|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2025:9467 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 16-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/428684 C/02/433491 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | meervoudige kamer. Toewijzing vervangende toestemming verhuizing, afwijzing verzoek vervangende toestemming inschrijving school en kinderpvang, hoofdverblijf, zorgregeling, kinder- en partneralimentatie. | | Trefwoorden | : | arbeidskorting | | | burgerlijk wetboek | | | echtscheiding | | | heffingskorting | | | inkomstenbelasting | | | kinderopvangtoeslag | | | levensonderhoud | | | mkb-winstvrijstelling | | | tarieven | | | zelfstandigenaftrek | | | zorgkosten | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummers:
C/02/428684 / FA RK 24-5295 (echtscheiding en nevenverzoeken)
C/02/433491 / FA RK 25-1563 (vervangende toestemming verhuizing, inschrijving school,
kinderopvang, praktijk voor kinderpsychologie en afgifte
dossier kinderfysiotherapeut)
Datum uitspraak: 19 december 2025
beschikking van de meervoudige kamer betreffende gezamenlijke gezagsuitoefening, hoofdverblijf, zorgregeling, kinder- en partneralimentatie
in de gevoegde zaken van
[de vrouw]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. I. de Dobbelaere-Woets in Terneuzen,
en
[de man] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.L.W. Weerts in Breda.
Ouders van de navolgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken aangaande de minderjarigen te adviseren.
1. Het verdere procesverloop
In beide zaken
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 21 november 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de brief van mr. De Dobbelaere-Woets van 24 november 2025;
- de brief van mr. Weerts van 28 november 2025.
2De resterende verzoeken
2.1.
In de zaak met zaaknummer C/02/428684 / FA RK 24-5295 heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 21 november 2025 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en partijen en hun minderjarige kinderen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) voor (jeugd)hulpverlening verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. In deze zaak liggen, samengevat, de volgende verzoeken van de vrouw nog voor:
- primair: de inhoud van het door partijen op te stellen en te ondertekenen ouderschapsplan op te nemen in de beschikking;
subsidiair:
a. te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;
b. een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de minderjarigen bij de man verblijven eenmaal per veertien dagen vanaf woensdagmorgen voor school tot maandagmorgen na school waarbij de man op woensdag en maandag de kinderen naar school brengt.
- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een kinderbijdrage van € 493,= per kind per maand en een partneralimentatie van € 5.982,= bruto per maand;
De man verzoekt in deze zaak zelfstandig, samengevat:
te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij hem hebben;
een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen twee opeenvolgende weken bij hem verblijven en twee opeenvolgende weken bij de vrouw, waarbij de dinsdag de wisseldag zal zijn en de wissel zal geschieden via school, tenzij het vakantie is, in welk geval de vrouw de kinderen naar de man moet brengen en bij de man moet ophalen;
te bepalen dat een vakantieregeling zal worden vastgesteld zoals in het zelfstandig verzoekschrift op bladzijde 22 genoemd;
de vrouw te verplichten met de kinderen terug te verhuizen naar [woonplaats 2] binnen een termijn van een maand na deze beschikking, althans haar te verplichten ervoor te zorgen dat de kinderen hun hoofdverblijf in [woonplaats 2] hebben dan wel houden en in [woonplaats 2] naar school gaan op de [school] , alsmede dat [minderjarige 2] daarvoor wordt aangemeld binnen een maand na deze beschikking en dat de kinderen hun eventuele sportactiviteiten en medische verzorgers in [woonplaats 2] zullen houden.
2.2.
In de zaak met nummer C/02/433491 / FA RK 25-1563 verzoekt de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar [woonplaats 1] en [minderjarige 1] daar in te schrijven op de [basisschool] en beide kinderen daar in te schrijven op [kindcentrum] .
De man verzoekt in deze zaak zelfstandig, samengevat, hem vervangende toestemming te verlenen om:
afgifte van het volledige dossier van [minderjarige 1] te vragen bij [kinderfysiotherapeut] te [woonplaats 2] ;
de kinderen aan te melden bij [praktijk 1] voor kinder- en jeugdpsychologie te [woonplaats 2] , althans [praktijk 2] te [woonplaats 2] en hen daar door een psycholoog te laten behandelen.
2.3.
Partijen voeren over en weer verweer op de verzoeken.
2.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
3De verdere beoordeling
Ouderschapsplan
3.1.
