Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:7067 
 
Datum uitspraak:03-06-2026
Datum gepubliceerd:30-06-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/715277 / HA ZA 26-18
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verwijzing naar kanton. Duidelijke aanwijzingen dat het totaal van de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan 25.000 euro.
Trefwoorden:huurovereenkomst
wettelijke rente
woz waarde
woz-beschikking
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven


Zaaknummer: C/10/715277 / HA ZA 26-181


Vonnis van 3 juni 2026


in de zaak van



[eiser]
,
te [woonplaats ],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.J. Waaijers-de Graaf,

tegen



[gedaagde]
,
te [woonplaats ],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Meeuwsen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 februari 2026, met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord tevens incident van onbevoegdheid en eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord in incident alsmede conclusie van antwoord in reconventie, met productie 9.






2De beoordeling


2.1.
De vrouw voert in haar conclusie aan dat de rechtbank onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen en de zaak moet verwijzen naar de kantonrechter. Zij heeft echter
geen daarop gerichte incidentele vordering opgenomen in het petitum van haar conclusie.
Van een incident is dus geen sprake. Dat neemt niet weg dat de rechtbank op grond van artikel 71 lid 2 en 72 Rv ambtshalve moet beoordelen of zij wel bevoegd is én of de zaak niet moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. De rechtbank zal die vragen, mede aan de hand van de standpunten van partijen hierover, beantwoorden.



2.2.
De rechtbank stelt voorop dat van (absolute) onbevoegdheid geen sprake kan zijn; de rechtbank is bevoegd op grond van artikel 42 Wet RO. De relevante vraag is welke kamer van de rechtbank de zaak moet behandelen: de civiele kamer (in deze rechtbank: Team handel en haven), waar de zaak nu aanhangig is, of de kamer voor kantonzaken (de kantonrechter). In dat laatste geval volgt verwijzing op grond van artikel 71 lid 2 Rv.



2.3.
Volgens artikel 93 Rv worden – voor zover hier van belang – door de kantonrechter behandeld en beslist: (a) zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste
€ 25.000,- en (b) zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan
€ 25.000,-. Als vorderingen van bepaalde én onbepaalde waarde zijn ingesteld, is de kantonrechter ‘bevoegd’ als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat het totaal van de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,- (zie artikel 94 lid 1 Rv).



2.4.
De man vordert in conventie om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“Primair
I. De verdeling aldus te gelasten / vast te stellen door te bepalen dat de garagebox aan het adres [adres] aan de man wordt toebedeeld waarbij hij de helft van de waarde gelijktijdig met de notariële overdracht aan de vrouw dient te voldoen;
II. Te bepalen dat de waarde wordt vastgesteld gelijk aan de waarde zoals uit de WOZ-beschikking die in 2026 wordt ontvangen blijkt;
III. Te bepalen dat de overdracht plaatsvindt bij een door de man aan te wijzen notaris tegen de eerst mogelijke datum voor het passeren van de akte van levering;
IV. Te bepalen dat de garagebox vrij van verhuur dient te worden overgedragen en geleverd en dat de vrouw voor iedere maand dat de garagebox - vanaf datum uitspraak in deze - nog niet vrij is van verhuur, aan de man een dwangsom verschuldigd is van € 750,- euro per maand voor iedere maand dat de garagebox nog door de vrouw aan derden wordt verhuurd;
V. Te bepalen dat partijen ieder de helft van de kosten van de notariële levering voor hun rekening nemen;

Subsidiair

VI. Te bepalen dat de wijze van verdeling als volgt wordt gelast:
a. De garagebox zal voor een marktconforme prijs aan een derden worden verkocht en geleverd, waarbij de helft van de opbrengst, minus de kosten van verkoop, bij helfte worden verdeeld;
b. De garagebox zal vrij van verhuur dienen te worden verkocht en geleverd;
c. De verkoop zal als volgt dienen plaats te vinden:
- Partijen dienen beiden hun medewerking te verlenen aan het plaatsen van advertenties en ieder de helft van de kosten voor zijn of haar rekening te nemen;
- De vrouw dient de sleutels aan de man te overhandigen zodat hij de bezichtigingen voor zijn rekening kan nemen;
- Bij een redelijk bod, conform marktconforme waarde, zullen partijen beiden dit aanbod accepteren en hun medewerking verlenen aan de verkoop en levering van de garagebox;

