Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:9217 
 
Datum uitspraak:24-07-2026
Datum gepubliceerd:03-08-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/722302 / KG ZA 26-66 C/10/722302 / KG ZA 26-66
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kort geding. Vordering tot opheffing conservatoire beslagen. Gedeeltelijke toewijzing. Vordering waarvoor beslag is gelegd, is deels ondeugdelijk. Daarnaast heeft eiseres groot belang bij opheffing, omdat de beslagen haar bedrijfsvoering volledig lam hebben gelegd.
Trefwoorden:koopovereenkomst
overdrachtsbelasting
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven


Zaaknummer: C/10/722302 / KG ZA 26-665


Vonnis in kort geding van 24 juli 2026


in de zaak van


RONDAAL B.V.,
gevestigd in Werkendam,
eiseres,
advocaten: mrs. R.C. Geurtsen en D.A. Fransen,

tegen


FUNDERINGSHERSTEL EN KELDERBAKKEN BOUW ZUID HOLLAND B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde,
advocaten: mrs. P.C.M. Ouwens, O. Zaïr en A. Sedighi.


Partijen worden hierna Rondaal en FKBZH genoemd.



De zaak in het kort


Tussen Rondaal en FKBZH heeft een samenwerking bestaan op het gebied van vastgoedontwikkeling. Die samenwerking is in december 2025 door Rondaal beëindigd. Rondaal stelt dat zij een vordering heeft op FKBZH van ca. € 1,9 miljoen vanwege een overschrijding van vooraf overeengekomen bouwsommen en een vertraging in de oplevering van door partijen uitgevoerde projecten. FKBZH stelt dat zij een vordering op Rondaal heeft van ca. 2,5 miljoen wegens niet-afgerekende winstdelen, onbetaalde bouwkosten en meerwerk en schade als gevolg van het beëindigen van de samenwerking door Rondaal. Als zekerheid voor het verhaal van haar vordering heeft FKBZH conservatoir beslag doen leggen op de volledige vastgoedportefeuille en bankrekeningen van Rondaal. In dit kort geding vordert Rondaal opheffing van die beslagen. De voorzieningenrechter wijst de vordering gedeeltelijk toe.





1De procedure


1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 3 juli 2026, met producties 1 tot en met 46,


de akte nadere producties en tevens wijziging van eis, met producties 47 tot en met 57,


de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4,


de spreekaantekeningen van mr. Geurtsen,


de spreekaantekeningen van mr. Sedighi.





1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026.






2De feiten


2.1.
In september 2023 zijn Rondaal en FKBZH een samenwerking aangegaan waarbij zij woningen en appartementen aankochten, ontwikkelden en weer verkochten. Rondaal bracht de financiering en eigendomspositie in en FKBZH hield zich bezig met de uitvoering van de bouwkundige werkzaamheden en de projectbegeleiding. FKBZH heeft een deel van de bouwkundige werkzaamheden uitbesteed aan een aan haar gelieerde vennootschap, Bouw en Wonen Zuid-Holland B.V. (hierna: BWZH).



2.2.
Rondaal en FKBZH hebben de volgende projecten samen ontwikkeld:



[adres 1] in Rotterdam (va. september 2023),



[adres 2] en [adres 3] in Rotterdam (va. januari 2024),



[adres 4] in Rotterdam (va. mei 2024),



[adres 5] en [adres 6] in Rotterdam (va. juni 2024),



[adres 7] in Tiel (va. juni 2024),



[adres 8] , [adres 9] en [adres 10] in Werkendam (va. augustus 2024),



[adres 11] , [adres 12] en [adres 13] in Rotterdam (va. februari 2025),



[adres 14] en [adres 15] in Rotterdam (va. mei 2025).



De communicatie verliep namens Rondaal via [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en namens FKBZH via [persoon B] (hierna: [persoon B] ).



2.3.
Bij e-mail van 30 mei 2025 bericht [persoon A] aan [persoon B] :

“(…) Voorstel samenwerking

Ik vind dat we voor de toekomstige samenwerking een aantal dingen beter moeten gaan doen om goed te kunnen bepalen hoeveel en welke projecten voor ons rendabel zijn.

