Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:8170 
 
Datum uitspraak:10-07-2026
Datum gepubliceerd:10-07-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/1893
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:Boete opgelegd aan biovergister voor het onvoldoende zorgdragen voor handhaving van de eigen controles omdat de biovergister dierlijke bijproducten had ontvangen die het niet had mogen ontvangen en vergisten. Verordening 1069/2009 en verordening 142/2011.
Trefwoorden:compost
digestaat
eieren
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
melkrundveehouderij
meststoffenwet
pluimvee
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1893

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen


[eiseres], te [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en


de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500,- die verweerder met het besluit van 20 augustus 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de overtreding terecht heeft vastgesteld maar dat het beroep gegrond is omdat de boete moet worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.





Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Op 23 april 2025 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank overgelegd, waaronder een boeterapport met weggelakte passages. Op 20 mei 2026 heeft verweerder de niet geredigeerde versie van dit boeterapport overgelegd met het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal nemen. De rechter commissaris heeft op 2 juni 2026 beslist dat de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming deels gerechtvaardigd is. Naar aanleiding van die beslissing heeft verweerder een nieuwe geredigeerde versie van het boeterapport ingebracht. Eiseres heeft toestemming verleend om mede op grondslag van het niet geredigeerd boeterapport uitspaak te doen.



2.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (eigenaar van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam].





Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.
Eiseres exploiteert een melkrundveehouderij met een biovergister. Zij ontvangt diverse afvalstromen die als gevolg van het vergistingsproces worden omgezet in biogas. Daarbij ontstaan ook restproducten (digestaat). Hiervoor is aan eiseres een erkenning verleend voor de verwerking van categorie 2- en 3-materiaal tot biogas, waarbij het gistingsresidu als niet-verwerkt wordt beschouwd. Een vaste leverancier voor de grondstoffen van de vergister van eiseres is [de leverancier].



3.2.
Op 15 februari 2024 heeft eiseres via [de leverancier] een partij afgekeurd eiwit en eigeel geleverd gekregen. Deze partij was afkomstig van [bedrijf A]. Uit een door verweerder overgelegd rapport van bevindingen van 27 maart 2024 blijkt dat toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 12 februari 2024 een inspectie hebben uitgevoerd bij [bedrijf A] en daarbij in een bak voor categorie 2 materiaal eiproducten met daarin kuikenkadavers aantroffen. Dit materiaal zou van een tank zijn afgeschept waarna de inhoud van de tank verder is verwerkt. Volgens de toezichthouders had [bedrijf A] daarmee een mengsel van categorie 2 en categorie 3 materiaal verwerkt. Verder staat in het rapport dat [bedrijf A] na de bevindingen van de toezichthouders had besloten de betreffende partij in twee tanks af te waarderen als categorie 2 materiaal en af te voeren naar Rendac. Ook staat in het rapport dat de toezichthouders bij een vervolginspectie op 22 februari 2024 in documenten van [bedrijf A] zagen dat de betreffende partij op 15 februari 2024 als “cat 2 afgekeurd eiwit en eigeel” door Recyclefood is afgevoerd naar eiseres.



3.3.
Vervolgens heeft er een inspectie bij eiseres plaatsgevonden waarvan een toezichthouder op 8 april 2024 een rapport heeft opgemaakt. Daarin schrijft de toezichthouder dat de betreffende partij categorie 2 materiaal gehygiëniseerd had moeten worden volgens methode 1, maar dat dit niet bij [bedrijf A] heeft plaatsgevonden. De toezichthouder heeft dit aan de eigenaar van eiseres, [eigenaar van eiseres], gemeld en aangegeven dat het materiaal niet verder verwerkt mocht worden. Daarop heeft [eigenaar van eiseres] verteld dat op de aanvoerbon was vermeld dat dit categorie 2 materiaal volgens artikel 13 van Verordening 1069/2009 wel vergist mocht worden, dat hij aan [de leverancier] had gevraagd of hij dit wel mocht vergisten en dat [naam] van [de leverancier] daarop had gezegd dat het gewoon in de vergister mocht en dat dat ook op de bon vermeld staat.



