen in de proceskosten.





4.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.


in reconventie




4.3.
De man vordert, na eisvermindering, – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een en ander kosten rechtens:
I. de vordering tot verdeling van de woning voor de duur van drie jaar uit te sluiten;
II. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de ontvangen kinderbijslag voor de zoon over de periode van 1 september 2024 tot 1 juli 2025;
III. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van het ontvangen kindgebonden budget voor de zoon van € 534,00 per maand over de periode van 1 september 2024 tot 1 juli 2025.



4.4.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de man, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.






5De beoordeling


Inleidende opmerking



5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.


De woning




5.2.
Tussen partijen heeft een wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen bestaan. Die gemeenschap is op 3 juni 2022 ontbonden. Niet is in geschil dat alle goederen daarna zijn verdeeld, met uitzondering van de woning, zoals is overeengekomen in het convenant. De woning valt dus in de onverdeelde (ontbonden) huwelijksgemeenschap, samen met de hypotheekschuld. Niet is in geschil dat er sprake is van een overwaarde, in de zin dat de huidige waarde van de woning hoger is dan de hypotheekschuld.



5.3.
De vrouw vordert nu dat de woning alsnog wordt verdeeld, door middel van een verkoop van de woning. Zij beroept zich op de artikelen 3:178 lid 1 en 3:185 lid 1 BW. De man bepleit afwijzing van die vordering en vordert in reconventie dat de vordering tot verdeling van de woning voor de duur van drie jaar wordt uitgesloten.



5.4.
De vraag is dus wat er met de woning moet gebeuren. Geen van partijen wil de woning toegedeeld krijgen.


Juridisch kader




5.5.
De rechtbank stelt voorop dat als de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW kan vaststellen. Het uitgangspunt van de wetgever is dat niemand kan worden gehouden in een onverdeeldheid te blijven (artikel 3:178 lid 1 BW). Wanneer iemand vraagt om een gezamenlijk goed te verdelen, dan zal de rechter dit ook moeten doen.



5.6.
Artikel 3:178 lid 3 BW voorziet echter in een uitzondering op de hoofdregel van artikel 3:178 lid 1 BW. Daarin is bepaald dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie de vordering tot verdeling aanhangig is die vordering tot verdeling op verlangen van een deelgenoot (telkens) voor ten hoogste drie jaar kan uitsluiten. Alleen in zeer bijzondere gevallen kan dus worden beslist dat er nog niet hoeft te worden verdeeld. Zo’n situatie doet zich hier voor. De rechtbank licht dat hierna toe.


Uitsluiting van de verdeling voor de duur van twee jaar




5.7.
De vrouw stelt dat haar belang bij verdeling eruit bestaat dat zij door verkoop van de woning (i) kan beschikken over haar deel in de overwaarde en daarmee zelf een woning kan kopen, (ii) wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en niet meer geconfronteerd wordt met aanmaningen vanwege opgelopen betalingsachterstanden, en (iii) de negatieve BKR-registratie wordt verwijderd, die is ontstaan vanwege een betalingsachterstand van de hypotheektermijnen toen partijen nog getrouwd waren.



5.8.
Het belang van de man is erin gelegen dat hij met de kinderen in de woning kan blijven wonen, totdat hij vervangende woonruimte voor hen heeft gevonden. De man kampt met serieuze gezondheidsproblemen en moet revalideren na een recente medische ingreep. De kinderen wonen voltijds bij hem en willen geen contact meer met hun moeder. De man is al geruime tijd hard bezig om vervangende woonruimte te zoeken, maar dat is tot nu toe niet gelukt.



5.9.
Het is voor de rechtbank duidelijk dat de vrouw en de man allebei een groot belang hebben bij verdeling respectievelijk onverdeeld laten van de woning. Zonder af te doen aan het belang van de vrouw om de woning te verdelen, is de rechtbank van oordeel dat het onmiddellijk getroffen belang van de man bij verdeling aanmerkelijk groter is dan het belang van de vrouw om niet langer in onverdeeldheid te blijven. Zij licht dit hierna toe.



