|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:8304 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/4143 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), aanvraag om compensatie. Beroep ongegrond. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4143
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 11 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Met de besluiten van 4 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 11 februari 2022 en 4 november 2022 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Bij brief van 8 april 2026 heeft eiser onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam de rechtbank verzocht om het beroep kennelijk gegrond te verklaren en terug te verwijzen naar de bezwaarfase. De rechtbank heeft partijen laten weten dat de zitting doorgang zal vinden. Eiser heeft een brief van 6 mei 2026 met ‘punten voor de zitting’ ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 19 mei 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser gehandeld in strijd met de goede procesorde?
3. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn brief van 6 mei 2026, dertien dagen voor de zitting, te laat nieuwe beroepsgronden heeft ingediend en dat dit in strijd is met de goede procesorde. Voor de beoordeling van dit standpunt is het volgende van belang. Volgens vaste rechtspraak kunnen ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten worden aangevoerd en stukken worden ingediend om een eerdere beroepsgrond te motiveren, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de wederpartij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren, de rechtbank wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser op een laat moment, dertien dagen voor de zitting, een vrij uitgebreid nader stuk heeft ingediend dat nieuwe beroepsgronden bevat. Dit kan een goede bespreking op de zitting belemmeren. De rechtbank constateert tegelijkertijd dat de nieuwe beroepsgronden niet zodanig afwijken van de reeds in het beroepschrift van 20 mei 2025 aangevoerde gronden dat de Dienst Toeslagen daardoor geacht kan worden nadeel te hebben ondervonden. Wel voert eiser in het nadere stuk voor het eerst aan dat de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008, 2009 en 2010 (destijds) onjuist is berekend. De Dienst Toeslagen heeft echter op de zitting verklaard de kinderopvangtoeslag niet opnieuw te hebben berekend en ook niet opnieuw te zullen berekenen. Dat maakt dat hij door het laat aanvoeren van deze nieuwe beroepsgrond in dit geval niet is benadeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat onder deze omstandigheden de goede procesorde zich er niet tegen verzet dat het nadere stuk van 6 mei 2026 bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser heeft één kind, geboren op 20 oktober 2003. Eiser heeft op 26 mei 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
4.1.
Met het besluit van 11 februari 2022 (UHT CHR GU) heeft de Dienst Toeslagen bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Met de besluiten van 4 november 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 beoordeeld en vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid of een te harde toepassing van de wet. Voor de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 is vastgesteld dat het recht op kinderopvangtoeslag is bijgesteld naar aanleiding van door eiser doorgegeven wijzigingen. Voor het jaar 2010 is tevens vastgesteld dat de kinderopvangtoeslag door eiser zelf is stopgezet met ingang van 1 oktober 2010. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing voor de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 gebleven.
Heeft eiser recht op compensatie omdat artikel 19 van de Awir zou zijn geschonden?
5. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008 te herzien buiten de in artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) gestelde termijn. De Dienst Toeslagen was niet bevoegd dat te doen, omdat de in artikel 19 van de Awir gestelde termijn een vervaltermijn is. Eiser wijst daarbij op een conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus. Uit openbare documenten blijkt dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 van de Awir.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen recht op compensatie in het geval artikel 19 van de Awir zou zijn geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft naar aanleiding van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus geoordeeld dat de in artikel 19 van de Awir gestelde termijn geen fatale termijn is, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat het enkele feit dat de in artikel 19 van de Awir gestelde termijn is geschonden, niet betekent dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Eiser heeft onvoldoende duidelijk gemaakt uit welke openbare documenten zou blijken dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 van de Awir.
Heeft eiser recht op compensatie omdat de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling?