3.4.
Vervolgens heeft eiseres de silo waarin het materiaal was opgeslagen stilgezet en getracht een hygiënisatietoestel te vinden, wat niet is gelukt, waarna het materiaal door [naam] is afgevoerd. Op 12 maart 2024 heeft de toezichthouder opnieuw een bezoek gebracht aan eiseres. Daarbij heeft de eigenaar van eiseres op vragen van de toezichthouder onder meer verklaard: “Ze belden mij op en zeiden: Ik heb eiwit en eigeel. Toen vroeg ik: mag ik dat ontvangen. Toen kreeg ik als antwoord: “Dat is van humane kwaliteit". Daar ging [de leverancier] ook van uit. [de leverancier] had aan [bedrijf A] de reden van afkeur gevraagd. [bedrijf A] vertelde dat het om verontreiniging ging, De jongen bij [de leverancier] zit er nog niet zolang en heeft niet doorgevraagd.” In het rapport van bevindingen van 8 april 2024 concludeert de toezichthouder dat bij eiseres geen of onvoldoende eigen controles waren toegepast om na te gaan of eiseres dit onverwerkt categorie 2 materiaal had mogen ontvangen voor vergisting.



3.5.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De exploitant heeft niet of onvoldoende gezorgd voor de handhaving van eigen controles in zijn inrichting.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, onder a, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 28 van Verordening 1069/2009. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500,-.





Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat zij geen overtreding heeft begaan. Ten onrechte doet verweerder het voorkomen dat eiseres geen afgekeurd eiwit en eigeel mag toepassen in de vergister. Eiseres beschikt over een erkenning waarmee het haar is toegestaan een biogasinstallatie te exploiteren voor het omzetten van dierlijke bijproducten en afgeleid producten van categorie 2 en categorie 3 waarbij het gistingsresidu als niet-verwerkt wordt beschouwd. De in de begeleidingsbrief vermelde informatie over de partij gaf eiseres daarom geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat zij het afgekeurd eiwit en eigeel niet mocht vergisten. In weerwil van de afspraak met de NVWA om de partij af te voeren heeft [bedrijf A] het materiaal aan eiseres geleverd. Zowel [bedrijf A] als de NVWA waren ervan op de hoogte dat zich aanvankelijk kuikenkadavers in het materiaal bevonden, maar eiseres en [de leverancier] niet. Eiseres heeft voldaan aan haar verplichting om binnen de eigen inrichting controles uit te voeren en treft geen enkel verwijt. Zo doet zij uitsluitend zaken met bonafide leveranciers, waaronder [de leverancier], informeert zij uitdrukkelijk bij de leverancier of het is toegestaan dat eiseres dit materiaal ontvangt, controleert zij alle begeleidingsbrieven en voert een visuele inspectie uit van het aangevoerde materiaal. Eiseres was niet bekend dat uit het materiaal kuikenkadavers waren verwijderd en ieder nader onderzoek had dit niet aan het licht gebracht. De NVWA was hiermee wel bekend maar heeft niet middels een bestuurlijke maatregel of anderszins geborgd dat de inhoud van de tanks zou worden afgevoerd en niet aan eiseres zou worden geleverd. Er is sprake van overmacht en afwezigheid van alle schuld. Subsidiair stelt eiseres onder verwijzing naar een arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 22 oktober 2024 dat als wel sprake zou zijn van een overtreding, verweerder had moeten afzien van het opleggen van een boete.


Mocht eiseres de eiproducten ontvangen en verwerken in de biovergister?


5.1.
In Verordening 1069/2009 worden dierlijke bijproducten ingedeeld in drie categorieën, gebaseerd op het risico voor de volks- en diergezondheid. Categorie 1-materiaal heeft het hoogste risico (bijvoorbeeld een kadaver van een koe besmet met BSE) en categorie 3-materiaal heeft het laagste risico (bijvoorbeeld bepaalde etensresten). In de artikelen 8, 9 en 10 van Verordening 1069/2009 is beschreven welke dierlijke bijproducten onder categorie 1, 2 dan wel 3 materiaal vallen en in de artikelen 12, 13 en 14 is per categorie voorgeschreven op welke wijze het materiaal mag worden gebruikt of verwijderd. In Verordening 142/20111 zijn nadere regels gesteld voor onder meer de verwijdering en het gebruik van dierlijke bijproducten.



