Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:8437 
 
Datum uitspraak:01-07-2026
Datum gepubliceerd:13-07-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/721050 HO RK 26/309
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:WHOA-zaak. Afwijzing verzoek afkondigen afkoelingsperiode. Internationale rechtsmacht. Belanghebbenden. Onderhandse pandexecutie. Proceskostenveroordeling.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
koopovereenkomst
uitkering
Wetreferenties:Faillissementswet 376
 
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM

Team insolventie – meervoudige kamer


Verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode met aanstelling van een observator


rekestnummer: C/10/721050 HO RK 26/309

uitspraakdatum: 1 juli 2026

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 en artikel 380 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:

de vennootschap naar buitenlands recht


[verzoekster]


gevestigd op de Britse Maagdeneilanden
kantoorhoudend in Maleisië,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mr. S.W. van den Berg en mr. F.D. Crul.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
- de startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw van [verzoekster] , gedeponeerd op 5 juni 2026,
met de keuze voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement;
- het verzoekschrift van 5 juni 2026 van [verzoekster] met producties 1 tot en met 17,
waarbij [verzoekster] de volgende drie belanghebbenden heeft aangeduid:



[dochtervennootschap] (hierna: [dochtervennootschap] ), statutair gevestigd te Rotterdam;



[schuldeiser] (hierna: [schuldeiser] ) , gevestigd te [vestigingsplaats] , Zwitserland, en;



[kandidaat koper] (hierna: [kandidaat koper] ), gevestigd te [vestigingsplaats] , Zwitserland;


- de op 9 juni door [verzoekster] ingediende producties 18 tot en met 20;
- de op 10 juni 2026 door [schuldeiser] ingediende zienswijze met tegenverzoeken;
- de op 10 juni 2026 door [schuldeiser] ingediende producties 1 tot en met 12;
- de op 10 juni 2026 door [dochtervennootschap] ingediende zienswijze met producties 1 en 2;
- de op 11 juni 2026 door [verzoekster] ingediende aanvullende zienswijze met productie 21;
- de spreekaantekeningen zijdens [verzoekster] voor de mondelinge behandeling van 11 juni 2026;
- de spreekaantekeningen zijdens [schuldeiser] voor de mondelinge behandeling van 11 juni 2026;
- de spreekaantekeningen zijdens [dochtervennootschap] voor de mondelinge behandeling van 11 juni 2026.



1.2.
De griffier heeft bij brief van 9 juni 2026 aan haar advocaat [verzoekster] opgeroepen voor de (online) behandeling van het verzoek en de griffier heeft [verzoekster] daarbij verzocht om [schuldeiser] voor de zitting op te roepen.



1.3.
De verzoeken zijn op 11 juni 2026 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:
Namens [verzoekster] :
- [bestuurder van verzoekster] , directeur;
- mr. S.W. van den Berg, advocaat;
- mr. F.D. Crul, advocaat;
- mr. S.T.M. Hartsuijker, advocaat;
- mr. J.R. Gal, advocaat;
- M. van Heugten, adviseur Eight Advisory.
Namens [schuldeiser] :
- mr. W.J.E. Nijnens, advocaat;
- mr. F.J.L. Kaptein, advocaat;
- mr. F.J.M. Hengst, advocaat.
Namens [dochtervennootschap] :
- [naam] , CEO;
- [naam] , CFO;
- [naam] , senior legal counsel;
- [naam] , legal counsel;
- [naam] , senior finance manager;
- mr. T.M. Munnik, advocaat;
- E. Couzens, lawyer;
- E. Preston Bell, lawyer;
- W. Taylor, lawyer.



1.4.
De uitspraak is bepaald op 1 juli 2026 of zoveel eerder als mogelijk.






2Het verzoek


2.1.

[verzoekster] heeft – samengevat en voor zover voor de beoordeling van belang – het volgende aangevoerd.



2.2.

[verzoekster] doet een verzoek tot het (onmiddellijk) afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor een periode van vier maanden, die inhoudt dat [schuldeiser] niet gerechtigd is tot het incasseren van haar vorderingen op [verzoekster] op welke wijze dan ook, en tot het aanstellen van een observator ex artikel 380 lid 1 Fw (hierna: het verzoek).



2.3.

[verzoekster] zegt daarbij toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden.



2.4.