Bij tussenbeschikking van 21 november 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is geworden dat het voor partijen op dat moment redelijkerwijs niet mogelijk was om een door hen beiden akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen en heeft de rechtbank partijen, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding. Op grond van de inhoud van de nadien ingekomen brieven van de advocaten van partijen constateert de rechtbank dat het niet in de lijn der verwachting ligt dat partijen in het kader van het via het UHA in te zetten ouderschapsbemiddelingstraject alsnog tot een ouderschapsplan komen. De vrouw heeft de rechtbank bij brief van mr. De Dobbelaere-Woets van 24 november 2025 immers gevraagd beschikking te geven ten aanzien van alle voorliggende verzoeken en het traject ouderschapsbemiddeling pas in te willen zetten nadat er duidelijkheid is over de verzoeken. Hierop heeft de man bij brief van mr. Weerts van 28 november 2025 aangegeven niet anders te kunnen dan zich neer te leggen bij de keuze van de vrouw en zich niet te kunnen vinden in het op de lange baan schuiven van het ouderschapsbemiddelingstraject. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw tot opname van het door partijen overeen te komen en te ondertekenen ouderschapsplan afwijzen en hierna beslissen op de voorliggende verzoeken betreffende de minderjarigen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij het betreurt dat de vrouw het traject ouderschapsbemiddeling wenst uit te stellen totdat er op de verzoeken is beslist en dat zij er niet voor open staat om in dit traject te proberen met de man tot (in ieder geval een aantal) afspraken te komen over de minderjarigen.
Verzoeken betreffende de minderjarigen
3.2.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoeken, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Omdat de vrouw in [woonplaats 1] snel een sociale huurwoning kon betrekken is zij naar [woonplaats 1] verhuisd. De vrouw heeft de door de woningbouw aan haar aangeboden woning geaccepteerd, omdat de wachtlijsten voor een sociale huurwoning lang zijn. Zij is gebonden aan [woonplaats 1] , mede omdat daar veel familie woont. Het is voor haar niet mogelijk om in [woonplaats 2] te wonen; zij heeft daar geen sociaal netwerk. Voor de scheidingsmelding was [minderjarige 1] aangemeld bij de [school] in [woonplaats 2] . Door de verhuizing van de vrouw van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] kan van de vrouw niet verwacht worden dat zij nog instemt met inschrijving van [minderjarige 1] op een school in [woonplaats 2] . De vrouw werkt in de horeca en haar werktijden sluiten niet aan op de schooltijden en tijden van de kinderopvang. Voor de vrouw is het dan ook van groot belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar school gaan en hun sociale leven hebben in de plaats waar zij woont, werkt en haar sociale netwerk heeft. De vrouw is altijd de hoofdverzorger van de kinderen geweest. Zij neemt ook nu het grootste deel van de zorg voor de kinderen op zich. De huidige bij voorlopige voorzieningenbeschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling verloopt prima en is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gelet op hun jonge leeftijd acht de vrouw het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij, zoals de man verzoekt, steeds twee opeenvolgende weken bij de ene en vervolgens twee opeenvolgende weken bij de andere ouder verblijven. De minderjarigen moeten hun moeder dan steeds een te lange periode missen. De vrouw wenst dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij haar hebben. De vrouw kan dan namelijk kinderopvangtoeslag aanvragen en kinderopvang voor de kinderen regelen. Dit biedt haar vervolgens de gelegenheid om niet langer in de avonden en weekenden maar overdag te gaan werken. Daardoor zal de vrouw meer beschikbaar zijn voor het wegbrengen en ophalen van de kinderen op school en de kinderopvang.
3.3.
De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoeken, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vrouw is zonder zijn toestemming met de minderjarigen naar [woonplaats 1] verhuisd. Zij had ook in aanmerking kunnen komen voor een sociale huurwoning in [woonplaats 2] . De man wenst dat er voor de kinderen niets verandert en dat zij in [woonplaats 2] op school en de kinderopvang blijven, met name omdat partijen daar hebben gewoond en hij daar nog steeds woont. Partijen hebben er destijds bewust voor gekozen om [minderjarige 1] aan te melden bij de [school] in [woonplaats 2] . Deze school is bovendien bekend met schipperskinderen. De man is niet bereid steeds heen en weer te rijden van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] , omdat de vrouw eenzijdig heeft besloten met de kinderen in [woonplaats 1] te gaan wonen. De man is goed in staat om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. Hij heeft meer personeel ingeschakeld voor de werkzaamheden aan boord, zodat hij langer thuis kan blijven en minder aan boord hoeft te zijn. De door hem verzochte co-ouderschapsregeling is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Als de kinderen twee opeenvolgende weken bij de ene en vervolgens twee opeenvolgende weken bij de andere ouder verblijven, hoeven zij minder vaak van ouder te wisselen. Ook hoeft de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan een minder lange periode te missen. Dit geldt temeer nu tot op heden is gebleken dat tussentijdse (videobel-)
contacten tussen hem en de kinderen op de dagen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw verblijven niet van de grond komen. De door de man verzochte co-ouderschapsregeling is overigens een gebruikelijke regeling bij schipperskinderen. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de wisseling voortaan op school plaatsvindt, zodat partijen elkaar niet steeds hoeven te zien en eventuele discussies op het moment van de overdracht van de kinderen daarmee worden voorkomen. De man wenst dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij hem zullen hebben; hij heeft het gevoel dat op die manier wordt voorkomen dat de kinderen verder van hem verwijderd raken.