5.2.
Het gaat in deze zaak om eiproducten (eiwit en eigeel) die bij de leverancier waren verontreinigd door de aanwezigheid van kuikenkadavers. In Verordening 1069/2009 zijn eieren (die geen symptomen vertonen van een overdraagbare ziekte) aangemerkt als categorie 3 materiaal en kuikenkadavers worden als categorie 2 materiaal gekwalificeerd. Een mengsel van materiaal van beide categorieën wordt aangemerkt als categorie 2. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres niet op de hoogte was van de contaminatie bij de leverancier, maar dat neemt niet weg dat het eiseres wel bekend was dat de geleverde eiproducten categorie 2 materiaal waren. Op de begeleidingsbrief bij de partij eiproducten stond immers vermeld dat het categorie 2 materiaal betrof.



5.3.
Eiseres heeft de eiproducten categorie 2 materiaal ontvangen om in haar biovergister om te zetten in biogas. Op grond van artikel 13, aanhef en onder e, van Verordening 1069/2009 mag categorie 2 materiaal worden omgezet in biogas. In Bijlage V van Verordening 142/2011 staan de eisen voor omzetting van dierlijke bijproducten in biogas. In Hoofdstuk I, Afdeling 1, onder punt 1 van deze Bijlage is voorgeschreven dat een biogasinstallatie moet beschikken over een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel dat is uitgerust met apparatuur waarmee kan worden bewaakt of de temperatuur van 70 ⁰C een uur wordt bereikt. Niet in geschil is dat de biovergister van eiseres niet over een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel en dergelijke apparatuur beschikt. Voor een aantal soorten categorie 3 en categorie 2 materiaal is dit echter ook niet vereist, zoals volgt uit Hoofdstuk I, Afdeling 1, punt 2, en Hoofdstuk III, Afdeling 1, punt 1, van Bijlage V van Verordening 142/2011. In deze voorschriften is ten aanzien van categorie 2 materiaal en voor zover hier relevant opgenomen dat een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel niet verplicht is bij categorie 2 materiaal dat verwerkt is volgens verwerkingsmethode 1 en bij dierlijke bijproducten die onverwerkt als grondstof mogen worden gebruikt overeenkomstig artikel 13, onder e, onder ii, van Verordening 1069/2009.



5.4.
Verwerkingsmethode 1 is beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III van Verordening 142/2011. Het betreft een methode van sterilisatie onder druk waarbij deeltjes – zo nodig – worden verkleind tot een grootte van maximaal 50 millimeter en vervolgens 20 minuten onder druk worden verhit tot een kerntemperatuur van meer dan 133 ⁰C. Vaststaat dat de eiproducten van [bedrijf A] deze verwerkingsmethode 1 niet hebben ondergaan. De rechtbank overweegt dat eiseres dit ook had kunnen weten omdat [bedrijf A] geen erkenning heeft voor toepassing van deze verwerkingsmethode die op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 1069/2009 wel is vereist. Op de website van de NVWA is na te gaan welke erkenningen een bedrijf heeft en daarop had eiseres kunnen zien dat [bedrijf A] voor geen enkele methode voor verwerking van categorie 2 materiaal een erkenning heeft en het haar dus niet is toegestaan om categorie 2 materiaal te verwerken.



5.5.
De andere uitzondering waarin een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel niet verplicht is, geldt voor dierlijke bijproducten die onverwerkt als grondstof mogen worden gebruikt. Eiseres heeft een erkenning voor verwerking van categorie 2 en categorie 3 materiaal in een biogasinstallatie waarbij het gistingsresidu als niet-verwerkt wordt beschouwd. Uit de biogasinstallatie komt dus alleen gistingsresidu dat niet-verwerkte dierlijke bijproducten bevat. Het bevat niet gehygiëniseerde mest die eiseres op het land uitrijdt. Op grond van artikel 13, aanhef en onder f, van Verordening 1069/2009 mag eiseres categorie 2 materiaal alleen op het land uitrijden als het gaat om mest, de inhoud van het maag-darmkanaal gescheiden van het maag-darmkanaal, melk, producten op basis van melk en biest waarvan de bevoegde autoriteit niet denkt dat zij een ernstige overdraagbare ziekte kunnen verspreiden. Categorie 2 materiaal eiproducten worden in dit voorschrift niet genoemd en dit materiaal mag eiseres dus niet onverwerkt uitrijden op het land. Verder heeft eiseres geen mogelijkheden om dit materiaal te hanteren; zij heeft daar ook geen erkenning voor. Eiseres produceert dus een gistingsresidu bestaande uit onverwerkte categorie 2 materiaal eiproducten dat zij niet als grondstof mag gebruiken. Dit betekent dat ook de andere uitzondering op grond waarvan een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel niet verplicht is, niet op eiseres van toepassing is.