[verzoekster] is een houdstermaatschappij. [verzoekster] houdt alle geplaatste aandelen in [dochtervennootschap] (hierna ook: de aandelen). [dochtervennootschap] is de houdstervennootschap van een groep van meer dan 50 wereldwijd gevestigde vennootschappen en biedt als groep wereldwijd logistieke diensten en opslagfaciliteiten aan voor diverse grondstoffen. De aandelen vormen het enige actief van betekenis van [verzoekster] .



2.5.

[verzoekster] verwierf de aandelen in 2022 voor USD 176,7 miljoen van [vorige eigenaar] , een dochteronderneming van [schuldeiser] . [verzoekster] leende in het kader van deze transactie USD 140 miljoen van [schuldeiser] (hierna: de lening), welk bedrag [verzoekster] wilde afbetalen nadat zij een andere bron van financiering zou hebben gevonden. [verzoekster] verschafte aan [schuldeiser] voor de terugbetaling (onder meer) zekerheid in de vorm van pandrecht op de aandelen. De oorspronkelijke uiterste aflossingsdatum was 29 december 2023.



2.6.
In 2023 kwam aan het licht dat een vermeende voorraad nikkelbriketten van USD 1,3 miljoen in een Rotterdams magazijn van [dochtervennootschap] uit stenen bestond. Dat jaar bleek ook dat een Zuid-Afrikaanse dochteronderneming van [dochtervennootschap] in de periode van november 2019 tot augustus 2022 honderden frauduleuze facturen had betaald. Daarnaast werd in 2023 bekend dat de belangrijke grondstoffenhandelaar Trafigura voor wel een half miljard dollar het slachtoffer was geworden van fraude bij de handel in (niet-bestaande) nikkel. Door deze affaires waren de financiers en investeerders op wie [verzoekster] rekende niet langer geïnteresseerd om de onderneming te financieren of om erin te investeren. [verzoekster] heeftde lening niet op tijd afgelost, is in verzuim geraakt en heeft het verzuim tot dusver niet kunnen zuiveren, ondanks dat [dochtervennootschap] (inmiddels weer) een in de kern gezonde onderneming is met waardevaste activa.



2.7.

[schuldeiser] is een openbaar verkoopproces gestart, maar dat heeft niet tot de verkoop van de aandelen geleid. [schuldeiser] wil inmiddels onderhands executeren en zij heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam ex artikel 3:251 Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht te bepalen dat de aandelen voor USD [geboden bedrag] onderhands worden overgedragen aan [kandidaat koper] , dat aan [schuldeiser] gelieerd is. [verzoekster] heeft daartegen verweer gevoerd. De mondelinge behandeling vond op 21 mei 2026 plaats. De voorzieningenrechter heeft partijen nog twee weken gelegenheid geboden om tot overeenstemming te komen maar dat is (wederom) niet gelukt. De zaak verkeert in staat van wijzen.



2.8.
Het bedrag van USD [geboden bedrag] is gebaseerd op het op 11 maart 2026 door Vantage Valuation opgestelde Uittrekselrapport met betrekking tot de waardering van de aandelen (hierna: het Uittrekselrapport).



2.9.

[verzoekster] heeft Eight Advisory gevraagd om een analyse van het Uittrekselrapport en [verzoekster] heeft onder andere op basis van die analyse forse kritiek op de wijze van totstandkoming en de
– onvolledige – inhoud van het Uittrekselrapport, dat op basis van een eenzijdige en partijdige visie een onjuiste ‘eerlijke marktwaarde’ van de aandelen opgeeft, die sowieso aanzienlijk geringer is dan de in het kader van een WHOA-traject, aan de hand van een door rechtbank vast te stellen waarderingsprotocol te bepalen en uiteindelijk te verdelen reorganisatiewaarde van de onderneming van [verzoekster] . Het is reëel te veronderstellen dat een gecontroleerd herstructureringsproces onder begeleiding van een observator tot een hogere opbrengst zal leiden voor alle betrokkenen.



2.10.
Als lopende gesprekken met nieuwe investeerders slagen, kan onder andere [schuldeiser] al dan niet onder een WHOA-akkoord worden voldaan in geld en anders is denkbaar dat (een deel van) haar vordering wordt omgezet in aandelenkapitaal, zodat [verzoekster] de resterende aflossingsverplichtingen weer kan dragen.