3.4.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De Raad begrijpt het voorstel van de man ten aanzien van de zorgregeling. Een aaneengesloten periode van 14 dagen waarin de kinderen hun moeder niet zien is lang, maar ook jonge kinderen kunnen aan een dergelijke regeling wennen. Dit is maatwerk en afhankelijk van wat de kinderen aankunnen. Gelet op dat wat er zich tussen partijen afspeelt en het onderlinge wantrouwen tussen partijen, vindt de Raad het goed dat er een Raadsonderzoek komt naar de meest passende zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Na een dergelijk onderzoek kan beter worden afgewogen wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aankunnen. Anderzijds is de ervaring van de Raad dat als kinderen aan een dergelijke co-ouderschapsregeling moeten wennen, dit ook wel lukt.
Het verzoek van de man tot vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem lijkt enkel te zijn ingegeven door het gevoel van de man daarmee te voorkomen dat de kinderen (verder) van hem vervreemden. De kinderen zijn in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure toevertrouwd aan de vrouw. De vrouw heeft een financieel belang bij vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij haar. Op het moment dat de zorgen over de communicatie tussen partijen door de inzet van hulpverlening zijn weggenomen lijkt de discussie over het hoofdverblijf van de kinderen minder relevant. De Raad zou ook onderzoek kunnen doen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van de kinderen wordt geacht, maar ziet daar nu onvoldoende aanleiding toe. Een wisseling van school zal voor [minderjarige 1] (weer) een verandering met zich brengen. Het is voor een kind niet onmogelijk om te wennen op een andere school. Het zou voor [minderjarige 1] echter het fijnste zijn dat zij kan blijven op de school waar zij nu naar toe gaat. [minderjarige 1] is daar inmiddels gewend. De Raad kan ook dit punt meenemen in een eventueel onderzoek.
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Indien de ouders het onderling niet eens worden over geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals hier het geval is, kunnen de geschillen op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank neemt dan een beslissing als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
3.6.
Allereerst overweegt de rechtbank dat zij zich, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht, voldoende ingelicht acht om een beslissing te nemen op de voorliggende verzoeken betreffende de minderjarigen. De rechtbank ziet, anders dan door de Raad tijdens de zitting geadviseerd, dan ook geen aanleiding om de Raad te verzoeken onderzoek te doen naar (een aantal van) de voorliggende geschilpunten. Daarbij komt dat een raadsonderzoek de nodige tijd in beslag zal nemen, terwijl partijen maar ook de minderjarigen - mede gelet op de lange tijd dat deze procedures al lopen - behoefte hebben aan en gebaat zijn bij duidelijkheid. Dit zal, zo hoopt de rechtbank, wellicht ook een positieve uitwerking hebben op het verloop en resultaat van het door partijen te volgen ouderschapsbemiddelingstraject.
Vervangende toestemming verhuizing
3.7.
De vrouw heeft er na het feitelijk uiteengaan van partijen voor gekozen om de echtelijke woning in [woonplaats 2] te verlaten en - zonder voorafgaand overleg met en zonder instemming van de man - met de minderjarigen naar [woonplaats 1] te verhuizen. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit brengt met zich dat de vrouw voor een verhuizing met de kinderen naar [woonplaats 1] in beginsel de toestemming van de man nodig had. Deze toestemming ontbreekt tot op heden. Om die reden verzoekt de vrouw de rechtbank aan haar alsnog vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar [woonplaats 1] te verhuizen.
3.8.
De rechtbank constateert gezien de inhoud van de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht dat - zoals ook tijdens de zitting aan partijen is voorgehouden - niet zozeer de verhuizing van de vrouw met de kinderen naar [woonplaats 1] partijen verdeeld houdt, maar dat het geschil van partijen zich voornamelijk toespitst op de vragen welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken er tussen partijen moet gelden, bij welke ouder de minderjarigen hun hoofdverblijf moeten hebben en of de minderjarigen in [woonplaats 2] of in [woonplaats 1] naar school en de kinderopvang moeten (blijven) gaan. Gelet op het voorgaande en het feit dat de afstand tussen de vrouw en de kinderen en de woonplaats van de man ( [woonplaats 2] ) dermate gering is (circa 20 kilometer enkele reis) dat de verhuizing van de vrouw met de kinderen geen dan wel nauwelijks een belemmering oplevert voor het contact tussen de man en de minderjarigen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar [woonplaats 1] toewijzen en dit verzoek niet beoordelen aan de hand van de in de rechtspraak voor ‘verhuisverzoeken’ ontwikkelde criteria. Dit brengt mee dat het zelfstandig verzoek van de man om de vrouw te verplichten terug te verhuizen naar [woonplaats 2] zal worden afgewezen.