Belangrijke onderdelen hierin zijn voor mij:


Winst- en verliesdeling en risico


We zijn begonnen met een samenwerking waar we 50/50 winst en verlies zouden delen. De taakverdeling hierin was dat ik de financieringen regel en jij de bouw. Bij een 50/50 verdeling moet in mijn optiek ook eventueel verlies door beide partijen opgevangen worden, immers deel je de baten en de lasten. Indien een van beide partijen niet in het verlies kan delen omdat de financiële situatie hier niet naar is, dan vind ik een 50/50 deling bij de winst ook niet fair. Tot op heden heb ik alle financiële tegenvallers door latere verkopen en hogere kosten opgevangen door mijn panden te gebruiken als onderpanden voor financieringen. Ondertussen is mijn totale leensom €8.000.000 met een maandelijkse rentelast van €59.000. Het is mijn taak om voor de gezamenlijke projecten de financieringen te regelen. Maar door de uitloop en extra kosten heb ik ook al mijn panden die niet met de gezamenlijke projecten te maken hebben moeten gebruiken om de financiën te kunnen regelen voor onze projecten. (…)


Bouwkosten

We zijn begonnen met €1000 per m2 als uitgangspunt voor de bouwkosten. In de praktijk blijken de bouwkosten op €1.568 te liggen, dus circa 56% hoger. Daarnaast moet uit de daadwerkelijk gemaakte bouwkosten nog blijken wat de echte m2 prijs voor de bouwkosten zijn. Om projecten winstgevend te kunnen houden is het bij de aankoop van groot belang dat we weten wat de daadwerkelijke bouwkosten zijn, zodat we hier mee kunnen rekenen.

Op basis van de conclusies die we hebben kunnen trekken uit de laatste anderhalf jaar stel ik een nieuwe samenwerkingsvorm voor die beter past bij de realiteit: (…)”



2.4.
Partijen zijn er niet in geslaagd om afspraken te maken over een nieuwe samenwerkingsvorm. Op 3 december 2025 heeft Rondaal de samenwerking beëindigd.



2.5.
Bij brief van 17 april 2026 schrijft de advocaat van Rondaal, mr. Geurtsen, aan de advocaat van FKBZH, mr. Ouwens, dat het merendeel van de projecten op basis van een winst/verliesverdeling is ontwikkeld. Volgens Rondaal bepaalde FKBZH een vaste bouwsom, op basis waarvan Rondaal een rendementsberekening maakte en bepaalde of de betreffende onroerende zaak al dan niet werd aangekocht voor ontwikkeling. Eventuele winst of verlies werd tussen partijen ver- of gedeeld, uitgaande van de vooraf overeengekomen vaste bouwsom. Rondaal heeft berekend dat voor een aantal projecten een bouwsom van in totaal € 2.493.000,00 was begroot, maar dat de bouwkosten uiteindelijk € 4.142.866,60 bedroegen. Mr. Geurtsen verzoekt FKBZH daarom om een bedrag € 1.883.066,60, bestaande uit het verschil in bouwkosten en de kosten als gevolg van een vertraagde uitvoering en oplevering van de projecten, aan Rondaal te voldoen.
Verder wijst mr. Geurtsen erop dat Rondaal eigenaar is van het pand aan [adres 16] in Rotterdam en dat [persoon B] dat gebruikt als kantoorruimte. Hoewel partijen hebben besproken dat zij dit pand samen zouden ontwikkelen dan wel dat FKBZH het zou kopen, is het niet tot definitieve afspraken gekomen. Omdat [persoon B] het pand volgens Rondaal zonder recht of titel gebruikt, verzoekt mr. Geurtsen om het pand te ontruimen.