2.11.

[verzoekster] is niet in staat de vorderingen van [schuldeiser] en van schuldeisers [schuldeiser 2] (hierna: [schuldeiser 2] ) en [schuldeiser 3] (hierna: [schuldeiser 3] ) te voldoen. Dit brengt mee dat sprake is van een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat [verzoekster] niet zal kunnen voortgaan met de betaling van haar schulden.



2.12.
De verzochte afkoeling is noodzakelijk voor het voortzetten van de onderneming, dat wil zeggen: het houden van de aandelen, want [schuldeiser] zal onmiddellijk na het verkrijgen van een toewijzende beschikking van de voorzieningenrechter overgaan tot levering van de aandelen aan [kandidaat koper] .



2.13.
De belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn bij de afkoelingsperiode gediend. De onder het akkoord te verdelen reorganisatiewaarde is sowieso hoger dan USD [geboden bedrag] . Dat blijkt summierlijk uit onder andere uit de op- en aanmerkingen van Eight Advisory op het Uittrekselrapport. Recent werden de aandelen bovendien op een veel hogere waarde dan USD [geboden bedrag] gewaardeerd. Uit een interne analyse van [verzoekster] ten behoeve van investeringsafwegingen volgt een waarde van USD [waarde] . [verzoekster] liet zelf nog geen waardering van de aandelen maken omdat daar tot voor kort geen aanleiding voor was. Er moet een plus zijn, en die zal blijken bij het bepalen van de reorganisatiewaarde. Afhankelijk van de hoogte van de reorganisatiewaarde zullen ook andere schuldeisers dan [schuldeiser] en misschien de aandeelhouder van [verzoekster] een uitkering onder het akkoord tegemoet kunnen zien.


2.14.
De belangen van de gezamenlijke schuldeisers gaan boven het belang van [schuldeiser] om meteen te executeren. De overige schuldeisers van [verzoekster] steunen het afkoelingsverzoek logischerwijs. [kandidaat koper] is aan [schuldeiser] gelieerd, zodat de afkoeling geen (onafhankelijke) derde raakt. Derden met verhaalsrechten, waaronder met name [schuldeiser] , worden niet wezenlijk in hun belangen geschaad. De renteverplichting aan [schuldeiser] van USD 2,5 miljoen per kwartaal wordt opgerold en meegenomen in het akkoord. De aandeelhouder van [verzoekster] , die de afgelopen periode al allerlei kosten betaalde, staat (ook) in voor de kosten van het WHOA-traject. De verhaalspositie van [schuldeiser] (en [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] ) verandert intussen niet. En [schuldeiser] zal onder het akkoord in ieder geval meer dan USD [geboden bedrag] aan waarde uitgekeerd krijgen.



2.15.
Er moet redelijkerwijs rekening mee gehouden worden dat [schuldeiser] zich tegen een WHOA-herstructureringstraject zal verzetten. De aanstelling van een observator is nodig om een prudent vervolg van het herstructureringstraject te waarborgen, aldus steeds [verzoekster] .






3Zienswijze [schuldeiser]


3.1.
heeft – samengevat en voor zover voor de beoordeling van belang – het volgende aangevoerd.



3.2.

[schuldeiser] verzoekt de rechtbank te bepalen dat [verzoekster] op de voet van artikel 224 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zekerheid stelt voor de reële proceskosten waartoe zij kan worden veroordeeld.



3.3.

[schuldeiser] betwist dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en voert verder het volgende inhoudelijke verweer.



3.4.
De verzoeken van [verzoekster] moeten afgewezen worden omdat zij misbruik van recht maakt; [verzoekster] wil alleen de pandexecutie frustreren.



3.5.
De voorzieningenrechter te Amsterdam heeft de uitspraak in de procedure ex artikel 3:251 BW bepaald op 2 juli 2026. [verzoekster] wil het recent ten overstaan van de voorzieningenrechter gevoerde waarderingsdebat overdoen. [verzoekster] heeft in die procedure gelegenheid gehad en genomen voor kritiek op de waardering door Vantage Valuation. [verzoekster] verzuimt een eigen waardering te presenteren.



3.6.