Vervangende toestemming inschrijving school/kinderopvang
3.9.
Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en dat wat partijen tijdens de zitting naar voren hebben gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat het leven van partijen gericht was op en zich voornamelijk afspeelde in [woonplaats 2] . Partijen hebben vanaf eind november 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn in 2024 met elkaar gehuwd. In die jaren, dus ook na de geboorte van de kinderen, verbleven partijen circa 60% van de tijd als gezin aan boord en woonden zij het overige deel van de tijd in de voormalig echtelijke woning in [woonplaats 2] . Dat, zoals zij stelt, de vrouw in de perioden dat zij alleen met de kinderen aan wal was vaak bij haar ouders in [woonplaats 1] verbleef, maakt dit niet anders. Ook uit het feit dat partijen er tijdens de samenleving samen voor hebben gekozen om [minderjarige 1] als toekomstig leerling aan te melden bij de [school] in [woonplaats 2] blijkt dat het leven van partijen gericht was op [woonplaats 2] . Desondanks heeft de vrouw er na het feitelijk uiteengaan van partijen voor gekozen [woonplaats 2] te verlaten en met de minderjarigen naar [woonplaats 1] te verhuizen. Dit terwijl het, zo blijkt uit het door haar als productie 21 overgelegde e-mailbericht van Woningcorporatie Clavis, voor de vrouw ook mogelijk was geweest om binnen 1,5 tot 2 jaar na inschrijving in aanmerking te komen voor een appartement voor gezinnen in [woonplaats 2] . Dit maakt dat niet gezegd kan worden dat een permanente verhuizing naar [woonplaats 1] (objectief en dringend) noodzakelijk was. De wens van de vrouw om na het feitelijk uiteengaan van partijen dichter bij haar familie te wonen is alleszins begrijpelijk, maar maakt evenmin dat de verhuizing van de vrouw met de kinderen naar [woonplaats 1] (objectief en dringend) noodzakelijk was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevolgen van de door de verhuizing van de vrouw ontstane reisafstand niet mogen worden afgewenteld op de man en de minderjarigen in die zin dat de kinderen van school en kinderopvang zouden moeten wisselen en dat de man voortaan heen en weer zou moeten reizen van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] . Dit betekent dat de vrouw, indien zij voornemens is om in [woonplaats 1] te blijven wonen, zal moeten (blijven) reizen, hetgeen de rechtbank gezien de beperkte reisafstand en de hierna vast te stellen zorgregeling niet onoverkomelijk acht. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de vrouw voor het halen en brengen van de kinderen naar school en de kinderopvang - zo nodig en in ieder geval voorlopig - een beroep kan (blijven) doen op haar vader. Daarbij komt dat de rechtbank het ook in het belang van [minderjarige 1] acht dat zij op haar huidige basisschool in [woonplaats 2] kan blijven en er nu - in ieder geval in haar schoolleven - geen ingrijpende verandering zal plaatsvinden. Dit geldt temeer nu [minderjarige 1] inmiddels vertrouwd is op haar huidige school, daar vriendjes en vriendinnetjes heeft en, zo is onweersproken gesteld, het goed doet op school. Daarbij komt dat partijen de [school] in [woonplaats 2] destijds ook bewust hebben uitgekozen voor [minderjarige 1] , mede omdat deze school bekend is met schipperskinderen.
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] in te schrijven op de [basisschool] in [woonplaats 1] en beide kinderen in te schrijven op het [kindcentrum] in [woonplaats 1] zal worden afgewezen. Het verzoek van de man om de vrouw te verplichten ervoor te zorgen dat de kinderen naar school gaan op de [school] in [woonplaats 2] , alsmede dat [minderjarige 2] daarvoor wordt aangemeld zal eveneens worden afgewezen voor zover dit verzoek betrekking heeft op [minderjarige 1] . De man heeft voor wat [minderjarige 1] betreft immers geen belang meer bij dit verzoek, omdat [minderjarige 1] al naar de [school] in [woonplaats 2] gaat en, gelet op de afwijzing van het verzoek van de vrouw aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] in te schrijven op een school in [woonplaats 1] , ook in [woonplaats 2] naar school zal blijven gaan. Ten aanzien van [minderjarige 2] interpreteert de rechtbank dit verzoek van de man aldus dat hij verzoekt aan hem vervangende toestemming te verlenen om (ook) [minderjarige 2] in te schrijven op de [school] in [woonplaats 2] . Dit verzoek zal, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, worden toegewezen. Daarbij speelt voor de rechtbank ook een rol dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat hij naar dezelfde basisschool zal gaan als zijn zus. Overigens heeft dit, gezien de reisafstand die door de verhuizing van de vrouw is ontstaan, met name voor de vrouw als praktisch voordeel dat beide kinderen maar naar één locatie moeten worden gebracht en op één locatie moeten worden opgehaald.
