|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:7261 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/5127 25/5157 en 26/1378 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tegen de verdeling van het macrobudget conform het verdeelmodel vanaf 2024 op grond waarvan aan de gemeente Rotterdam een budget is toegekend om aan haar verplichtingen jegens uitkeringsgerechtigden te voldoen over de jaren 2024 en 2025. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | ioaz | | | loonbelasting | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/5127, ROT 25/5157 en ROT 26/1378
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaken tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, eiser
(gemachtigden: mr. W. Breure en mr. A. Hielkema),
en
de minister van Werk en Participatie, de minister
(gemachtigden: mr. I.M. van der Heijden en mr. D.K. Jongkind).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de beslissingen op bezwaar van 22 mei 2025 en 6 januari 2026 (bestreden besluiten). De bestreden besluiten betreffen het voorlopige en het definitieve budget voor de specifieke uitkering algemene bijstand LKS, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (specifieke uitkering) van eiser over de jaren 2024 en 2025, toegekend op grond van artikel 69, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).
Besluitvorming
Zaaknummer 25/5127: voorlopig en definitief budget 2024
1.1.
Met het primaire besluit van 29 september 2023 (primair besluit I) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2024 voorlopig vastgesteld op €542.351.163,-. Met het primaire besluit van 1 oktober 2024 (primair besluit II) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2024 definitief vastgesteld op €574.984.773,-. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) bij die besluiten gebleven.
Zaaknummer 25/5157: voorlopig budget 2025
1.2.
Met het primaire besluit van 1 oktober 2024 (primair besluit III) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2025 voorlopig vastgesteld op €585.396.885,-. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij dit besluit gebleven.
Zaaknummer 26/1378: definitief budget 2025
1.3.
Met het primaire besluit van 30 september 2025 (primair besluit IV) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2025 definitief vastgesteld op €611.316.415,-. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 (bestreden besluit III) op het bezwaar van eiser is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij dit besluit gebleven.
Beroepen
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Eiser heeft op 9 december 2025 een schriftelijke reactie met nadere stukken ingediend. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de gemachtigden van de minister. Daarnaast waren aanwezig: [persoon A] en [persoon B] namens eiser en [persoon C] en [persoon D] namens de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eiser die zien op de toekenning van de voorlopige en de definitieve budgetten voor de specifieke uitkering van eiser over de jaren 2024 en 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.2.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Waar gaat de zaak over?
3. Bij wet wordt jaarlijks het totale budget (macrobudget) vastgesteld dat beschikbaar is voor alle gemeenten voor het verstrekken van de specifieke uitkering. Dit macrobudget wordt vervolgens verdeeld. Het uitgangspunt daarbij is dat het macrobudget toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten gezamenlijk. Voor de vaststelling en verdeling van het macrobudget voor de specifieke uitkering wordt met ingang van het jaar 2015 gebruik gemaakt van een door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) ontwikkeld verdeelmodel. Dit verdeelmodel is vastgelegd in artikel 6 van het Besluit Participatiewet en de daarbij behorende bijlage.
3.1.
Het verdeelmodel kent een volumecomponent en een prijscomponent. Met de volumecomponent wordt de kans op ontvangst van een bijstandsuitkering voor een huishouden ingeschat. Met de prijscomponent wordt de hoogte van de bijstandsuitkering ingeschat. Aan de hand van deze twee componenten wordt het bijstandsbudget per huishouden geraamd. Aan de hand daarvan wordt vervolgens verder berekend wat de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten zijn. Daarbij wordt rekening gehouden met indicatoren, ‘regiokenmerken’, op verschillende niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau. Deze regiokenmerken zijn mede bepalend voor de berekening van de kans op ontvangst van een bijstandsuitkering en de hoogte van de bijstandsuitkering. Bij de afweging over opname van kenmerken in het verdeelmodel hanteert de minister een door SEO Economisch Onderzoek en Atlas Research (SEO en Atlas) ontwikkeld toetsingskader, waarmee is beoogd om objectieve criteria te hanteren voor de selectie van de kenmerken. Beoogde kenmerken moeten voldoen aan drie kwalitatieve criteria (uitlegbaar, niet-beïnvloedbaar en aanvullend) en als ze daaraan voldoen worden ze onderworpen aan een kwantitatieve toets om na te gaan of ze leiden tot een betere verklaringskracht van het model.