5.10.
Duidelijk is voor de rechtbank dat de man en de kinderen op dit moment een zeer groot belang hebben bij een stabiele woonsituatie. De zoon zit in de verlengde brugklas van het VMBO basis/kader en krijgt daar extra ondersteuning; die brugklas duurt nog tot zomer 2027. Het is belangrijk dat hij die brugklas rustig kan doorlopen, zonder een verhuizing, omdat hij gevoelig is voor veranderingen. De man zelf heeft meerdere infarcten gehad, meest recent nog in december 2025 en heeft toen een dotterbehandeling gehad en er zijn meerdere stents geplaatst. Hij moet rust houden en naar verwachting nog maximaal een jaar revalideren. Dit alles terwijl hij alleen voor de kinderen van partijen zorgt. De vrouw heeft het voorgaande niet betwist. Zij stelt dat de kinderen ook bij haar kunnen komen wonen, maar zij heeft niet weersproken dat de kinderen dat niet willen. Gebleken is verder dat de man – met uitzondering van de periode dat de dochter in de jaren 2023 en 2024 te kampen had met een verlamming en daardoor rolstoelgebonden was – hard op zoek is gegaan naar een andere woning. Hij komt, gezien zijn inkomen, in aanmerking voor een sociale huurwoning, maar vanwege het woningtekort en de wachtlijsten is hij nog (lang) niet aan de beurt. Hij heeft zich voor tal van woningen ingeschreven, maar vist steeds naast het net. Stilzitten kan de man niet worden verweten. Op het moment van de zitting loopt een door hem ingediende aanvraag voor urgentie bij de gemeente Rotterdam. Daarop is nog niet beslist.



5.11.
Al hoewel het begrijpelijk is dat de vrouw om haar moverende redenen zo snel mogelijk af wil van de met de man gedeelde woning, zijn – zoals hierboven is uitgelegd – de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van de man aanmerkelijk groter dan het belang van de vrouw bij verkoop. Het nadeel van de vrouw bij een verder uitstel van de verkoop is genuanceerder dan zij zelf schetst. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij in haar huidige huurwoning blijft wonen en eventueel een woning wil kopen als dat financieel gezien kan. Gelet op de huidige overwaarde van de woning is het echter niet waarschijnlijk dat zij met de helft van die overwaarde al gemakkelijk een woning kan kopen. Dat dit in haar geval anders is, heeft de vrouw ook niet nader onderbouwd. Verder draagt zij ten aanzien van de woning geen lasten, omdat de man – conform de afspraak in het convenant – steeds alle lasten, ook de eigenaarslasten, voor de woning heeft betaald en ook blijft betalen, terwijl zij bij een latere, uitgestelde verkoop van de woning gewoon zal meedelen in de na de peildatum gerealiseerde overwaarde. De man heeft ter zitting gemotiveerd weersproken dat er nieuwe achterstanden bij de ING zijn ontstaan en heeft verklaard een betalingsregeling te hebben getroffen voor de achterstand van de verschuldigde erfpacht. De kans dat de vrouw (met succes) door de ING zal worden aangesproken voor terugbetaling van de hypotheekschuld of betaling van de rentetermijnen, is dus klein. Waar de vrouw ten slotte lijkt te suggereren dat zij door verkoop van de woning geen last meer heeft van de negatieve BKR-registratie in het BKR-register, is dat niet automatisch het geval, nu een BKR-registratie pas wordt verwijderd vijf jaar nadat de schuld is afbetaald.



5.12.
Op grond van artikel 3:178 lid 3 BW beslist de rechtbank dan ook dat de vordering tot verdeling zal worden uitgesloten voor de duur van twee jaar. Dat geeft de man meer tijd om vervangende woonruimte te vinden, terwijl hij ook de tijd krijgt die noodzakelijk is om te herstellen van zijn gezondheidsproblemen en te revalideren, en de zoon van partijen de gelegenheid krijgt om in de nodige rust zijn verlengde brugklas af te ronden. De rechtbank ziet in de huidige persoonlijke omstandigheden van de man en de zoon geen aanleiding om de vordering tot verdeling voor een langere duur dan twee jaar uit te sluiten, omdat na ommekomst van die twee jaar – bij de huidige stand van zaken – het belang van de vrouw bij verdeling voorop komt te staan.