2.6.
Bij brief van 28 mei 2026 laat mr. Zaïr namens FKBZH aan mr. Geurtsen weten dat partijen een samenwerking op grond van een 50/50 winst- en verliesdeling op alle projecten zijn overeengekomen en aangegaan. Verder schrijft hij dat Rondaal ten onrechte meerwerk en vertragingsschade bij FKBZH in rekening heeft gebracht. De oorzaak van het meerwerk is volgens FKBZH gelegen in het feit dat [persoon A] zelf meerwerk initieerde, uitdrukkelijk instemde met kostenverhogingen en steeds hogere kwaliteitseisen stelde die direct van invloed waren op de bouwkosten. Volgens FKBZH is zij geen geld aan Rondaal verschuldigd, maar moet FKBZH een aanzienlijk bedrag aan haar te betalen wegens 1) niet-afgerekende winstdelen, 2) onbetaalde bouwkosten en meerwerk en 3) schade die is ontstaan doordat Rondaal de samenwerking heeft beëindigd zonder afrekening en zonder inzicht te geven in de gerealiseerde resultaten en geldstromen binnen de projecten.
Over het pand aan de Gustoweg merkt mr. Zaïr op dat partijen zijn overeengekomen dat [persoon B] het pand van Rondaal zou (terug)kopen voor € 150.000,00 exclusief overdrachtsbelasting en kosten koper. Volgens mr. Zaïr heeft [persoon B] recht op nakoming van die overeenkomst en kent de ontruimingsvordering geen geldige grondslag.



2.7.
Bij beslagrekest van 16 juni 2026 verzoekt FKBZH de voorzieningenrechter in deze rechtbank om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van Rondaal. Daarbij begroot FKBZH haar vordering op Rondaal op ten minste € 2.472.500,00. De vordering bestaat volgens FKBZH uit de volgende posten:

[straat 1] : € 90.000,00

[straat 2] : € 115.000,00

[straat 3] : € 200.000,00

[straat 4] : € 67.500,00

[straat 5] : € 50.000,00

[straat 6] : € 100.000,00

[straat 7] : € 150.000,00

[straat 8] : € 700.000,00

[straat 9] : € 1.000.000,00
€ 2.472.500,00



2.8.
Op 17 juni 2026 verleent de voorzieningenrechter FKBZH verlof tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van Rondaal. Daarbij wordt de vordering van FKBZH op Rondaal, met inbegrip van rente en kosten, begroot op € 2.923.375,00.



2.9.
Op 17 juni 2026 legt FKBZH conservatoir beslag ten laste van Rondaal onder Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: Rabobank) en op onroerend goed. Daarbij worden de volgende zaken (of daaraan verbonden appartementsrechten) in beslag genomen:


het appartement aan [adres 11] in Rotterdam,


het pand aan [adres 17] , [adres 18] en [adres 19] in Rotterdam,


de appartementen aan [adres 20] , [adres 21] en [adres 22] in Werkendam,


het appartement aan [adres 23] in Rotterdam,


de appartementen aan [adres 24] en [adres 25] in Rotterdam,


het pand aan [adres 16] in Rotterdam,


het appartement aan [adres 26] in Rotterdam,


het appartement aan [adres 14] en [adres 27] in Rotterdam,


het appartement aan [adres 28] in Den Haag,


het pand aan [adres 29] in Den Haag,


het appartement aan [adres 30] in Rotterdam,


het appartement aan [adres 31] in Zeewolde.





2.10.
Bij e-mail van 24 juni 2026 (12:38 uur) laat mr. Geurtsen aan mr. Zaïr weten dat FKBZH de vordering van Rondaal betwist en dat de gelegde beslagen disproportioneel en onnodig zijn. De beslagen hebben enorme consequenties voor de onderneming van Rondaal, omdat Rondaal daardoor niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen en leveringen van panden aan particuliere kopers geen doorgang kunnen vinden. Zo staat de overdracht van de woning aan [adres 27] in Rotterdam gepland op 25 juni 2026. Mr. Geurtsen verzoekt FKBZH om alle beslagen op te heffen en stelt FKBZH namens Rondaal aansprakelijk voor de schade als gevolg van de beslagen.


2.11.
Bij e-mail van dezelfde dag (22:06 uur) schrijft mr. Geurtsen dat het beslag op de panden aan [adres 17] , [adres 18] en [adres 19] in Rotterdam, [adres 24] in Rotterdam en [adres 31] in Zeewolde voldoende verhaal biedt voor de vordering van FKBZH. Daarbij voegt zij de overeenkomsten van geldlening en de hypotheekakten en maakt zij een inschatting van de verkoopwaarden van de panden.