Zorgregeling
3.11.
Vervolgens ligt aan de rechtbank ter beoordeling voor welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van de minderjarigen moet worden vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat partijen sinds de voorlopige voorzieningenbeschikking van 10 februari 2025 uitvoering geven aan de bij die beschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling. Niet in geschil is tussen partijen dat die regeling op zich goed verloopt. De rechtbank is echter met de man van oordeel dat de huidige zorgregeling veel wisselingen en daarmee onrust voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met zich brengt, omdat de periode van twee weken waarin de kinderen bij de man verblijven steeds wordt onderbroken door een periode van drie dagen waarin zij bij de vrouw verblijven. Dit geldt temeer nu tijdens de zitting ook is gebleken dat de vrouw [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op donderdagochtend kort voor aanvangstijd van de school van [minderjarige 1] (rond 08.00 uur) naar de man brengt, waarna de man de kinderen na een kort moment van weerzien bijna meteen naar school en de kinderopvang moet brengen. De vele wisselingen in de huidige zorgregeling brengen ook met zich dat er veel momenten zijn waarop partijen genoodzaakt zijn elkaar te ontmoeten, terwijl de communicatie en samenwerking tussen partijen moeizaam verlopen. Dat de vrouw het moeilijk vindt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gelet op hun jonge leeftijd, in geval van toewijzing van de door de man verzochte
co-ouderschapsregeling hun moeder steeds twee aaneengesloten weken moeten missen, is begrijpelijk. Echter dit geldt evenzo andersom. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten op dit moment immers ook steeds hun vader voor meer dan twee aaneengesloten weken missen, terwijl zij gewend waren (ook) hun vader het merendeel van de tijd bij zich te hebben. Daarbij komt dat de Raad tijdens de zitting heeft aangegeven dat de door de man verzochte co-ouderschapsregeling voor jonge kinderen niet onmogelijk is en dat kinderen aan een dergelijke regeling kunnen wennen. Ook weegt de rechtbank mee dat de man onweersproken heeft gesteld dat de door hem verzochte regeling gebruikelijk is in gezinnen waarbij één van de ouders werkzaam is als schipper. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de verwachting dat de kinderen een regeling waarbij zij eerste twee weken bij de vrouw zijn en daarna twee weken bij de man zijn na enige gewenning goed aan zullen kunnen. Het voorgaande neemt niet weg dat de rechtbank het, mede gelet op hun jonge leeftijd, wél in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht dat partijen in onderling overleg afspraken maken over tussentijdse contacten (via videobellen of anderszins) tussen de kinderen en de ouder bij wie zij in die twee weken niet verblijven. De rechtbank geeft partijen hier dringend in overweging dit onderwerp te bespreken tijdens het via de UHA-verwijzing in te zetten ouderschapsbemiddelingstraject.
3.12.
De rechtbank is, gelet op de moeizame communicatie een samenwerking tussen partijen, met de man van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat de wisselingen voortaan op school plaatsvinden, zodat wordt voorkomen dat er tussen partijen discussies ontstaan tijdens het overdrachtsmoment. Voor het geval de wissel niet op school kan plaatsvinden omdat het vakantie is, is de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de man van oordeel dat de vrouw het vervoer van de kinderen voor haar rekening moet nemen en de kinderen op de wisseldag dus naar de man in [woonplaats 2] moet brengen en na twee weken weer bij hem moet ophalen. Zoals hiervoor al overwogen is het immers de vrouw geweest die, zonder voorafgaand overleg met en zonder instemming van de man, de vrijwillige keuze heeft gemaakt om met de kinderen 20 kilometer van de woonplaats van de man te verhuizen. De rechtbank zal, zoals door de man verzocht, de wisseldag tenslotte bepalen op dinsdag, nu de vrouw daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
3.13.
Gelet op het voorgaande zal het zelfstandig verzoek van de man tot vaststelling van de door hem gewenste co-ouderschapsregeling worden toegewezen en zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de door haar gewenste zorgregeling worden afgewezen.
Vakantieregeling
3.14.
Zoals overwogen in de tussenbeschikking van 21 november 2025 zal de beslissing op het verzoek van de man tot vaststelling van de door hem bij verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken verzochte vakantieregeling worden aangehouden tot de familiekamerrol van 12 mei 2026 in afwachting van het verloop en de uitkomst van het via het UHA in te zetten (jeugd)hulptraject.
Hoofdverblijf minderjarigen
3.15.