5.6.
De rechtbank stelt vast dat ook de overige in Hoofdstuk I, Afdeling 1, punt 2, en Hoofdstuk III, Afdeling 1, punt 1, van Bijlage V van Verordening 142/2011 genoemde uitzonderingen waarin een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel niet verplicht is, in deze situatie niet van toepassing zijn, omdat het ziet op ander materiaal dan categorie 2 materiaal eiproducten of op materiaal dat een verwerking heeft ondergaan die in dit geval niet heeft plaatsgevonden.



5.7.
Het voorgaande betekent dat eiseres de categorie 2 materiaal eiproducten van [bedrijf A] niet mocht ontvangen om te verwerken in haar biovergister.


Heeft eiseres onvoldoende gecontroleerd of zij de eierproducten mocht ontvangen?



6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres onvoldoende controles heeft uitgevoerd om na te gaan of zij de eiproducten afkomstig van [bedrijf A] mocht ontvangen en verwerken. Zoals hiervoor is overwogen wordt eiseres niet verweten dat zij wist of had kunnen weten dat de eiproducten bij [bedrijf A] in aanraking waren geweest met kuikenkadavers, waardoor de eiproducten als categorie 2 materiaal moesten worden gekwalificeerd. Niettemin had eiseres wel kunnen en moeten weten dat het categorie 2 materiaal eiproducten betrof omdat dit duidelijk op het begeleidingsformulier stond vermeld. Eiseres heeft ter zitting gewezen op de code “C2nr3” die eveneens op het begeleidingsformulier stond vermeld, maar daaruit had zij niet kunnen en mogen afleiden dat de zending wat anders dan categorie 2 materiaal eiproducten betrof. Deze code ziet namelijk niet op de kwalificering van dierlijke bijproducten maar op een codering inzake de Meststoffenwet, zoals verweerder ter zitting ook heeft toegelicht.



6.2.
Vervolgens had eiseres moeten nagaan of zij deze producten mocht ontvangen. Eiseres beschikt over een erkenning voor het omzetten van dierlijke bijproducten en afgeleide producten van categorie 2 en 3 waarbij het gistingsresidu als niet-verwerkt wordt beschouwd (niet-gehygiëniseerde mest) en zoals uit het hiervoor overwogene volgt betekent dit niet dat eiseres alle categorie 2 materiaal mag vergisten. Eiseres wist dat haar biovergister geen pasteurisatie-/ontsmettingstoestel heeft en had op basis van de regelgeving kunnen en moeten vaststellen dat zij categorie 2 materiaal eiproducten alleen mocht vergisten als deze voorafgaand zijn verwerkt met sterilisatie onder druk (verwerkingsmethode 1). Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij alleen zaken doet met bonafide bedrijven en aan de leverancier heeft gevraagd of zij de eiproducten mocht ontvangen, maar verweerder vindt dit terecht onvoldoende. Het is op grond van artikel 28 van Verordening 1069/2009 aan eiseres zelf om erop toe te zien dat de voorschriften voor hantering van dierlijke bijproducten worden nageleefd. Eiseres had in dit kader zelf moeten nagaan of het categorie 2 materiaal een verwerking had ondergaan omdat zij het anders niet mocht ontvangen. Daartoe had eiseres in elk geval kunnen onderzoeken of het bedrijf waarvan de eiproducten afkomstig waren, over erkenningen beschikte om categorie 2 materiaal te verwerken. Dit had eiseres eenvoudig kunnen nagaan via de openbare lijsten van erkende bedrijven op de website van de NVWA. Niet in geschil is dat eiseres dit niet heeft gedaan. Ook anderszins heeft eiseres niet onderzocht of de categorie 2 eiproducten een verwerking hadden ondergaan of afkomstig waren van een bedrijf dat voor zo’n verwerking een erkenning heeft.