[schuldeiser] is niet overhaast tot uitwinning overgegaan. [verzoekster] is al sinds 16 januari 2023 in verzuim. [schuldeiser] heeft zich jarenlang coulant opgesteld en is meermaals bereid geweest aan oplossingen mee te werken. [verzoekster] presenteert telkens een beweerdelijke investeerder of koper of een beweerdelijk financieringsplan, waarna de voorgestelde oplossingen niet worden gerealiseerd. [verzoekster] heeft nimmer een serieus en concreet alternatief voorgesteld. In ieder geval de volgende plannen van [verzoekster] hebben nergens toe geleid:
( i) een indicatieve term sheet van [een investeerder/koper] van december 2023, voor een lening van USD [geldsom] gesecureerd door een eerste hypotheekrecht op [gebouw] – een in Maleisië gelegen gebouw;
(ii) een voorstel dat een aan [verzoekster] gelieerde entiteit een public bond zou uitgeven om een subparticipatie in de VFA te financieren;
(iii) een beweerde koopovereenkomst tussen de heer [bestuurder van verzoekster] en [een investeerder/koper] voor 15.000 aandelen in het kapitaal van [verzoekster] ter waarde van EUR [geldsom] ;
(iv) term sheets van 9 mei 2024 en 22 augustus 2024 voor een joint venture waarbij [een investeerder/koper] beweerdelijk bereid zou zijn EUR [geldsom] te investeren (EUR [geldsom] voor een belang van 30% in [verzoekster] en EUR [geldsom] als drawdown-faciliteit);
( v) een term sheet van 25 juni 2024 van [een investeerder/koper] met betrekking tot een transactie met [verzoekster] ;
(vi) correspondentie waaruit herhaalde interesse zou blijken van [een investeerder/koper] . [Deze] heeft echter nooit een bod gedaan;
(vii) een settlement deed, opgesteld begin januari 2026, waarbij [een investeerder/koper] als beoogde nieuwe schuldeiser toezegde de uitstaande schuld van [verzoekster] aan [schuldeiser] – op dat moment USD [geldsom] – over te nemen voor USD [geldsom] .



3.7.
Verder is op verzoek van [verzoekster] , onder leiding van M&A-adviesbureau MJM Advisory LTD van eind 2024 tot eind 2025 een uitgebreid verkoopproces gevoerd, dat helaas geen bindend bod heeft opgeleverd. [verzoekster] heeft verzocht dat [schuldeiser] het proces zou leiden, [verzoekster] is structureel op de hoogte gehouden, en [schuldeiser] heeft alle kosten gedragen.



3.8.

[schuldeiser] heeft ten slotte voor pandexecutie moeten kiezen. [verzoekster] doorkruist dat nu in een te laat stadium op oneigenlijke wijze. Een WHOA-traject kan bovendien tot niets leiden.



3.9.
Blijkens de voorgeschiedenis is geen enkele partij bereid meer dan USD [geboden bedrag] te betalen. De aandelen zijn niet meer waard dan dat bedrag. Op basis van de recente cijfers van [dochtervennootschap] zijn de aandelen juist minder waard.



3.10.
Pas als de reorganisatiewaarde meer dan USD [bedrag vordering schuldeiser] beloopt, nog te vermeerderen met opgerolde rente, kunnen anderen dan [schuldeiser] iets uit een akkoord ontvangen. [verzoekster] maakt niet aannemelijk dat zo’n hoge waardering realistisch is.



3.11.

[verzoekster] heeft geen belang bij haar verzoeken want [verzoekster] zal zo goed als zeker geen uitvoerbaar akkoord aanbieden. [verzoekster] maakt niet concreet dat en hoe tijdig een akkoord wordt aangeboden, waarbij meer dan twee keer de vastgestelde aandelenwaarde van USD [geboden bedrag] wordt uitgekeerd.



3.12.

[schuldeiser] zal alleen vóór een akkoord stemmen als haar binnen twee maanden meer dan het dubbele van de (door Vantage Valuation becijferde) waarde van de aandelen in geld wordt geboden. [schuldeiser] zal tegen een akkoord stemmen als omzetting van (een deel van) haar vordering in aandelen wordt aangeboden.



3.13.
Een akkoord zal niet erkend worden op de Britse Maagdeneilanden en ook niet in het Verenigd Koninkrijk. Op de lening is Engels recht van toepassing, zodat de vordering van [schuldeiser] ten gevolge van de Gibbs rule alleen door een Engelse rechter geherstructureerd kan worden. Hierdoor zal nakoming van een akkoord onmogelijk te waarborgen zijn. [verzoekster] heeft geen parallelle procedure(s) gestart.