2.12.
Bij dagvaarding van 7 juli 2026 maakt FKBZH bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant een bodemprocedure tegen Rondaal aanhangig.



2.13.
Rondaal heeft bij de voorzieningenrechter in deze rechtbank een kort geding tegen [persoon B] aanhangig gemaakt waarin zij ontruiming van het pand aan [straat 8] vordert. De mondelinge behandeling staat gepland op 3 augustus 2026.






3Het geschil


3.1.
Rondaal vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:


de beslagen op de onroerende zaken opheft of FKBZH onder oplegging van een dwangsom beveelt om die beslagen op te heffen en de deurwaarder schriftelijk opdracht te geven om de beslagen door te halen in de openbare registers van het Kadaster,


de beslagen op de bankrekeningen van Rondaal opheft of FKBZH onder oplegging van een dwangsom beveelt om die beslagen op te heffen en de deurwaarder schriftelijk opdracht te geven om aan Rabobank mede te delen dat de beslagen zijn opgeheven,


Rondaal machtigt om, als FKBZH niet aan de opheffingsbevelen voldoet en nalaat om de deurwaarder overeenkomstig te instrueren, de deurwaarder opdracht te geven om de beslagen door te halen in de openbare registers van het Kadaster en aan Rabobank mede te delen dat de beslagen zijn opgeheven,


FKBZH onder oplegging van een dwangsom verbiedt om op basis van dit verlof, dezelfde gestelde vordering en/of hetzelfde feitencomplex, opnieuw of repeterend conservatoir beslag ten laste van Rondaal te leggen,


FKBZH veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.





3.2.
FKBZH voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Rondaal in de kosten van het geding.






4De beoordeling


4.1.
Opheffing van een conservatoir beslag kan op grond van artikel 705 lid 2 Rv onder meer plaatsvinden als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag en een belangenafweging niet tot een ander oordeel leidt, en op grond van een, zelfstandige, belangenafweging.



4.2.
Rondaal legt aan haar opheffingsvordering ten grondslag dat de vordering van FKBZH ondeugdelijk is. Daarnaast meent zij dat de beslagen, of in ieder geval een deel daarvan, onnodig zijn. FKBZH weerspreekt dit.



4.3.
Partijen zijn het erover eens dat zij voorafgaand aan hun samenwerking zijn overeengekomen dat zij, in ieder geval voor een deel van de projecten, ieder voor de helft zouden delen in de winst of het verlies. Ook lijken zij het erover eens te zijn dat voorafgaand aan ieder project door FKBZH een vaste bouwsom werd bepaald, op basis waarvan Rondaal een rendementsberekening maakte en besloot of het project doorgang kon vinden. Niet in geschil is dat bij de meeste projecten de bouwsom is overschreden.
Partijen verschillen van mening voor wiens rekening en risico dat dient te komen. Volgens Rondaal vormde de vaste bouwsom de basis van de samenwerking en moet FKBZH het meerwerk betalen. Volgens FKBZH houdt een belangrijk deel van de kostenoverschrijdingen verband met de keuzes van Rondaal of met omstandigheden die voor rekening en risico van Rondaal komen.



4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld welke partij ten aanzien van de overschrijding van de bouwsommen het gelijk aan haar zijde heeft. Niet alleen zijn de afspraken niet goed vastgelegd, maar partijen lijken de overschrijding van de bouwsommen en de financiële gevolgen daarvan ook niet te hebben voor- en overzien. Dit volgt namelijk uit de e-mail van [persoon A] aan [persoon B] van 30 mei 2025 (zie 2.3.), waarin hij een nieuwe samenwerkingsvorm voorstelt die beter past bij de realiteit. De vraag voor wiens rekening en risico de overschrijding van de bouwsommen moet komen, dient in de bodemprocedure te worden beantwoord. Daarbij zal ook betrokken moeten worden wat in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk is.



