Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:709 
 
Datum uitspraak:16-01-2026
Datum gepubliceerd:29-01-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:NL:TZ:2504014:R-RK en NL: NL:TZ:2504014:R-RK en NL:
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Moratorium toegewezen. Zes maanden. De huurtermijn van januari 2026 is - weliswaar te laat - betaald. Daarnaast heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat verzoekster zelf zorg zal dragen voor betaling van de lopende huurtermijnen.
Trefwoorden:huurovereenkomst
uitkering
zorgtoeslag
Wetreferenties:Faillissementswet 287b
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]


Uitspraak van 16 januari 2026


In de zaak van



[verzoeker]
,
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoeker.




1De procedure

Verzoekster heeft op 12 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 15 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 8 januari 2026.

Ter zitting van 8 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:


verzoekster;


de heer [persoon A] , partner van verzoekster;


mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);


de heer [persoon C] , h.o.d.n. [handelsnaam C] , gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: verweerder).



Op 13 januari 2026 heeft schuldhulpverlening aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd.

Op 13 januari 2026 heeft verweerder inhoudelijk op de aanvullende stukken van schuldhulpverlening gereageerd.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.




2Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025 dat strekt tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster heeft inkomen uit een PW-uitkering. Daarnaast ontvangt zij inmiddels vanaf januari 2026 weer inkomen uit huur- en zorgtoeslag. De huur bedraagt € 689,27 per maand. Verzoekster heeft de huurtermijn van januari 2026 – weliswaar te laat – op 12 januari 2026 betaald. Verzoekster zal zelf zorg dragen dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald zullen worden nu zij ook weer Toeslagen ontvangt.




3Het verweer

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat sinds het proces-verbaal van de kantonrechter twee huurtermijnen zijn voldaan, namelijk september en oktober 2025. Sinds november 2025 heeft verweerder geen betalingen meer ontvangen. Verweerder vindt de huurschuld – van inmiddels meer dan één jaar – erg groot geworden. Door het niet voldoen van de lopende huurtermijnen door verzoekster, mist verweerder inkomsten. In zijn aanvullend schrijven van 13 januari 2026 heeft verweerder aangegeven dat hij onvoldoende gewaarborgd vindt dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan.




4De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025 heeft overgelegd en een kopie van het exploot van 25 november 2025, waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 16 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij – samen met haar minderjarige zoon met autisme, en haar partner – in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerder bestaat erin dat zij het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Er is inmiddels voldoende inkomen om de lopende huur te kunnen voldoen. Verzoekster heeft de huurtermijn van januari 2026 – weliswaar te laat – op 12 januari 2026 voldaan. Gelet op hetgeen besproken is op zitting, heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat verzoekster dat de lopende huurtermijnen tijdig voldoet en dat daaraan prioriteit zal worden gegeven. Schuldhulpverlening is intussen bezig een minnelijk traject op te starten, dat binnen vijf maanden na vandaag afgerond zal moeten zijn. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster naar het oordeel van de rechtbank op dit moment zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerder in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw Wsnp-verzoek indienen.




5De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025 tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 15 december 2025;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
Link naar deze uitspraak