3.2.
Eén van de regiokenmerken in de volumecomponent is ‘Buurt waar werken niet de norm is’. Voor het verdeelmodel 2024 is dit regiokenmerk aangepast. In het aangepaste verdeelmodel is niet langer sprake van een vooraf bepaalde afkapgrens die eerder werd gehanteerd om bepaalde buurten al dan niet aan te merken als ‘buurt waar werken niet de norm is’ waarna vervolgens het aandeel inwoners dat in zo'n buurt woont, opgeteld werd tot een indicator op gemeenteniveau. In plaats daarvan wordt per CBS-buurt het gewogen gemiddelde berekend van de 'overwerkloosheid': het verschil in het aandeel niet-werkende werkzoekenden in de directe omgeving en dat aandeel in de ruimere omgeving. Uitgangspunt daarbij is dat in buurten met een hoge 'overwerkloosheid' er meer niet-werkende mensen zijn dan gemiddeld in de ruimere omgeving. Deze wijziging heeft tot doel het model te verbeteren, omdat de op buurtniveau berekende indicator op huishoudniveau wordt meegewogen in een niet-lineaire logistische regressie, waardoor voor de verwachte kans op bijstand van huishoudens nu de feitelijke over- of onderwerkloosheid in de eigen buurt wordt meegewogen. Dit zou volgens de minister leiden tot verbeterde prestaties van het model op huishoudniveau.
Waarom is eiser het niet eens met de bestreden besluiten?
4. Eiser is het niet eens met de gewijzigde invulling van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ in het verdeelmodel vanaf 2024 en de gevolgen daarvan voor de vaststelling van zijn budgetten. Met de gewijzigde toedeling van de budgetten over de jaren 2024 en 2025 kan eiser niet voldoen aan de verplichtingen jegens de Rotterdamse uitkeringsgerechtigden.
4.1.
Eiser stelt dat het verdeelmodel buiten toepassing moet worden gelaten. Hij betoogt primair dat de aanpassing van het regiokenmerk in strijd is met het in 3.1 genoemde toetsingskader. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat door het niet volgen van het toetsingskader sprake is van tekortkomingen in het verdeelmodel waardoor hij onevenredig wordt benadeeld. Eiser voert voor de gestelde strijdigheid met het toetsingskader – in het kader van zowel haar primaire als haar subsidiaire standpunt – enkele argumenten aan en verwijst ter onderbouwing naar een rapport van Berenschot van 10 oktober 2024.
4.2.
In de eerste plaats voert eiser aan dat de aanpassing van het regiokenmerk niet voldoet aan het kwalitatieve criterium van uitlegbaarheid uit het toetsingskader. Doordat in het nieuwe model de afkapgrens is afgeschaft en de feitelijke onder- of overwerkloosheid per buurt wordt meegenomen, wordt dit volgens eiser een indicator op een continue schaal. Eiser bestrijdt dat er sprake is van een buurt waar werken niet de norm is wanneer deze buurt slechts minimaal afwijkt van de norm. Het kenmerk meet daarmee niet meer wat het zou moeten meten. Het zou wat eiser betreft juist voor de hand liggen om voor een dergelijke indicator een drempelwaarde te hanteren omdat er sprake zou moeten zijn van een significante afwijking van de norm, voordat gesteld kan worden dat werken niet de norm is in een buurt. Volgens eiser ontbreekt verder een wetenschappelijke onderbouwing voor de (impliciete) aanname dat in buurten waar werken juist wel sterk de norm is, dit bij medebewoners leidt tot een lagere bijstandskans.
4.3.