5.13.
De rechtbank gaat ervan uit dat de man zich gedurende de periode van het uitstel zal blijven inspannen om de aangevraagde urgentieverklaring te krijgen en vervangende woonruimte te vinden. Als de man vóór het eind van die tweejaarstermijn een vervangende woning heeft gevonden, ligt het in de rede dat partijen dan eerder overgaan tot verkoop van de woning. In dat geval geldt dat de netto-opbrengst van de verkoop (de verkoopsom van de woning minus aflossing hypotheek en na betaling van de verkoopkosten) tussen partijen wordt gedeeld.



5.14.
De vordering in conventie van de vrouw om de woning te verdelen, met het daarbij door haar gevorderde “spoorboekje” en de gevorderde medewerking van de man, wordt dus afgewezen. De reconventionele vordering van de man om de woning onverdeeld te laten, wordt toegewezen, zij het voor de duur van twee jaar.


De belastingschuld




5.15.
Niet is in geschil dat partijen op de peildatum schulden aan de Belastingdienst hadden: (i) op naam van de man een belastingschuld van € 1.486,86, en (ii) op naam van de vrouw een belastingschuld van € 9.547,74. Partijen zijn voor die schulden – gezien het huwelijksregime dat op hen van toepassing is – hoofdelijk aansprakelijk. In het echtscheidingsconvenant is overeengekomen dat ieder voor de helft draagplichtig is voor deze schulden. De man heeft de op zijn naam staande schuld onder (i) inmiddels betaald.



5.16.
De vrouw vordert nu dat de man wordt veroordeeld om haar een bedrag van € 4.030,44 te betalen, welk bedrag betrekking heeft op de helft van in de huwelijksgemeenschap vallende belastingschulden ((€ 1.486,86 + € 9.547,74)/2), verminderd met het bedrag dat de man al heeft betaald (€ 1.486,86).



5.17.
De man heeft in eerste instantie terecht betwist dat hij verplicht is dit bedrag te betalen. De vrouw heeft immers pas een vordering op de man, als vast staat dat zij meer dan de helft van de op haar naam staande schuld onder (ii) heeft voldaan (artikel 6:10 lid 2 BW). Dat dat het geval is, heeft zij in haar dagvaarding gesteld noch onderbouwd.



5.18.
Vlak vóór de mondelinge behandeling heeft de vrouw evenwel een betalingsoverzicht van de Belastingdienst overgelegd, waaruit blijkt dat zij recent diverse betalingen aan de Belastingdienst heeft gedaan. Volgens de vrouw volgt hieruit dat de schuld genoemd in 5.15 onder (ii) inmiddels volledig door haar is afbetaald. De man voert aan dat hij zekerheidshalve een brief van de Belastingdienst wil zien waarin dat staat. De vrouw heeft daarop toegezegd na de zitting zo’n brief aan de man te kunnen laten zien.



5.19.
De rechtbank wijst de vordering van de vrouw toe, onder de voorwaarde dat de vrouw schriftelijk bewijs aan de man verstrekt dat de belastingschuld onder (ii) inmiddels door haar is voldaan.


Het kindgebonden budget en de kinderbijslag voor de zoon




5.20.
Op zitting heeft de vrouw erkend dat de zoon van partijen in elk geval al vanaf 1 september van 2024 bij de man woont. Dat is dus veel eerder dan de datum van de officiële inschrijving van de zoon bij de man per 1 oktober 2025. Vanaf 1 oktober 2025 ontvangt de man het kindgebonden budget en de kinderbijslag voor de zoon.



5.21.
Niet is in geschil dat de vrouw al die tijd het kindgebonden budget en de kinderbijslag voor de zoon is blijven ontvangen, terwijl hij niet meer bij haar woonde en de man de kosten van verzorging en opvoeding voor de zoon betaalde. Gebleken is dat de vrouw inmiddels – ná de conclusie van eis in reconventie van de man – het kindgebonden budget en de kinderbijslag over 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025 aan de man heeft overgemaakt. De man heeft daarna zijn eis verminderd en de door de vrouw ontvangen bedragen over de periode van 1 september 2024 tot 1 juli 2025 (in plaats van tot 1 oktober 2025) gevorderd.



5.22.
De vraag is nu of de vrouw de ontvangen bedragen over de periode van 1 september 2024 tot 1 juli 2025 aan de man moet betalen. De man stelt dat de vrouw hiertoe verplicht is, op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).