3.14.

[verzoekster] kan haar lopende verplichtingen niet voldoen en is de facto insolvent. [verzoekster] betaalt de rente van USD 2,5 miljoen per kwartaal niet. [verzoekster] kan ook de WHOA-kosten, zoals een observator, niet betalen.



3.15.
Het is niet redelijkerwijs aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij afkoeling zijn gediend. Hun belangen worden juist geschaad want de waarde van [dochtervennootschap] daalt, blijkens recente cijfers van de onderneming. De voortdurende onduidelijkheid over de toekomst van [dochtervennootschap] drukt de waarde ook. Bovendien neemt de schuldenlast nog toe doordat [verzoekster] de rente niet betaalt. Ook dat is niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Het passief neemt toe, zonder zekerheid dat een akkoord haalbaar is.



3.16.

[schuldeiser] wordt bij afkoeling wezenlijk in haar belangen geschaad doordat naast aflossingen op de lening ook de verschenen en tijdens het WHOA-traject te verschijnen rentetermijnen onbetaald blijven, doordat [schuldeiser] verder wederom proceskosten moet maken en doordat [schuldeiser] na de afkoelingsperiode opnieuw een procedure ex art. 3:251 BW moet voeren, terwijl de waarde van (de aandelen in) [dochtervennootschap] vermindert.



3.17.

[schuldeiser] verzoekt dat de rechtbank bij het onverhoopt afkondigen van een afkoelingsperiode geen observator aanstelt maar een herstructureringsdeskundige aanwijst. Gelet op de voorgeschiedenis, is er geen vertrouwen dat [verzoekster] een akkoord kan en zal voorbereiden. Een observator heeft onvoldoende slagkracht om het proces de goede kant op te sturen en misbruik te voorkomen; daar is een herstructureringsdeskundige voor nodig.



3.18.
Omdat [verzoekster] met het instellen van het verzoek misbruik van recht maakt, verzoekt [schuldeiser] om (volledige) proceskostenveroordeling, aldus steeds [schuldeiser] .






4Zienswijze [dochtervennootschap]


4.1.
heeft een zienswijze ingediend en zich als deelnemer aan de (online) behandeling gemeld. [dochtervennootschap] heeft zich in grote lijnen aangesloten bij het betoog van [schuldeiser] en heeft benadrukt dat voortdurende geschillen over de aandelen en onzekerheid over de zeggenschap nadelige invloed hebben op de verhoudingen van [dochtervennootschap] met haar klanten en (bank)relaties en een ongunstig effect hebben op haar onderneming.






5De beoordeling


Rechtsmacht en bevoegdheid


5.1.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.



5.2.

[verzoekster] heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure, zodat op grond van artikel 3 Rv wordt bepaald of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om het verzoek in behandeling te nemen.



5.3.

[verzoekster] is gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en houdt kantoor in Maleisië. [schuldeiser] is gevestigd en kantoorhoudend te Zwitserland. Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ziet met name op de dreigende executieverkoop van de aandelen die [verzoekster] houdt in [dochtervennootschap] . [dochtervennootschap] is statutair in Rotterdam gevestigd. GWC heeft [dochtervennootschap] in het verzoekschrift als belanghebbende is aangeduid. De rechtbank ziet echter geen grond om [dochtervennootschap] in dit kader als belanghebbende aan te merken. De enkele omstandigheid dat [dochtervennootschap] in het verzoek belanghebbende wordt genoemd, volstaat daarvoor niet. Wie tot de belanghebbenden in de zin van een wetsbepaling zijn te rekenen, moet, nu het in de wet WHOA niet is bepaald, uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre de betrokkene door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen, het entameren daarvan daaronder begrepen. [dochtervennootschap] is niet als schuldenaar, stemgerechtigde schuldeiser of aandeelhouder bij het verzoek betrokken. [dochtervennootschap] is verder geen derde als bedoeld in artikel 376 lid 2 onder a Fw of beslaglegger of schuldeiser die het faillissementsverzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 376 lid 11 Fw. Op artikel 3 lid 1 ahf en sub a Rv kan geen rechtsmacht van de Nederlandse rechter gebaseerd worden. Dat [dochtervennootschap] in een andere gerechtelijke procedure, namelijk de lopende executieprocedure met betrekking tot haar aandelen, wordt aangemerkt als belanghebbende noch dat [verzoekster] haar in deze procedure als zodanig aanduidt of dat zij zichzelf ziet als belanghebbende, is van doorslaggevende betekenis.
Onbetwist staat vast dat [verzoekster] haar statutaire vestigingsplaats heeft op de Britse Maagdeneilanden. Gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 ahf en sub c Rv is , mede gezien de wetsgeschiedenis de Nederlandse rechter toch bevoegd omdat de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. [verzoekster] heeft substantiële activa in Nederland, namelijk de aandelen op naam in de besloten vennootschap naar Nederlands recht [dochtervennootschap] . Deze aandelen zijn niet vrij verhandelbaar, vormen het overgrote deel van het actief van [verzoekster] en vertegenwoordigen – volgens de stellingen van betrokkenen – een waarde van ten minste USD [geboden bedrag] , kunnen althans momenteel voor dat bedrag verkocht worden.



