|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:8961 | | | | | Datum uitspraak | : | 06-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/3668 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Er is fecale bezoedeling aangetroffen op vlees dat al was gestempeld en goedgekeurd voor menselijke consumptie. Dit is na de uitslachtfase, zodat verweerder de boete terecht heeft gebaseerd op punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Vo (EG) 852/2004 en niet op de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV sectie I van bijlage II van Vo (EG) 853/2004 die specifiek zien op de uitslachtfase. Dat eiseres na het stempelen eigen controles uitvoert maakt niet dat er geen sprake is van een overtreding of dat aanleiding zou bestaan tot matiging van de boete over te gaan. Verweerder heeft de boete met toepassing van de recidiveregeling verhoogd, omdat eiseres eerder een bestuurlijke boete heeft gekregen wegens overtreding van dezelfde norm (punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Vo (EG) 852/2004) en er nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds die boete onherroepelijk is geworden. Hoewel het overtreden voorschrift een zeer ruime norm betreft en denkbaar is dat boeteverhoging wegens recidive bij een dergelijk ruime norm niet in alle gevallen redelijk is te achten, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er reden is voor matiging. Dat de oorzaak of het soort verontreiniging verschilt, is op zichzelf geen reden om de recidivebepaling niet toe te passen. Hetzelfde voorschrift is overtreden en het is de bedoeling van de wetgever geweest dat in dat geval de boete wordt verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3668
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 5.000,- die verweerder in het kader van de Wet dieren aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder voor de overtreding terecht aan eiseres een bestuurlijke boete heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boetes opgelegd van € 5.000,-, omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.
2.1.
Met het besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Beoordeling door de rechtbank
3. In het rapport van bevindingen van 30 oktober 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een regulier toezicht op 16 oktober 2024, omstreeks 09:23 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In het rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn inspectieronde door het bedrijf op 16 oktober 2024, omstreeks 09:23 uur kwam ik aanlopen op de uitbeenderij afdeling. Hier worden de technische delen, van voor humane consumptie goedgekeurde kalverkarkassen, ontdaan van botten en verwerkt tot losse onderdelen.
Ik liep op de uitsnijderij afdeling richting de positie waar medewerkers van de uitbeenderij afdeling met een luchtspuit lucht blazen in de technische delen van een voor humane consumptie goedgekeurd kalverkarkas om ze makkelijker te kunnen verwerken. Terwijl ik aan kwam lopen kwamen er stompen (de achterpoot van een kalf) hangend aan een haak via de fabriekslijn (een lange ijzeren baan waaraan deze onderdelen hangen) langs mij. Op een van de stompen trof ik een geelgroene vezelachtige substantie aan op de bilzijde, zie foto. Door fecale bezoedeling raakt het vlees verontreinigd en is daardoor niet geschikt meer voor humane consumptie.
Ik herkende de verontreiniging als:
- fecale bezoedeling vanwege de geel, groene kleur en de vezelachtige structuur.
Ik heb de exploitant de opdracht gegeven om direct corrigerende acties in te stellen:
- alle bezoedeling direct te verwijderen door middel van ruim wegsnijden.”
4. Op basis van het hiervoor genoemde rapport van bevindingen heeft verweerder met het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000,- voor het volgende feit: levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening (EG) 852/2004. Het boetebedrag voor het beboetbare feit is op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verhoogd, omdat eiseres eerder op 16 december 2022 (boetezaaknummer [boetezaaknummer] ) is beboet voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen zijn sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat de opgelegde boete niet in stand kan blijven, omdat niet inzichtelijk is wanneer verweerder welk voorschrift aan een overtreding vanwege bezoedeling ten grondslag legt. In vergelijkbare zaken waarbij eveneens bezoedelingen zijn aangetroffen nadat alle slachthandelingen waren verricht en het karkas was gestempeld, zijn de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I, van bijlage III van Verordening (EG) 853/2004 aan boeteoplegging ten grondslag gelegd. Verweerder had de punten 7 en 10 aan de boete ten grondslag moeten leggen, omdat die punten specifiek zien op bezoedelingen die in de uitslachtfase zijn ontstaan en verweerder er van uitgaat dat de bezoedeling in de uitslachtfase, dus voor het stempelen, moet hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft de boete daarom niet op punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 mogen baseren. Uit artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) 852/2004 volgt dat de punten 7 en 10 specifieke voorschriften zijn, dus een lex specialis, ten opzichte van de algemene bepaling van punt 3. Die specifieke voorschriften gaan voor op de algemene bepaling. Wanneer verweerder in plaats van de lex specialis uit Verordening (EG) 853/2004 het algemene verwijt uit Verordening (EG) 852/2004 tegenwerpt, wordt eiseres in haar verweren beperkt omdat verweerder er wel van uitgaat dat de bezoedeling tijdens het uitslachten is ontstaan, maar dat niet aan eiseres verwijt.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening (EG) 853/2004 schrijven voor dat verontreiniging van het vlees moet worden voorkomen en onmiddellijk moet worden verwijderd. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meermaals heeft geoordeeld, onder meer in de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1029), zien deze voorschriften in de punten 7 en 10 op de uitslachtfase en moet vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan deze voorschriften zijn voldaan. In deze boetezaak is de bezoedeling van het vlees geconstateerd op de uitsnijderij-afdeling bij de positie waar met een luchtspuit lucht wordt geblazen in de technische delen van een voor humane consumptie goedgekeurd kalverkarkas. Dit is na de uitslachtfase. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder in dit geval de punten 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag had moeten leggen. Eiseres heeft gesteld dat verweerder ervan uitgaat dat de fecale bezoedeling in de uitslachtfase is ontstaan, maar ook al zou dit het uitgangspunt zijn, dan maakt dat nog niet dat verweerder de punten 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag moet leggen. De constatering is immers in een verder stadium dan de uitslachtfase gedaan. Bovendien zijn er situaties denkbaar waarin een fecale bezoedeling pas na de uitslachtfase op vlees terecht komt of zichtbaar wordt. Anders dan de punten 7 en 10, ziet punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 op alle stadia van de productie, verwerking en distributie en dus ook op de positie waar medewerkers van de uitbeenderij-afdeling met een luchtspuit lucht blazen in de technische delen van een voor humane consumptie goedgekeurd kalverkarkas. Verweerder heeft dan ook terecht punt 3 aan de overtreding ten grondslag gelegd. Het feit dat er in het bedrijf van eiseres na het stempelen eigen controles door eiseres plaatsvinden, maakt niet dat er geen sprake was van een overtreding of dat er om die reden aanleiding zou bestaan om tot matiging van de boete over te gaan.