6. Eiser betoogt verder dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld met betrekking tot toeslagjaar 2007 door een nabetaling van € 24,- op 4 maart 2009 over te maken aan de kinderopvanginstelling. Omdat deze nabetaling twee jaar later volgde, had de Dienst Toeslagen er vanuit moeten gaan dat de opvangkosten al volledig waren voldaan en de nabetaling op het rekeningnummer van eiser uitbetaald had moeten worden. Voor toeslagjaar 2008 heeft de Dienst Toeslagen ook vooringenomen gehandeld door op 5 oktober 2009 een bedrag van € 60,- over te maken aan de kinderopvanginstelling. Er werd namelijk € 241,- van eiser teruggevorderd, terwijl de kinderopvangtoeslag destijds werd uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Er is € 60,- verrekend met de kinderopvangtoeslag over het jaar 2009. Ook is er € 241,- terugbetaald aan de Dienst Toeslagen, waarvan onbekend is door wie die terugbetaling is gedaan. Omdat er al € 60,- was verrekend, is er een teveelbetaling ontstaan die niet aan de kinderopvanginstelling maar aan eiser had moeten worden terugbetaald.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen recht op compensatie omdat de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Uitbetaling van een voorschot of een tegemoetkoming geschiedde door de Dienst Toeslagen door middel van een bijschrijving op een ten name van de belanghebbende of diens partner bestaande bankrekening, bestemd voor girale betaling, tenzij daartoe door de belanghebbende een andere rekening is aangewezen. In de jaren 2007 tot en met 2010 werd de kinderopvangtoeslag uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Eiser heeft niet gesteld dat hij niet zelf het bankrekeningnummer van de kinderopvanginstelling heeft doorgegeven als rekening waarop de kinderopvangtoeslag moest worden uitbetaald. De Dienst Toeslagen was dus bevoegd tot uitbetaling aan de kinderopvanginstelling. Deze werkwijze geeft daarom geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Heeft eiser recht op compensatie omdat er fouten zouden zijn gemaakt met de vaststelling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag?
7. Eiser betoogt ook dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door structurele en systematische sturing op verlaagde toekenning van de kinderopvangtoeslag. In het onderhavige geval geldt dat voor toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 een te laag bedrag aan kinderopvangtoeslag is toegekend. Eiser heeft de kinderopvangtoeslag nagerekend door de opvangkosten te vermenigvuldigen met het percentage waarmee moet worden gerekend bij zijn toetsingsinkomen. Eiser stelt dat voor het jaar 2008 een bedrag van € 2.084,16 te weinig is toegekend en voor het jaar 2009 een bedrag van € 2.974,61 te weinig is toegekend. Voor het jaar 2010 heeft eiser niet onderbouwd op welke punten de berekening onjuist zou zijn.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen recht op compensatie omdat er te lage bedragen aan kinderopvangtoeslag zouden zijn toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2010. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om fouten die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt te herstellen. Eiser heeft ook niet onderbouwd waaruit zijn conclusie volgt dat er sprake was van een structurele en systematische sturing op verlaagde toekenning van de kinderopvangtoeslag.
Heeft eiser recht op compensatie omdat de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 is stopgezet?
8. Eiser betoogt dat uit het dossier niet blijkt door wie de stopzetting van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 is doorgevoerd. De kinderopvangtoeslag is stopgezet per 1 oktober 2010, maar uit een door de Dienst Toeslagen overgelegd ‘XML-bestand’ volgt dat de stopzetting niet is doorgevoerd door eiser. Er is namelijk een GBL code en een leverancierscode in het bestand opgenomen terwijl dergelijke codes niet aan ouders zijn gekoppeld, maar aan de kinderopvanginstelling en de Dienst Toeslagen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen recht op compensatie omdat de kinderopvangtoeslag over jaar 2010 is stopgezet. Eiser heeft op de zitting verklaard dat zijn partner vanaf 1 oktober 2010 is gestopt met haar werk om voor de kinderen te zorgen. Vanaf dat moment werd geen opvang meer werd afgenomen. Dit komt overeen met de gegevens die de kinderopvanginstelling heeft doorgegeven. Dat de partner van eiser is gestopt met haar werk omdat de kinderopvangtoeslag is stopgezet, is niet aannemelijk. De kinderopvangtoeslag is namelijk op 21 september 2010 stopgezet per 1 oktober 2010. De kinderopvangtoeslag voor de maand oktober is op 15 september 2010 overgemaakt aan de kinderopvanginstelling. Op 6 oktober 2010 is een herziene voorschotbeschikking genomen naar aanleiding van de stopzetting. Als eiser de kinderopvangtoeslag niet zelf had stopgezet, dan was hij er pas op of na 6 oktober 2010 achter gekomen dat het jaarbedrag voor de kinderopvangtoeslag was verlaagd en was er pas vanaf dat moment een reden om geen kinderopvang meer af te nemen. Eiser heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de herziene voorschotbeschikking en heeft ook niet opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd. Het voorgaande maakt dat niet aannemelijk is geworden dat eiser niet zelf de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet.