5.4.
De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen.
Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.


Afkoelingsperiode



5.5.
Op grond van artikel 376 Fw kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.



5.6.

[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden zodat zij kan worden ontvangen in haar verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode.



5.7.
Een lopende pandexecutie van de aandelen zou onder omstandigheden kunnen worden geschorst door een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw. De pandexecutie is immers gericht op opbrengstmaximalisatie ten behoeve van een schuldeiser, de pandhouder, terwijl WHOA is gericht op het herstel van de schuldenaar en het maximaliseren van de reorganisatiewaarde na de uitvoering van een akkoord ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Ook de waardering van het te executeren actief bij pandexecutie en de te verdelen waarde in de WHOA procedure verschillen van elkaar: de eerste beperkt zich tot opbrengstmaximalisatie op het moment van verkoop terwijl in de WHOA de (toekomstige) reorganisatiewaarde dient te worden verdeeld onder de (batig gerangschikte) schuldeisers, waarbij de pandhouder van de aandelen wel een eigen sterke positie zal innemen (no creditor worse off).



5.8.
Gezien het voortraject, de stand van de procedure ex artikel 3:251 BW, de omstandigheid dat [schuldeiser] veruit de grootste schuldeiser is en het stadium waarin (de voorbereiding van) het akkoord zich bevindt, acht de rechtbank het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode in dit geval ontijdig. De procedure ex artikel 3:251 BW is niet uit de lucht komen vallen. Er is een langdurig voortraject geweest met verscheidene pogingen om de aandelen openbaar te verkopen. [verzoekster] was hiermee bekend en heeft [schuldeiser] gevraagd dit traject te begeleiden. [verzoekster] heeft al die tijd geen eigen waarderingsrapport opgesteld. [verzoekster] heeft het zeer recent, terwijl de procedure ex artikel 3:251 BW in staat van wijzen is, ingezette WHOA-traject niet of nauwelijks voorbereid. In dit stadium en bij deze stand van zaken is het doorkruisen van de rechten van de pandhouder niet aan de orde. Reeds hierom dient het verzoek van [verzoekster] te worden afgewezen.



5.9.
Daarnaast leidt ook de toets op grond van artikel 376 Fw tot afwijzing. Niet summierlijk is immers gebleken dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij een afkoelingsperiode zijn gediend. [verzoekster] heeft niet duidelijk gemaakt op welke wijze zij in een termijn van twee maanden een akkoord zal kunnen aanbieden. Er ligt thans geen concreet aanbod tot een akkoord voor en [verzoekster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat al serieuze stappen zijn gezet om tot het aanbieden van een akkoord te komen. [verzoekster] heeft vage contouren van twee varianten van een akkoord geschetst. [verzoekster] heeft geen concreet plan; [verzoekster] wil na de nog uit te voeren bepaling van de reorganisatiewaarde de insteek van het akkoord kiezen. [verzoekster] stelt weliswaar dat de reorganisatiewaarde hoger is dan USD [geboden bedrag] maar de afgelopen jaren is geen enkele partij bereid gebleken meer dan dat bedrag te betalen of te investeren.



5.10.