4.5.
Ten aanzien van de projecten [straat 1] , [straat 4] en [straat 5] kan dus niet worden vastgesteld voor wiens rekening en risico de overschrijding van de bouwsommen moet komen. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat op die projecten winst is gemaakt. Nu het meerwerk de hoogte van de gemaakte winst niet overschrijdt, is aannemelijk dat FKBZH recht heeft op uitkering van een winstdeel. De vordering van FKBZH op Rondaal is in zoverre dus deugdelijk.
Rondaal heeft gesteld dat zij het winstdeel van het project [straat 5] al aan FKBZH heeft betaald. Zij heeft daarvan echter geen bewijs overgelegd, zodat dit, gelet op de betwisting daarvan door FKBZH, niet zonder meer kan worden aangenomen.
Bij akte van cessie van 16 juni 2026 heeft BWZH haar vorderingen op Rondaal uit hoofde van verrichte bouwkundige werkzaamheden aan FKBZH overgedragen. In de considerans van die akte staat dat de cessie onder meer betrekking heeft op de hiervoor genoemde projecten. Hoewel Rondaal de rechtsgeldigheid van de cessie betwist, lijkt FKBZH de door BWZH overdragen vorderingen niet te hebben betrokken in de vordering waarvoor beslag is gelegd. Uit de stellingen van FKBZH begrijpt de voorzieningenrechter dat zij de vorderingen die voortvloeien uit de projecten [straat 1] , [straat 4] en [straat 5] baseert op de tussen partijen gemaakte afspraken.



4.6.
Ten aanzien van de overige, in 2.2. genoemde projecten is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering van FKBZH ondeugdelijk is.
Bij het project [straat 2] zijn partijen het erover eens dat het winstdeel € 130.000,00 bedraagt. Rondaal heeft aan de hand van betalingsbewijzen aangetoond dat zij dit bedrag aan FKBZH heeft betaald. FKBZH heeft dat ook niet weersproken.
Voor het project [straat 3] geldt dat Rondaal dit in samenwerking met een andere partij, Domust Investments vastgoed 1 B.V. (hierna: Domust), heeft ontwikkeld. Volgens Rondaal zijn er daarom geen afspraken met FKBZH over een winstdeling gemaakt. De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk. Rondaal heeft namelijk een op 18 april 2024 door Rondaal en Domust ondertekende overeenkomst in het geding gebracht, waaruit blijkt dat Rondaal het project samen met Domust ging ontwikkelen en dat de eventuele winst tussen Rondaal en Domust werd verdeeld.
De projecten [straat 6] en [straat 7] waren bij het eindigen van de samenwerking tussen partijen nog niet afgerond. Hoewel het resultaat van deze projecten nog niet vaststaat, verwacht Rondaal op deze projecten met een verlies te eindigen. De voorzieningenrechter acht dit niet onaannemelijk. Daarnaast geldt dat, nu een definitieve eindafrekening nog niet heeft plaatsgevonden, deze projecten (nog) geen onderdeel kunnen zijn van de vordering van FKBZH. Het gaat hier om een schatting van een positief resultaat, waarvan de verwachting is dat dat zich niet zal verwezenlijken.



4.7.
Ook het project [straat 9] kan niet in de vordering van FKBZH worden betrokken. FKBZH stelt dat dit project door een relatie van [persoon B] is aangebracht en zij daarom recht heeft op een vergoeding. Niet gebleken is echter dat partijen dit zijn overeengekomen. Daar komt bij dat het project zich nog in een voorstadium bevindt en partijen dit als gevolg van het eindigen van de samenwerking niet samen zullen ontwikkelen. Afgezien van de vraag of het project uiteindelijk met een positief resultaat wordt afgerond, is, nu FKBZH niet bij de ontwikkeling van het project betrokken is, niet aannemelijk dat FKBZH recht heeft op een deel van de winst.