Eiser voert daarnaast aan dat de verklaringskracht van het verdeelmodel door de aanpassing van het kenmerk 'Buurt waar werken niet de norm is' is verslechterd. Volgens eiser komt de aanpassing daarmee niet door de kwantitatieve toets van het toetsingskader. Dat er andere kenmerken zijn gewijzigd die positieve invloed hebben op de verklaringskracht, kan daaraan volgens eiser niet afdoen.
4.4.
Tot slot voert eiser aan dat door de aanpassing van het regiokenmerk er geen indicator meer is op gemeenteniveau, terwijl dit wel vereist is. Daarbij wijst eiser op de volgende passage uit de nadere toelichting op het verdeelmodel (onder Objectief verdeelmodel): “De basis voor de berekening van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten is een niet-lineair (logit) verdeelmodel met indicatoren op meerdere niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau.”, in samenhang met artikel 6 Besluit Participatiewet en wijst hij erop dat er ook altijd indicatoren op gemeenteniveau zijn geweest.
4.5.
Ten aanzien van bestreden besluit III voert eiser verder aan dat de minister niet is ingegaan op de bezwaargronden van eiser over het verdeelmodel en dat dit besluit daarom niet deugdelijk is gemotiveerd.
4.6.
Eiser verzoekt de rechtbank, naast vernietiging van de bestreden besluiten, om de minister te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt of zal lijden als gevolg van de bestreden besluiten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Niet in geschil is dat de bestreden besluiten zijn gebaseerd op het (aangepaste) verdeelmodel dat van toepassing is op de vaststelling van de budgetten voor de jaren 2024 en 2025. Het Besluit Participatiewet, waarin het verdeelmodel is opgenomen, is een algemeen verbindend voorschrift. Tegen het verdeelmodel als zodanig staat daarom geen beroep open.
5.1.
De bestuursrechter kan onder omstandigheden tot het oordeel komen dat de minister, die met de toepassing van het verdeelmodel is belast, gehouden was om het algemeen verbindend voorschrift waarin het verdeelmodel vanaf 2024 is neergelegd buiten toepassing te laten. De bewijslast dat van dergelijke omstandigheden sprake is rust in beginsel bij eiser als bestuursorgaan dat hier een beroep op doet. Het is aan eiser om te onderbouwen dat het verdeelmodel tekortkomingen bevat die juist de gemeente Rotterdam treffen en die leiden tot een voor hem zodanig onevenredig nadeel ten opzichte van andere gemeenten dat het verdeelmodel dat sinds 2024 geldt buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser moet aannemelijk maken dat en waarom hij door de verdeling van het macrobudget in 2024, dan wel 2025 onevenredig is benadeeld. Als hij hierin slaagt, is het vervolgens aan de minister om aannemelijk te maken dat het tekort op het budget niet door de werking van het verdeelmodel is veroorzaakt.
5.2.
Die tekortkomingen kunnen, zo heeft de minister ter zitting bevestigd, zijn gelegen in het niet volgen van het toetsingskader voor opname (waaronder begrepen aanpassing) van regiokenmerken in het model. Langs die band zal de rechtbank de argumenten van eiser over afwijking van het toetsingskader beoordelen. Daarbij toetst de rechtbank terughoudend. De regelgever heeft een ruime beslissingsruimte bij de vaststelling en de doorontwikkeling van het verdeelmodel. Het is primair aan de regelgever zelf om te beoordelen of de aanpassing van het verdeelmodel in overeenstemming is met het toetsingskader. Daarnaast dient de afwijking van het toetsingskader dusdanig te zijn dat sprake is van een (serieuze) tekortkoming als bedoeld in de rechtspraak waardoor sprake is van onevenredige benadeling van de gemeente.
5.3.