[schuldeiser] , dat een door pandrecht op de aandelen gedekte vordering heeft van ruim USD [bedrag vordering schuldeiser] , nog te vermeerderen met rente, heeft aangekondigd tegen een eventueel akkoordvoorstel te zullen stemmen waarbij niet haar volledige vordering in geld wordt voldaan en [verzoekster] heeft niet redelijkerwijs aannemelijk gemaakt dat er een zodanige meerwaarde is dat aan andere in het akkoord te betrekken partijen dan [schuldeiser] een uitkering onder het akkoord aangeboden zal kunnen worden.
Voor een uitgebreide discussie over het Uittrekselrapport is in deze procedure, die is gericht op een spoedige beslissing, geen plaats. Het is aan [verzoekster] om summierlijk aannemelijk te maken dat de reorganisatiewaarde van zodanige omvang is dat het reële vooruitzicht op een akkoord in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de afkondiging van een afkoelingsperiode rechtvaardigt. Wijzen op een hogere waarde in het verleden, kritiek op het Uittrekselrapport en de stelling dat uit een interne analyse een hogere waarde van (de aandelen in) [dochtervennootschap] blijkt, is – gelet op de voorgeschiedenis, de langdurige wanprestatie [verzoekster] , en de doorlopen verkooptrajecten – in dit stadium niet voldoende. Nu het verzuim van [verzoekster] jegens [schuldeiser] al langere tijd loopt mogen hogere eisen worden gesteld aan de contouren van het beoogde akkoord. Daar komt bij dat de erkenning van een akkoord waarbij de vordering van [schuldeiser] wordt geherstructureerd op de Britse Maagdeneilanden problematisch zal zijn, zodat de nakoming ervan niet gewaarborgd zal zijn, terwijl vooralsnog geen parallelle procedure is gestart. Van een reëel uitzicht op een uitvoerbaar akkoord is gelet op genoemde omstandigheden niet summierlijk gebleken.


5.11.
Evenmin is summierlijk gebleken dat [schuldeiser] door een afkoelingsperiode niet wezenlijk in haar belangen wordt geschaad, nu haar vordering verder zal toenemen en er geen reëel uitzicht is op een akkoord waarbij aan [schuldeiser] een hogere waarde zal worden uitgekeerd dan het bedrag dat zij (indien de voorzieningenrechter daar toestemming voor geeft op korte termijn) als pandhouder kan realiseren.


Observator, herstructureringsdeskundige



5.12.
In het lichaam van haar verzoekschrift ‘geeft [verzoekster] de rechtbank in overweging om gelijktijdig met het gelasten van de afkoelingsperiode een observator aan te stellen’. De rechtbank begrijpt daaruit dat [verzoekster] slechts om aanstelling van een observator verzoekt indien de rechtbank een afkoelingsperiode afkondigt. Nu de rechtbank daartoe niet overgaat, komt het voorwaardelijke verzoek tot aanstelling van een observator niet aan de orde. De rechtbank ziet bij de huidige stand van zaken geen aanleiding voor een ambtshalve aanstelling.



5.13.

[schuldeiser] verzocht de rechtbank om bij het afkondigen van een afkoelingsperiode een herstructureringsdeskundige aan te wijzen. Beoordeling van dat voorwaardelijke verzoek komt ook niet aan de orde.


Proceskosten



5.14.
Met name gelet op hetgeen hierboven onder 5.8 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding [verzoekster] in de kosten aan de zijde van [schuldeiser] conform het liquidatietarief te veroordelen. Het verzoek geldt als een zaak van onbepaalde waarde. De proceskosten zullen worden vastgesteld op 2 punten maal tarief II in eerste aanleg ad € 653,- = € 1.306,- (overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2026). Vanwege de veroordeling in de proceskosten behoeft het verzoek van [schuldeiser] ex artikel 224 Rv niet nader te worden besproken.






6De beslissing

De rechtbank:

- Wijst het verzoek van [verzoekster] tot het afkondigen van een afkoelingsperiode af.

- Veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [schuldeiser] , bepaald op € 1.306,00 aan salaris voor de advocaat.

- Verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

- Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Aukema, voorzitter, mr. A.E. de Vos en
mr. M.C. Bosch, rechters, en in aanwezigheid van mr. J.B. Biezen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.



HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2006:AY8290)


Memorie van Toelichting bij de voorgestelde Wet homologatie onderhands akkoord, Kamerstukken II 2018/2019, 35 249, nr.3, p. 32
Link naar deze uitspraak