Ook ligt ter beoordeling aan de rechtbank voor bij welke ouder de minderjarigen hun hoofdverblijf moeten hebben. In het kader van de bij deze beschikking vast te stellen
co-ouderschapsregeling brengen de kinderen evenveel tijd bij de vrouw als de man door. De rechtbank is echter van oordeel dat de vrouw een te respecteren (financieel) belang heeft bij inschrijving van de kinderen op haar adres in de Basisregistratie Personen (BRP). In dat geval kan de vrouw immers kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag aanvragen, waardoor zij in de gelegenheid is om kinderopvang voor de kinderen te regelen. Dit zal het voor de vrouw, zo is onweersproken gesteld, mogelijk maken om voortaan overdag te werken en daardoor vaker beschikbaar te zijn om de kinderen naar school en de kinderopvang te brengen en hen daar weer op te halen. De rechtbank ziet niet in dat, zoals de man stelt, door het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen wordt voorkomen dat, voor zover daarvan al sprake zou zijn, de kinderen verder van hem vervreemden. De man is (mede) met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast, hetgeen betekent dat de vrouw alleen samen met hem belangrijke beslissingen over de kinderen kan nemen. Dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij haar hebben toewijzen en de zelfstandige verzoeken van de man om te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hem hebben en de vrouw te verplichten ervoor te zorgen dat de kinderen hun hoofdverblijf in [woonplaats 2] hebben dan wel houden, afwijzen.
Sportactiviteiten en medische verzorgers
3.16.
Het verzoek van de man om de vrouw te verplichten ervoor te zorgen dat de kinderen hun eventuele sportactiviteiten (zoals zwemles) ook in [woonplaats 2] zullen hebben, zal worden afgewezen. De rechtbank vindt dit verzoek te verstrekkend. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog erg jong, zodat op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of zij op termijn sportactiviteiten willen uitoefenen en, zo ja, welke sportactiviteiten en waar deze kunnen worden uitgeoefend. Het is aan partijen als ouders om hierover te zijner tijd in onderling overleg afspraken te maken die in het belang zijn van de kinderen. Dat de man er kennelijk voor heeft gekozen om [minderjarige 1] op de wachtlijst te laten zetten voor zwemles in [woonplaats 2] maakt niet dat [minderjarige 1] ook in [woonplaats 2] zwemles zou moeten krijgen.
3.17.
Ook het verzoek van de man om de vrouw te verplichten ervoor te zorgen dat de minderjarigen hun medische verzorgers zoals huisarts, fysiotherapeut en tandarts in [woonplaats 2] zullen houden zal als te verstrekkend worden afgewezen. Ook hier geldt dat het aan partijen is als ouders om hierover in onderling overleg afspraken te maken en op het moment dat er medische zorg nodig is voor de kinderen samen te bezien welke medische zorg op dat moment het beste is voor de kinderen. Of deze zorg zich in [woonplaats 2] , [woonplaats 1] of elders bevindt is daarbij van ondergeschikt belang.
3.18.
De rechtbank geeft partijen ook hier dringend in overweging beide onderwerpen in te brengen tijdens het via de UHA-verwijzing in te zetten ouderschapsbemiddelingstraject.
Vervangende toestemming aanmelding kinderpsycholoog
3.19.
Ter onderbouwing van zijn verzoek om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan te melden bij een kinderpsycholoog en hen aldaar te laten behandelen heeft de man aangevoerd dat de kinderen zeggen dat zij door de vrouw worden geslagen en/of geknepen en dat de nieuwe partner van de vrouw hen op ongepaste wijze aanraakt. De man vindt de signalen van de kinderen, ongeacht of het waar is wat zij zeggen, verontrustend. De man heeft dan ook aan de vrouw gevraagd om de kinderen aan te melden bij een psycholoog. De vrouw heeft dit geweigerd.
3.20.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man stellende dat zij met de kinderen naar haar huisarts is gegaan en dat haar huisarts niets merkwaardigs heeft geconstateerd. De huisarts zag volgens de vrouw dan ook geen aanleiding om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door te verwijzen naar een psycholoog. De vrouw vindt het bovendien onnodig belastend voor de kinderen om hen met een psycholoog te laten praten.
3.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting is gebleken dat de man dit verzoek heeft ingediend naar aanleiding van een eenmalige opmerking van [minderjarige 1] over de (vermeende) partner van de vrouw. Over signalen van lichamelijke mishandeling van de kinderen door de vrouw heeft de man tijdens de zitting niets meer naar voren gebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een psycholoog zouden moeten gaan praten. Dit geldt temeer nu beide partijen tijdens de zitting hebben verklaard dat het goed gaat met de kinderen. Het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te schrijven bij een kinderpsycholoog en hen daar te laten behandelen zal dan ook worden afgewezen.
Vervangende toestemming afgifte dossier kinderfysiotherapeut
3.22.