5.23.
De vrouw heeft niet betwist dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt – door de ontvangen bedragen voor zich zelf te houden en niet aan de man te betalen, terwijl hij de kosten van opvoeding en verzorging voor de zoon betaalde en zij niet – , terwijl de man is verarmd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw de door haar ontvangen bedragen over de hiervoor genoemde periode aan de man moet betalen.



5.24.
Aan het voorgaande staat, anders dan de vrouw aanvoert, niet in de weg dat partijen in het echtscheidingsconvenant hebben afgesproken dat de man het kindgebonden budget en kinderbijslag voor de dochter ontvangt, en de vrouw het kindgebonden budget en kinderbijslag voor de zoon. Ten tijde van dat convenant ging men immers er nog van uit dat er sprake was en zou blijven van co-ouderschap, zodat het destijds voor de hand lag dat partijen een dergelijke afspraak hebben gemaakt. Van feitelijk co-ouderschap is nu – naar onweersproken vast staat – sinds 1 september 2024 geen sprake meer. Dat deze wijziging in wie het kindgebonden budget en de kinderbijslag voor de zoon ontvangt – niet schriftelijk is vastgelegd (zoals het convenant op zich wel voorschrijft) doet hier niet aan af. Dit omdat niet gebleken is dat (alle) eerdere wijzigingen wel schriftelijk zijn vastgelegd; partijen zijn dus kennelijk in de loop van de tijd van dat schriftelijkheidsvereiste afgeweken.



5.25.
De vrouw betwist niet dat zij over de periode van 1 september 2024 tot 1 oktober 2025 een bedrag van € 1.694,36 aan kinderbijslag voor de zoon heeft ontvangen. Daarmee staat dat bedrag in elk geval vast. Hierop mag in mindering worden gebracht het bedrag dat de vrouw inmiddels aan de man heeft betaald vanwege door haar over het derde kwartaal 2025 ontvangen kinderbijslag van de zoon (€ 416,41). Dit komt dan uit op een bedrag van € 1.277,95.



5.26.
Wat het kindgebonden budget betreft, heeft de man zijn vordering naar eigen zeggen gebaseerd op een schatting. De vrouw heeft – in reactie op die schatting – aangevoerd dat zij in 2024 een bedrag van € 391,- per maand aan kindgebonden budget voor de zoon heeft ontvangen. De man heeft hierop niet gereageerd. Verder heeft de vrouw stukken laten zien waaruit volgt dat zij in 2025 een bedrag van € 205,33 per maand aan kindgebonden budget voor de zoon heeft ontvangen (€ 2.464,- / 12 maanden). Ook hierop heeft de man niet gereageerd. De rechtbank gaat dus uit van de door de vrouw genoemde bedragen. Dat betekent dat het in genoemde periode door de vrouw ontvangen bedrag wordt bepaald op € 1.564,- voor 2024 (namelijk 4 maanden in 2024 * € 391,-) en op € 1.231,98 voor 2025 (namelijk 6 maanden in 2025 * € 205,33). Dit komt in totaal uit op € 2.795,98.



5.27.
Het voorgaande betekent dat de reconventionele vorderingen van de man zullen worden toegewezen voor een bedrag van € 4.073,93, namelijk € 2.795,98 (kindgebonden budget) plus € 1.277,95 (kinderbijslag).


Dit vonnis wordt wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard




5.28.
De rechtbank verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals door elk van partijen is gevorderd en waarop door de andere partij niet is gereageerd (artikel 233 Rv).


De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd




5.29.
Gelet op de relatie tussen partijen (ex-echtgenoten) worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt (artikel 237 Rv).






6De beslissing

De rechtbank


in conventie



6.1.
veroordeelt de man om – nadat is voldaan aan hetgeen in 5.19 is overwogen – aan de vrouw een bedrag van € 4.030,44 te betalen,



6.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie




6.3.
sluit een vordering van de vrouw tot verdeling van de woning uit voor een periode van twee jaren, te berekenen vanaf de datum van dit vonnis,



6.4.
veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag van € 4.073,93 te betalen,



6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,


in conventie en in reconventie




6.6.
verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad,



6.7.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

2334/3310
Link naar deze uitspraak