6.3.
De rechtbank concludeert dat eiseres de overtreding heeft begaan en dat deze haar volledig kan worden verweten.



6.4.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat (ook) de NVWA verwijtbaar heeft gehandeld in de uitvoering van zijn toezichthoudende taak. Uit het door verweerder ingebrachte rapport van bevindingen betreffende [bedrijf A] volgt dat, nadat twee toezichthouders van de NVWA bij dit bedrijf constateerden dat eiproducten in aanraking waren geweest met kuikenkadavers, [bedrijf A] heeft besloten de twee tanks met eiproducten af te waarderen als categorie 2 materiaal en af te voeren naar Rendac. Gesteld noch gebleken is dat de toezichthouders eraan hadden moeten twijfelen dat dit besluit zou worden uitgevoerd. Omdat het bedrijf al tot deze corrigerende actie had besloten bestond er voor de NVWA redelijkerwijs geen aanleiding om een maatregel op te leggen waarmee de afvoer op juiste wijze zou worden verzekerd. Dat de eiproducten uiteindelijk naar eiseres zijn verzonden komt door het handelen van [bedrijf A], maar doet er niet aan af dat eiseres alvorens de zending in ontvangst te nemen had moeten controleren of zij de eiproducten wel mocht verwerken. Dit heeft zij onvoldoende gedaan.


Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Verweerder was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder van boeteoplegging had moeten afzien. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 2.500. Dat is ook de boete die verweerder aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres heeft geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de boete gematigd zou moeten worden. Ook de rechtbank is daar niet van gebleken.


Redelijke termijn

8. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden. Dit is bij punitieve sancties het geval als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5 % per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.



8.1.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van het voornemen op 21 juni 2024. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met een maand overschreden. De rechtbank ziet in deze overschrijding aanleiding om de boete te matigen met 5 % tot een bedrag van € 2.375,-.





Conclusie en gevolgen

9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht de boete heeft opgelegd, maar dat het boetebedrag moet worden verlaagd omdat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de rechtbank het boetebedrag verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het boetebesluit in zoverre herroepen. De rechtbank zal de boete vaststellen op € 2.375,-. Het beroep is dus gegrond, maar alleen voor wat betreft de hoogte van de boete.

10. Eiseres heeft zelf geen beroep gedaan op een overschrijding van de redelijke termijn. Van gemaakte proceskosten die zijn gemoeid met een zodanig verzoek die voor vergoeding in aanmerking komen, is dus geen sprake. Eiseres krijgt dus geen vergoeding voor door haar gemaakte proceskosten.

11. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht wordt vergoed. Voor de toerekening hiervan geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd voor zover deze de duur van een jaar overschrijdt en hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase. In dit geval is de overschrijding volledig aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal dan ook de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen het griffierecht te vergoeden.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het besluit van 15 januari 2025 voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;


herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;


stelt de boete vast op € 2.375,-;


bepaalt dat de Staat der Nederlanden het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.


de rechter is verhinderd


deze uitspraak te tekenen


griffier rechter


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Verordening 1069/2009

Artikel 9, aanhef en onder f en g

Categorie 2-materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten:
niet in artikel 8 of artikel 10 genoemde dieren en delen van dieren die niet voor menselijke consumptie zijn geslacht of gedood, maar op een andere manier zijn gestorven, waaronder dieren die ter bestrijding van ziekten zijn gedood;
foetussen;
oöcyten, embryo’s en sperma die niet voor fokdoeleinden zijn bestemd, en in de schaal gestorven pluimvee;
mengsels van categorie 2-materiaal met categorie 3-materiaal;


Artikel 10, aanhef en onder k

Categorie 3-materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten:
het volgende materiaal afkomstig van dieren die geen symptomen vertonen van een via dat materiaal op mens of dier overdraagbare ziekte:
schelpen van schelpdieren en schalen van schaaldieren met weke delen of vlees;
het volgende materiaal afkomstig van landdieren:
 bijproducten van broederijen;
 eieren;
 bijproducten van eieren, met inbegrip van eierschalen;


Artikel 13, aanhef en onder e en f

Categorie 2-materiaal wordt:
e) tot compost verwerkt of omgezet in biogas:
i) nadat het is verwerkt door sterilisatie onder druk en nadat het resulterende materiaal duurzaam is gemerkt, of
ii) al dan niet na verwerking, indien het gaat om mest, het maag-darmkanaal en de inhoud hiervan, melk, producten op basis van melk, biest en eieren en eierproducten waarvan de bevoegde autoriteit niet denkt dat zij een ernstige overdraagbare ziekte kunnen verspreiden;
f) zonder verwerking op het land uitgereden, indien het gaat om mest, de inhoud van het maag-darmkanaal gescheiden van het maag-darmkanaal, melk, producten op basis van melk en biest waarvan de bevoegde autoriteit niet denkt dat zij een ernstige overdraagbare ziekte kunnen verspreiden;