4.8.
FKBZH stelt ten slotte dat zij recht heeft op betaling van € 7 ton. Volgens FKBZH is zij met Rondaal overeengekomen dat zij het pand aan [straat 8] voor een bedrag van € 1,5 ton van Rondaal zou kopen. Die afspraak is Rondaal niet nagekomen, zodat FKBZH in geval van verkoop van het pand aan een derde recht heeft op de verkoopsom minus het bedrag van € 1,5 ton. Volgens FKBZH heeft het pand een marktwaarde van € 8,5 ton. Rondaal betwist dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen.
De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat partijen zijn overeengekomen dat het pand voor een bedrag van € 1,5 ton aan FKBZH zou worden verkocht. Hoewel partijen de afspraken niet schriftelijk hebben vastgelegd, zijn in de correspondentie tussen [persoon A] en [persoon B] voor het bestaan daarvan voldoende aanknopingspunten te vinden. Gebleken is dat [persoon A] het pand als vriendendienst van de zus van [persoon B] heeft gekocht, omdat [persoon B] op het moment dat zijn zus het pand wilde verkopen de aankoop niet kon financieren. In een WhatsApp-bericht van 24 februari 2026 schrijft [persoon A] namelijk aan [persoon B] : “Ik heb volgens mij [pand] gekocht om je te helpen en ik schop je er helemaal niet uit.”. Verder heeft [persoon A] bij e-mail van 23 januari 2025 een conceptovereenkomst aan [persoon B] gezonden. Daarin staat dat Rondaal het pand aan [persoon B] (FKBZH) verkoopt voor een bedrag van € 150.000,00. Ook is daarin opgenomen dat als het pand aan een derde partij wordt verkocht, [persoon B] (FKBZH) recht heeft op betaling van de verkoopsom minus de door Rondaal gemaakte kosten, waaronder de aankoopsom van € 150.000,00, de overdrachtsbelasting, de overige aankoopkosten, de rentekosten en een aftrek van 10% van de aankoopsom per jaar vanaf de datum van de aankoop. Hieruit volgt dat het steeds de bedoeling van partijen is geweest dat FKBZH het pand van Rondaal zou kopen en dat, als het uiteindelijk niet zover kwam, FKBZH zou profiteren van de opbrengst van de verkoop aan een derde partij.



4.9.
Gelet op het vorenstaande is de vordering van FKBZH voor een bedrag van € 1.565.000,00 ondeugdelijk ( [straat 2] , [straat 3] , [straat 6] , [straat 7] en [straat 9] ). Dit leidt tot de conclusie dat een gedeelte van de gelegde beslagen moet worden opgeheven. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter acht immers aannemelijk dat FKBZH met het beslag op de vastgoedportefeuille en de bankrekeningen van Rondaal de bedrijfsvoering van Rondaal volledig lam heeft gelegd. Rondaal heeft dus groot belang bij opheffing van (een deel van) de beslagen, zodat zij haar activiteiten weer kan hervatten en aan haar lopende betalingsverplichtingen kan voldoen. Dit belang is groter dan het belang van FKBZH bij het handhaven van alle beslagen als zekerheid voor het verhaal van haar vordering, vooral nu aannemelijk is dat in ieder geval de helft van die vordering ondeugdelijk is.



4.10.
Voor het beantwoorden van de vraag welke beslagen moeten worden opgeheven, sluit de voorzieningenrechter aan bij de e-mail van mr. Geurtsen van 24 juni 2026 (2.11.). Volgens mr. Geurtsen biedt een beslag op de panden aan [adres 17] , [adres 18] en [adres 19] in Rotterdam, [adres 24] in Rotterdam en [adres 31] in Zeewolde voldoende zekerheid voor het verhaal van de vordering van FKBZH, althans het gedeelte dat in dit vonnis als deugdelijk is bestempeld. In de stelling van FKBZH dat in geval van executieverkoop van alle beslagen panden geen theoretische overwaarde resteert, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een andere keuze te maken. Zo heeft FKBZH niet laten weten welke beslagen volgens haar absoluut moeten blijven liggen. Ook rijst de vraag welk belang FKBZH heeft bij het handhaven van de beslagen als haar verwachting is dat na executieverkoop geen theoretische overwaarde resteert.