Zowel primair als subsidiair

VII. Te bepalen dat de vrouw binnen 2 weken na datum betekening vonnis in deze, de huurovereenkomst opzegt en voor iedere maand dat zij na deze datum de garagebox nog verhuurt, aan de man verschuldigd is een dwangsom van € 750,- per maand;
VIII. Te bepalen dat de vrouw zorgdraagt voor het leeg, schoon en gerepareerd opleveren van de garagebox op straffe van een dwangsom van € 2.000,- voor het geval de vrouw bij notariële levering van de garagebox hiervoor niet zorggedragen heeft;
IX. De vrouw te veroordelen om binnen 2 weken na betekening van het vonnis in deze aan de man dient te betalen de helft van de door haar ontvangen huuropbrengsten waarbij zij bewijs van de huuropbrengsten en huurovereenkomst dient te overleggen, bij gebreke waarvan de vrouw vanaf oktober 2025 tot datum einde huur maandelijks aan de man dient te voldoen een bedrag van € 350,- per maand;
X. De vrouw te veroordelen om steeds binnen 3 dagen na ontvangst van de nog komende huurtermijnen aan de man de helft hiervan te voldoen dan wel, bij gebreke van bewijs, een bedrag van € 350,- voor iedere maand;
XI. De vrouw te veroordelen om, binnen 2 weken na datum vonnis in deze, aan de man te voldoen de helft van de door hem betaalde gemeentelijke belastingen en premie opstalverzekering welk bedrag door de man begroot is op € 92,55;
XII. De vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder de griffierechten en de kosten voor de advocaat.”



2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er duidelijke aanwijzingen dat het totaal van die vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-. Daartoe overweegt zij als volgt.
Vordering X is van bepaalde waarde, te weten: € 92,55.
De waarde van de vorderingen VII, IX en X over de verhuur/huuropbrengsten van de garagebox kan inmiddels worden vastgesteld. De vrouw heeft een huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat zij de garagebox sinds 21 augustus 2025 verhuurt voor € 140,- per maand. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar. De vrouw stelt dat die is opgezegd en eindigt op 20 augustus 2026. De man lijkt, gelet op punt 7 van zijn conclusie, van de juistheid hiervan uit te gaan. Het gaat dus om een totale huuropbrengst van € 140,- × 12 maanden = € 1.680,-. De man vordert betaling van de helft, dus: € 840,-.
De (maximale) waarde van de hoofdvorderingen (I tot en met VI) – die strekken tot verdeling van de garagebox van partijen – is de helft van de netto-verkoopopbrengst van de garagebox. Die is nog niet bekend.
Dat laatste geldt ook voor de waarde van vordering VIII, die ertoe strekt dat de vrouw de garagebox leeg, schoon en gerepareerd oplevert. De man stelt dat hij schade heeft geconstateerd aan de sloten en deur van de garagebox, heeft een prijsopgaaf overgelegd voor een nieuwe kanteldeur van € 1.850,- en voert verder aan dat overige schade hem nog niet bekend is.
Ervan uitgaande dat vordering VIII een waarde vertegenwoordigt van het genoemde bedrag van € 1.850,-, bedraagt de totale waarde van de vorderingen nog steeds niet meer dan
€ 25.000,- als de netto-verkoopopbrengst van de garagebox (€ 25.000 - € 92,55 - € 840 -
€ 1.850 = € 22.217,45 × 2 =) € 44.434,90 zou zijn. Een dergelijke netto-verkoopopbrengst acht de rechtbank, gelet op het feit dat de WOZ-waarde voor 2025 € 13.000,- bedroeg en in 2024 een bod van € 20.000,- op de garagebox is gedaan, onaannemelijk hoog. Ook als moet worden aangenomen dat vordering VIII enkele duizenden euro’s meer waard is – hoger dan dat komt de rechtbank gelet op de WOZ-waarde en grootte van de garagebox onwaarschijnlijk voor – komt de rechtbank tot eenzelfde conclusie.
De gevorderde proceskosten en dwangsommen tellen bij de beoordeling niet mee.



2.6.
De zaak in conventie moet dus verder door de kantonrechter worden behandeld en beslist.



2.7.
Datzelfde geldt voor de zaak in reconventie. De vrouw vordert in reconventie – samengevat – om bij vonnis, “voor zover mogelijk uitvoerbaar”:
1. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 1.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
2. de man te veroordelen tot afgifte van de jaarstukken van zijn (toenmalige) onderneming over 2022 en de aangifte IB 2022, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat hij daartoe na het vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;
3. voor zover er in 2022 nog een oudedagsvoorziening was, de man te veroordelen om tot verdeling hiervan over te gaan, een en nader onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man daartoe na het vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;
4. de man te veroordelen in de proceskosten.
Er bestaan weliswaar geen duidelijke aanwijzingen dat het totaal van deze vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-, maar de samenhang tussen deze en de conventionele vorderingen – die strekken tot afwikkeling van de huwelijksgemeenschap van partijen – verzet zich tegen afzonderlijke behandeling, zodat de kantonrechter zowel de zaak in conventie als in reconventie moet behandelen (zie artikel 97 lid 1 Rv).



2.8.
Gelet op de woonplaats van de vrouw verwijst de rechtbank de zaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv naar de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Dordrecht.






3De beslissing


3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Dordrecht, op donderdag 18 juni 2026 om 10:00 uur,



3.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst beslist op welke wijze de procedure wordt voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing informeert,



3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,



3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht op grond van artikel 8 lid 4 WGBZ wordt verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier wordt teruggestort.


Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op
3 juni 2026.
3726 / 2459




Hoge Raad 24 februari 1938, NJ 1938/952.


Artikel 611h Rv.
Link naar deze uitspraak