Niet in geschil is dat het budgetaandeel in de gemeente Rotterdam met 6,6 procent toeneemt in een variant van het verdeelmodel vanaf 2024 waarin (uitsluitend) de aanpassing van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ is teruggedraaid. Dit komt neer op €35,8 miljoen over het jaar 2024. Door de aanpassing van het regiokenmerk niet door te voeren zou de gemeente in deze variant dus hogere bijstandsbudgetten ontvangen. Dit maakt op zichzelf echter niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een onvolkomenheid in het verdeelmodel zoals dat sinds 2024 geldt en dat juist eiser hierdoor onevenredig is benadeeld ten opzichte van andere gemeenten. De rechtbank bespreekt daarom hierna de argumenten waarom volgens eiser sprake zou zijn van afwijkingen van het toetsingskader die volgens eiser een (serieuze) tekortkoming en onevenredige benadeling opleveren.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de aanpassing niet voldoet aan het uitlegbaarheid-criterium uit het toetsingskader. Onder “uitlegbaar” wordt in het toetsingskader verstaan: “er moet een theoretische grond zijn om te verwachten dat de betreffende factor/indicator van invloed is op de kans op bijstand, en niet omgekeerd”. Het criterium ziet dus op de aansluiting van het kenmerk op de theoretische onderbouwing. De minister heeft onderbouwd dat het aangepaste kenmerk beter aansluit op de theoretische onderbouwing van buurteffecten dan het oude kenmerk. Daarbij heeft de minister verwezen naar de wetenschappelijke studies waaruit een positief effect van lage werkloosheid in de buurt volgt. Daarnaast heeft de minister onderbouwd dat de betere aansluiting bij de werkelijkheid samenhangt met de afschaffing van de afkapgrens. Het nadeel van de toepassing van een afkapgrens was dat sommige gebieden het ene jaar wel en het andere jaar niet werden aangemerkt als buurt waar werken niet de norm is. Het aangepaste kenmerk is volgens de minister ook verfijnder dan het oude kenmerk dat er volgens de minister toe leidde dat in de gehele gemeente eenzelfde buurteffect op de kans op bijstand werd aangenomen. De toelichting van de minister waarom het aangepaste regiokenmerk beter aansluit bij de theoretische onderbouwing en daarom meer uitlegbaar komt de rechtbank niet onjuist voor. Eiser heeft niet onderbouwd waarom het aangepaste regiokenmerk niet uitlegbaar zou zijn. Dat er, zoals eiser onder verwijzing naar Berenschot stelt, ook andere keuzes mogelijk waren geweest maakt de nu gemaakte keuze niet onjuist. Van een tekortkoming, laat staan een tekortkoming die leidt tot onevenredige benadeling, is dan ook niet gebleken.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat de aanpassing van het regiokenmerk niet voldoet aan de kwantitatieve toets uit het toetsingskader, die ziet op de zogeheten verklaringskracht. De minister heeft toegelicht dat er meerdere regiokenmerken zijn aangepast. De minister heeft, aan de hand van een rapport van SEO/Atlas, onderbouwd dat de door eiser gestelde verslechtering in de verklaringskracht niet het gevolg is van aanpassing van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ omdat zij niet los kan worden gezien van de andere aanpassingen van andere regiokenmerken in het verdeelmodel. Deze onderbouwing komt de rechtbank aannemelijk voor en heeft eiser niet gemotiveerd bestreden.
5.6.
Tot slot volgt de rechtbank niet het standpunt van eiser dat een indicator op gemeenteniveau verplicht is. Het is primair aan de regelgever zelf om invulling te geven aan de verschillende (niveaus van) kenmerken. Het gaat daarnaast bij de passage die eiser aanhaalt uit de toelichting bij het Besluit Participatiewet om een beschrijvende passage waaruit geen verplichting kan worden afgeleid. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van strijd met het toetsingskader.
5.7.