4.11.
Op grond van artikel 705 lid 1 Rv wordt een gedeelte van de beslagen door de voorzieningenrechter zelf opgeheven. Een bevel aan FKBZH om de beslagen op te heffen en een machtiging van Rondaal om de deurwaarder opdracht te geven om de bewaarder van het Kadaster en Rabobank te instrueren, kan daarmee achterwege blijven. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de bewaarder op grond van artikel 513a Rv mede tot doorhaling wordt gemachtigd door inschrijving van dit vonnis in het Kadaster. Daarnaast kan dit vonnis door Rondaal zelf aan Rabobank worden verstrekt.



4.12.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het opleggen van een beslagverbod. Als FKBZH opnieuw beslag wenst te leggen, moet zij daartoe opnieuw verlof vragen aan de voorzieningenrechter. Op die beslissing kan in dit kort geding niet vooruit worden gelopen. Overigens is FKBZH op grond van artikel 21 Rv verplicht om in een nieuw beslagrekest de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit betekent dat zij dan ook melding moet maken van dit vonnis.



4.13.
Nu partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.
heft op het op 17 juni 2026 door FKBZH ten laste van Rondaal gelegde beslag op:


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 1] Rotterdam aan het adres [adres 11] , kadastraal bekend als gemeente Delfshaven, sectie [sectie 1] , nummer [perceelnummer 1] , appartementsindex [indexnummer 1] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 2] Werkendam aan het adres [adres 8] , kadastraal bekend als gemeente Werkendam, sectie [sectie 2] , nummer [perceelnummer 2] , appartementsindex [indexnummer 2] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 2] Werkendam aan het adres [adres 9] , kadastraal bekend als gemeente Werkendam, sectie [sectie 3] , nummer [perceelnummer 3] , appartementsindex [indexnummer 3] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 2] Werkendam aan het adres [adres 10] , kadastraal bekend als gemeente Werkendam, sectie [sectie 4] , nummer [perceelnummer 4] , appartementsindex [indexnummer 4] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 3] Rotterdam aan het adres [adres 23] , kadastraal bekend als gemeente Rotterdam, sectie [sectie 5] , nummer [perceelnummer 5] , appartementsindex [indexnummer 5] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 11] Rotterdam aan het adres [adres 25] , kadastraal bekend als gemeente Kralingen, sectie [sectie 6] , nummer [perceelnummer 6] , appartementsindex [indexnummer 6] ,


de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 4] Rotterdam aan het adres [adres 16] en te [postcode 5] Rotterdam aan de adressen [adres 32] , [adres 32] en [adres 32] , kadastraal bekend als gemeente Rotterdam, sectie [sectie 7] , nummer [perceelnummer 7] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 6] Rotterdam aan het adres [adres 26] , kadastraal bekend als gemeente Hillegersberg, sectie [sectie 8] , nummer [perceelnummer 8] , appartementsindex [indexnummer 7] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 7] Rotterdam aan het adres [adres 14] , kadastraal bekend als gemeente Kralingen, sectie [sectie 9] , nummer [perceelnummer 9] , appartementsindex [indexnummer 8] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 7] Rotterdam aan het adres [adres 27] , kadastraal bekend als gemeente Kralingen, sectie [sectie 10] , nummer [perceelnummer 10] , appartementsindex [indexnummer 9] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 8] 's-Gravenhage aan het adres [adres 28] , kadastraal bekend als gemeente 's-Gravenhage, sectie [sectie 11] , nummer [perceelnummer 11] , appartementsindex [indexnummer 10] ,


het appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 9] 's-Gravenhage aan het adres [adres 29] , kadastraal bekend als gemeente 's-Gravenhage, sectie [sectie 12] , nummer [perceelnummer 12] , appartementsindex [indexnummer 11] ,


et appartementsrecht verbonden aan de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode 10] Rotterdam aan het adres [adres 30] , kadastraal bekend als gemeente Rotterdam, sectie [sectie 13] , nummer [perceelnummer 13] , appartementsindex [indexnummer 12] ,





5.2.
heft op het op 17 juni 2026 door FKBZH ten laste van Rondaal gelegde beslag onder Coöperatieve Rabobank U.A. (rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] ),



5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en door mr. B. van Velzen in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
[2971/3577]
Link naar deze uitspraak