Artikel 28

Exploitanten zorgen voor de invoering, toepassing en handhaving van eigen controles in hun inrichtingen om op de naleving van deze verordening toe te zien. Zij zorgen ervoor dat geen dierlijke bijproducten of afgeleide producten waarvan wordt vermoed of is vastgesteld dat zij niet aan deze verordening voldoen, de inrichtingen of bedrijven verlaten, tenzij deze bestemd zijn om te worden verwijderd.


Verordening 142/2011


Bijlage V, hoofdstuk I, afdeling 1, punt 1 en punt 2, onder a en d



Een biogasinstallatie moet beschikken over een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel, dat niet overgeslagen kan worden voor de dierlijke bijproducten of afgeleide producten, waarvan de maximale deeltjesgrootte 12 mm bedraagt alvorens dit toestel binnen te gaan; dit toestel is uitgerust met:


apparatuur waarmee kan worden bewaakt of de temperatuur van 70 °C gedurende een uur wordt bereikt;


registreertoestellen die de onder a) bedoelde bewakingsresultaten continu registreren, en


een adequaat veiligheidssysteem om te voorkomen dat het te verwerken materiaal onvoldoende wordt verhit.


In afwijking van punt 1 is een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel niet verplicht voor biogasinstallaties die alleen worden gebruikt voor de omzetting van:


categorie 2-materiaal dat verwerkt is volgens verwerkingsmethode 1, zoals beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III;


dierlijke bijproducten die onverwerkt als grondstof mogen worden gebruikt overeenkomstig artikel 13, onder e) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en deze verordening;


Bijlage V, hoofdstuk III, punt 1

Categorie 3-materiaal dat als grondstof in een biogasinstallatie met een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel wordt gebruikt, moet aan de volgende minimumeisen voldoen:
a. a) maximale deeltjesgrootte vóór het invoeren in de installatie: 12 mm;
b) minimumtemperatuur van al het materiaal in de installatie: 70 °C, en
c) minimumtijd dat het materiaal zonder onderbreking in de installatie is: 60 minuten.
Melk, melkproducten, melkderivaten, biest en biestproducten van categorie 3 mogen echter zonder pasteurisatie/ontsmetting als grondstof in een biogasinstallatie worden gebruikt, indien zij volgens de bevoegde autoriteit geen risico opleveren voor de verspreiding van een ernstige op mens of dier overdraagbare ziekte.
De in de eerste alinea, onder b) en c), vastgestelde minimumeisen zijn ook van toepassing op categorie 2-materiaal dat zonder voorafgaande verwerking in een biogasinstallatie wordt omgezet overeenkomstig artikel 13, onder e) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.



Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.


Artikel 8.7

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.


Artikel 8.8, eerste lid

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.



Regeling dierlijke producten

Artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder a

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
a. de artikelen […] 28, […]van verordening (EG) nr. 1069/2009;




Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2.500
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.



Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.


Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Regeling dierlijke producten
Artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, voor zover dat artikel betrekking heeft op de artikelen 4, eerste lid, 11, eerste lid, onderdeel c, 14, 21, eerste tot en met derde lid, 22, eerste en tweede lid, 23, eerste en 3 tweede lid, 24, 25, 26, eerste en tweede lid, 28, 29, eerste tot en met derde lid, 31, eerste lid, 32, eerste lid, 35, 36, 41, eerste lid en tweede lid, onderdelen c en d, en 48, eerste, vierde en vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1069/2009
Categorie 3



ECLI:NL:GHDHA:2024:1920


Artikel 9, aanhef en onder f en g en artikel 10, aanhef en onder k, van Verordening 1069/2009


Gelezen in samenhang met Bijlage V, hoofdstuk III, punt 1, van Verordening 142/2011


Zie Bijlage Aa, onder IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.


Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren en artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling dierlijke producten


Gelet op ECLI:NL:CBB:2025:7 en ECLI:NL:RVS:2024:4761


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:252, ECLI:NL:RVS:2016:1261 en ECLI:NL:CBB:2017:32
Link naar deze uitspraak