5.2.
Overigens volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 (waaronder punt 3 in hoofdstuk IX) en de specifieke voorschriften van Verordening (EG) 853/2004 (waaronder de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I, van bijlage III) elkaar niet uitsluiten en naast elkaar kunnen bestaan. Dat neemt niet weg dat verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, wel een keuze maakt in het voorschrift dat bij een bezoedeling ten laste wordt gelegd. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat de punten 7 en 10 ten laste wordt gelegd als een bezoedeling wordt aangetroffen in de uitslachtfase of kort na de stempelaar, en daarbuiten punt 3. Of dit uitgangspunt in een specifieke zaak wordt gevolgd is afhankelijk van de inrichting van het slachthuis en de feiten en omstandigheden in dat geval. De rechtbank vindt deze werkwijze navolgbaar.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres het voorschrift in punt 3 in hoofdstuk IX bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 heeft overtreden. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen.
7. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat het bedrag voor het beboetbare feit ten onrechte wegens recidive is verhoogd. Het besluit van 16 december 2022 dat aan de verhoging ten grondslag is gelegd, heeft weliswaar betrekking op dezelfde norm (punt 3 van Hoofdstuk IX, Bijlage II van Verordening (EG) 852/2004), maar deze norm is te ruim om als grondslag voor verhoging te kunnen dienen. De feiten zijn niet vergelijkbaar. In het besluit van 16 december 2022 gaat het om een lekkage van het dak, terwijl het in deze zaak gaat om bezoedeling tijdens het slachtproces, aldus eiser.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor onder 6. is overwogen heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan, zodat verweerder bevoegd was om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op
€ 2.500,-. Uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat het boetebedrag wordt verhoogd met het bedrag van een eerder aan de overtreder opgelegd boete als er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden en die boete was opgelegd voor eenzelfde overtreding. In de Nota van Toelichting bij het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is benoemd dat dit voorschrift is beperkt tot gevallen waarin hetzelfde voorschrift opnieuw wordt overtreden. Eiseres is bij besluit van 16 december 2022 een boete opgelegd van € 2.500,- voor overtreding van artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening (EG) 852/2004. Hoewel het overtreden voorschrift een zeer ruime norm betreft en denkbaar is dat boeteverhoging vanwege recidive bij een dergelijk ruime norm niet in alle gevallen redelijk is te achten, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er reden is voor matiging. Eiseres heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de eerder opgelegde boete en heeft haar stelling dat sprake was van een eenmalig incident vanwege een hoosbui niet onderbouwd. De eerdere boete was opgelegd voor overtreding van hetzelfde voorschrift als de onderhavige boete. In beide gevallen was sprake van een situatie waarin eiseres levensmiddelen niet heeft beschermd tegen verontreiniging. Dat de oorzaak of het soort verontreiniging verschilt, is op zichzelf geen reden om de recidivebepaling niet toe te passen. Hetzelfde voorschrift is overtreden en het is de bedoeling van de wetgever geweest dat in dat geval de boete wordt verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boete van € 5.000,- evenredig.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Verordening (EG) nr. 852/2004 van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne
Artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) 852/2004: Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, als
mede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, Inleiding van Verordening (EG) 852/2004: De hoofdstukken V, V bis, VI, VII, VIII, IX, X, XI, XI bis en XII zijn van toepassing op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen.
Bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3 van Verordening (EG) 852/2004: In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Verordening (EG) nr. 853/2004 van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong
Artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) 853/2004: In deze verordening worden voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven specifieke hygiënevoorschriften op het gebied van levens middelen van dierlijke oorsprong vastgesteld. Deze voorschriften zijn een aanvulling op Verordening (EG) nr. 852/2004. Zij hebben betrekking op onverwerkte en verwerkte producten van dierlijke oorsprong.
Bijlage II, Sectie I, Hoofdstuk IV, punt 7 van Verordening (EG) 853/2004: Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. […].
Bijlage II, Sectie I, Hoofdstuk IV, punt 10 van Verordening (EG) 853/2004: Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|