Heeft de Dienst Toeslagen eiser gediscrimineerd?
9. Eiser voert verder aan dat de Dienst Toeslagen hem heeft gediscrimineerd en dat de schade die uit deze onrechtmatige daad is ontstaan, moet worden vergoed. Ook is het daardoor aan de Dienst Toeslagen om te bewijzen dat eiser niet is gediscrimineerd. Hij verwijst hierbij naar het rapport ‘Vooronderzoek naar de vermeende discriminerende effecten van de werkwijzen van de Belastingdienst/Toeslagen’ van het College voor de Rechten van de Mens.
9.1.
Eiser heeft met de verwijzing naar het rapport niet aannemelijk gemaakt dat de Dienst Toeslagen hem heeft gediscrimineerd. In het rapport concludeert het College voor de Rechten van de Mens dat een vermoeden bestaat dat de Dienst Toeslagen bij de uitvoering van CAF-onderzoeken indirect onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Alleen een verwijzing naar dit rapport maakt nog niet aannemelijk dat in het geval van eiser daadwerkelijk sprake is van discriminatie.
Heeft de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
10. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser heeft zelf de aanvullende beschouwing van 4 september 2024 op het bezwaar van eiser en zijn reactie daarop van 18 september 2024 overgelegd, omdat de Dienst Toeslagen dat heeft nagelaten. Ook is het ouderdossier niet overgelegd, waarvan in ieder geval het zogeheten SAS-rapport en het document ‘afgehandelde zaken’ relevant zijn voor de beoordeling van het beroep. De onderliggende stukken die zien op het onderzoek naar vermelding in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV), het onderzoek naar het recht op een O/GS-tegemoetkoming en het onderzoek naar discriminatie zijn niet overgelegd, terwijl de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat in ieder geval de stukken die betrekking hebben op de FSV en op O/GS op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Verder is bekend geworden dat er een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten en moet de Dienst Toeslagen worden opgedragen de stukken waarin eiser voorkomt, over te leggen. Eiser heeft tot slot verzocht de Dienst Toeslagen op te dragen zijn persoonlijke dossier over te leggen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag.
10.1.
Eiser heeft met juistheid gesteld dat de Dienst Toeslagen heeft nagelaten de aanvullende beschouwing van 4 september 2024 en de reactie daarop van eiser van 18 september 2024 te overleggen. Daarmee heeft de Dienst Toeslagen gehandeld in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Met eiser kan worden geconstateerd dat het niet overleggen van deze correspondentie in de bezwaarfase door de Dienst Toeslagen niet bijdraagt aan het herstel van vertrouwen. Het is echter tegelijkertijd niet aannemelijk dat eiser in dit geval door de schending van de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden is benadeeld. Eiser had al de beschikking over de correspondentie in het kader van de bezwaarprocedure en heeft deze ook aan de rechtbank overgelegd, waardoor de rechtbank hier ook kennis van heeft genomen. Daarom passeert de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.2.
Voor het overige begrijpt de rechtbank het verzoek van eiser als een verzoek aan de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid een partij te verzoeken bepaalde stukken in te zenden. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding, omdat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken al heeft overgelegd. Voor het opvragen van stukken uit de FSV is geen aanleiding omdat niet is gebleken dat er een relatie is met de toekenning van kinderopvangtoeslag in de jaren 2007 tot en met 2010. Voor het opvragen van O/GS-stukken bestaat geen aanleiding nu niet is gesteld dat eiser een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd.
10.3.
Tenslotte heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er in de datakluis mogelijk stukken zitten die een ander licht op de zaak zouden kunnen werpen. Ter zitting is besproken dat er op dit moment nog geen duidelijkheid is over de aard van de stukken in de datakluis en dat het onderzoek daarnaar nog loopt. De rechtbank ziet hier nu geen aanleiding om de zaak aan te houden, nu door de staatssecretaris van Financiën in de brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat er in het geval dat bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren zou komen die in het voordeel van de gedupeerde ouder zou uitpakken, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen. Tijdens de zitting is door de Dienst Toeslagen een uitlating in dezelfde lijn gedaan.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:838.
ECLI:NL:RVS:2016:159.
ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484, r.o. 33.
ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, r.o. 5.8.
Artikel 25, eerste lid, van de Awir (geldend vanaf 1 januari 2009).
ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5610, r.o. 4.1.
Rechtbank Amsterdam 2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Artikel 8:45, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|