De rechtbank overweegt dat de minister een ruime beslissingsruimte heeft bij de vaststelling en de doorontwikkeling van het verdeelmodel. Hieronder valt ook de keuze van de minister voor de wijze waarop vanaf 2024 invulling wordt gegeven aan het kenmerk "Buurt waar werken niet de norm is". Met de keuze voor de nieuwe invulling van dit kenmerk is de minister die beslissingsruimte niet te buiten gegaan. Dit laat onverlet dat de keuze die de minister maakt gevolgen heeft voor hoe het verdeelmodel voor bepaalde gemeenten uitpakt. Niet in geschil is dat eiser mogelijk enig nadeel ondervindt van de wijziging van het kenmerk "Buurt waar werken niet de norm is" vanaf 2024, al dan niet in de vorm van het verlies van een eerder ontvangen voordeel, zoals door de minister bepleit. De rechtbank ziet hierin echter geen grond voor het oordeel dat de minister het verdeelmodel voor 2024 in zoverre buiten toepassing had moeten laten. Daarvoor is immers vereist dat sprake is van een serieuze tekortkoming in het model. In de kritiek van eiser, die met name ziet op de keuzes die zijn gemaakt bij de manier waarop het model is aangepast, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat van een dergelijke tekortkoming sprake is. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat de budgetafname voor Rotterdam onder de drempel voor een vangnetuitkering valt. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat (ook) aan de hand van het totale tekort over de gehele periode vanaf 2024 moet worden beoordeeld of sprake is van onevenredig grote tekorten. Het budget wordt immers jaarlijks vastgesteld, zodat per jaar dient te worden bezien of van dergelijke tekorten sprake is.
5.8.
Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de gestelde tekortkomingen in het verdeelmodel vanaf 2024 ten opzichte van andere gemeenten onevenredig is benadeeld. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van strijd met een ander rechtsbeginsel. De rechtbank ziet, gelet hierop, geen aanleiding het verdeelmodel buiten toepassing te laten. Dat betekent dat zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van eiser niet slaagt.
Motivering bestreden besluit III niet gebrekkig
6. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het bestreden III ondeugdelijk is gemotiveerd overweegt de rechtbank dat de minister in bestreden besluit III heeft verwezen naar bestreden besluiten I en II en dat de inhoud daarvan reeds bekend was bij eiser. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De verzoeken om schadevergoeding bouwen voort op de beroepsgronden van eiser en worden, aangezien die niet slagen, afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart de beroepen ongegrond;
-wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Kleinhout, voorzitter, mr. J. Fransen en mr. S.M. Goossens, leden, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 69. Uitkering en verdeling onder de gemeenten
1. Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om het college van middelen te voorzien met het oog op:
a. het toekennen van algemene bijstand en van uitkeringen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet;
b. de kosten van de loonkostensubsidies, die op grond van artikel 10d, worden verstrekt.
2. Bij wet wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, waarbij uitgangspunt is dat dit bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten in verband met uitgaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de verdeling van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder de gemeenten en het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van deze verdeling.
4. De uitkering aan het college wordt ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister bekend gemaakt.
Artikel 71. Aanpassing uitkering
1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, voor de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet aangepast op basis van nieuwe ramingsgegevens.
(…)
De in artikel 69, derde lid, van de Participatiewet bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit Participatiewet.
Besluit Participatiewet
Artikel 6. Objectief verdeelmodel en macrobudget
1. Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen op grond van het Bbz 2004 vastgesteld.
2. Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten is het beschikbare macrobudget.
3. Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor alle indicatoren zoals opgenomen in tabel 1 en tabel 3 en de typen normbedragen zoals opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij dit besluit de gewichten en de peildata respectievelijk de bedragen vastgesteld.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de artikelen 2 en 3, en het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.
5. De minister kan de uitkering herzien indien wordt geconstateerd dat in de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, fouten zijn gemaakt. De herziening vindt uiterlijk plaats op het moment van aanpassing van het totale bedrag, bedoeld in artikel 71 van de wet.
6. Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de budgetberekening uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan.
Artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie in dit verband de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6828, onder verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016, ECLI:NL:CRVB:2019:2017, ECLI:NL:CRVB:2019:2018, ECLI:NL:CRVB:2019:2019), 21 februari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:312) en 4 juli 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1253). Zie recent ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:183).
SEO/Atlas, ‘Verandering budget gemeente Rotterdam’, 1 maart 2024, bijlage 1 bij het verweerschrift.
Stb. 2023, 312.
SEO 1 maart 2024, ‘Verandering budget gemeente Rotterdam – Nadere toelichting’.
In die zin eerder rechtbank Den Haag 18 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5504, r.o. 15.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|