Ter onderbouwing van zijn verzoek om aan hem vervangende toestemming te verlenen om afgifte van het dossier van [minderjarige 1] te vragen bij de kinderfysiotherapeut heeft de man tijdens de zitting - desgevraagd - aangegeven dit verslag te willen ontvangen om zijn bewijspositie veilig te stellen en aan te kunnen tonen dat hij goed voor de kinderen zorgt. De fysiotherapeut weigert het dossier zonder toestemming van de vrouw aan hem af te geven.
3.23.
De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat het dossier van [minderjarige 1] bij de kinderfysiotherapeut bij haar niet bekend is. Het was de man die het nodig vond om met [minderjarige 1] naar de kinderfysiotherapeut te gaan. De vrouw is maar één keer meegegaan. [minderjarige 1] is op dit moment niet meer onder behandeling van de kinderfysiotherapeut. De vrouw begrijpt dan ook niet waarom de man nog afgifte van het dossier van [minderjarige 1] wenst.
3.24.
De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen om afgifte van het dossier van [minderjarige 1] te vragen bij de kinderfysiotherapeut afwijzen wegens gebrek aan belang. Dit omdat de man (mede) is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en daarom recht heeft op afgifte van het dossier van [minderjarige 1] door de kinderfysiotherapeut, dit ongeacht of de vrouw daarvoor - als mede met het gezag belaste ouder - haar toestemming verleent. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de kinderfysiotherapeut op eerstvolgend verzoek van de man zal overgaan tot afgifte van het dossier van [minderjarige 1] aan de man.
Financiële verzoeken
Kinderbijdrage
3.25.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 493,= per kind per maand. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de minderjarigen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man geacht wordt de financiële draagkracht te hebben om de door haar verzochte kinderbijdrage te voldoen.
3.26.
De man voert daartegen verweer stellende dat het hem aan draagkracht ontbreekt om de verzochte bijdrage te voldoen.
Ingangsdatum
3.27.
De rechtbank zal een (eventueel) door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat er bij voorlopige voorzieningenbeschikking van 10 februari 2025 een door de man met ingang van 19 november 2024 aan de vrouw te betalen voorlopige kinderbijdrage is vastgesteld. Deze bijdrage wordt door de man tot op heden voldaan. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat als in deze bodemprocedure een lager bedrag aan kinderbijdrage wordt vastgesteld dan in de voorlopige voorzieningenprocedure, de in deze procedure vast te stellen lagere bijdrage - evenals de voorlopige bijdrage - met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de bij voorlopige voorzieningenbeschikking van 10 februari 2025 vastgestelde voorlopige kinderbijdrage in dat geval onjuist is vastgesteld, heeft hij immers de mogelijkheid om op grond van artikel 824 Rv wijziging van die voorlopige voorzieningenbeschikking te vragen.
Behoefte minderjarigen
3.28.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage hanteert de rechtbank de
uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep
Alimentatie. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het
uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van
partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van
partijen in 2024, zijnde het laatste jaar waarin partijen hebben samengeleefd.
3.29.
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBGI ten tijde van de samenleving van
partijen meer dan € 6.000,= per maand bedroeg en dat dit resulteert in een behoefte van de
minderjarigen in 2024 van € 1.470,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke
indexering bedraagt die behoefte nu € 1.566,= per maand, ofwel € 783,= per kind per maand.
De rechtbank zal hiervan uitgaan.
Draagkracht(-vergelijking) partijen
3.30.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen
tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht
de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen
tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient
eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald.
Het bedrag aan draagkracht wordt in 2025 bij inkomens vanaf € 2.125,= per maand
vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,=)]. Voor de
lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,= per maand) zijn vaste bedragen per
categorie van toepassing.
Draagkracht vrouw
3.31.
Voor de becijfering van het huidige NBI van de vrouw is tussen partijen in geschil van welk inkomen moet worden uitgegaan. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van het inkomen uit haar huidige dienstbetrekking bij [restaurant] van € 1.690,09 bruto per maand. De man stelt daarentegen dat de verdiencapaciteit van de vrouw veel hoger ligt. Volgens de man zou de vrouw als matroos of stuurman aan de slag kunnen en zou zij daarmee een inkomen van € 4.500,= bruto per maand kunnen verdienen. Daarnaast is de man van mening dat rekening moet worden gehouden met het inkomen dat de vrouw heeft uit de verkoop van poppen op Vinted.
3.32.
Bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank niet alleen in aanmerking wat zij feitelijk verdient, maar ook wat zij redelijkerwijs zou kunnen verdienen. De rechtbank is van oordeel dat aan de vrouw een hogere verdiencapaciteit kan worden toegerekend dan het inkomen dat zij op dit moment verwerft op basis van haar parttime dienstverband bij [restaurant] van 24 uur per week. Om, evenals de man, te concluderen dat de vrouw als matroos of stuurman aan het werk kan gaan en daarmee een inkomen van € 4.500,= per maand kan verdienen, gaat de rechtbank echter te ver. De vrouw heeft immers onweersproken gesteld haar toenmalige eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ enkel uit fiscale overwegingen te hebben opgericht en in de praktijk niet als volwaardig matroos te hebben gefunctioneerd, maar naast de zorg voor de kinderen slechts enkele lichte hand- en spandiensten te hebben verricht. Dit neemt niet weg dat van de vrouw, gelet op haar onderhoudsplicht voor de minderjarigen, wel mag worden verwacht dat zij meer uren gaat werken en daarmee een hoger inkomen kan genereren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw in haar vorige dienstverband bij [bedrijf] B.V. 28 uur per week werkte. Ook de bij deze beschikking vast te stellen co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen steeds twee aaneengesloten weken bij de vrouw en vervolgens twee aaneengesloten weken bij de man verblijven en het feit dat ook [minderjarige 2] binnenkort naar school zal gaan zullen de vrouw meer ruimte geven om te werken. Daarbij komt dat de vrouw, nu het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar wordt bepaald, de mogelijkheid heeft om kinderopvangtoeslag aan te vragen en daarmee kinderopvang te regelen, hetgeen haar, zo heeft zij tijdens de zitting verklaard, in de gelegenheid stelt om meer uren te gaan werken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid mag worden verwacht dat zij in de weken dat de minderjarigen bij haar verblijven (ten minste) 28 uur per week gaat werken. In de weken dat de kinderen bij de man verblijven mag van de vrouw worden verwacht dat zij 40 uur per week gaat werken. Dit komt neer op een gemiddelde van 34 uur per week.
3.33.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw het huidige inkomen van de vrouw extrapoleren naar een 34-urige werkweek. Op de salarisspecificaties over april t/m september 2025 is een bruto salaris vermeld van (afgerond) € 1.690,= per maand voor 24 uur per week. Omgerekend naar een 34-urige werkweek is dat afgerond € 2.400,= per maand. Rekening wordt daarnaast gehouden met de gebruikelijke vakantietoeslag. Geen rekening wordt gehouden met de opbrengsten die de vrouw (mogelijk) geniet uit de verkoop van poppen op Vinted. Gelet op hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht sluit de rechtbank niet uit dat de vrouw zo nu en dan iets verdient met de verkoop van poppen op Vinted. Dit betekent echter nog niet dat er sprake is van een structurele bron van inkomsten.
3.34.
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting), de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 8.220,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.272,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule
€ 686,= per maand.
Draagkracht man
3.35.
Ook is tussen partijen in geschil van welk inkomen aan de zijde van de man moet worden uitgegaan voor de becijfering van zijn huidige NBI. De man is ondernemer. Hij heeft een [eenmansbedrijf] . Daarnaast is hij vennoot in [VOF] en is hij directeur-grootaandeelhouder van [B.V.] . Voor de berekening van de draagkracht van een ondernemer geldt als uitgangspunt dat niet alleen wordt gekeken naar de actuele financiële positie, maar ook naar de bedrijfsresultaten in de afgelopen drie jaren (in casu 2022 tot en met 2024). De man heeft zich echter op het standpunt gesteld dat in zijn geval de resultaten in de voorbije jaren niet moeten worden meegewogen. Hij voert daartoe aan dat hij kort na het uiteengaan van partijen is geconfronteerd met negatieve ontwikkelingen in zijn bedrijven en dat hij daardoor noodzakelijkerwijs ingrijpende beslissingen heeft moeten nemen. Verbetering van de bedrijfsresultaten moet op dit moment nog worden afgewacht. Om die reden heeft de man twee alternatieve draagkrachtberekeningen in het geding gebracht, de ene is gebaseerd op zijn privé-onttrekkingen in 2025 en de andere is gebaseerd op het loon dat hij als kapitein in loondienst zou kunnen verdienen.
De vrouw heeft aangegeven zich hiermee niet te kunnen verenigen en heeft een berekening van de draagkracht van de man overgelegd gebaseerd op de jaarstukken 2022 en 2023 en een gemiddelde winst van € 294.663,=.
3.36.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het ligt op de weg van de man om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering, de financiële positie over de afgelopen jaren, de actuele financiële positie en stukken waarmee hij zijn verwachtingen voor de toekomst kan onderbouwen, zoals concept- jaarstukken en/of prognoses. In het dossier bevinden zich - mede door inbreng van de vrouw - de jaarcijfers van [eenmansbedrijf] over de jaren 2022 tot en met 2024, de jaarstukken 2023 en 2024 van de vof, alsmede de balans van zowel [eenmansbedrijf] als [B.V.] per 30 juni 2025 en de verlies- en winstrekeningen van [eenmansbedrijf] en [B.V.] over de eerste helft van 2025. Deze stukken laten zien dat [eenmansbedrijf] tot en met 2023 goede positieve resultaten heeft laten zien en dat het jaar 2024 en de eerste helft van 2025 verliesgevend zijn geweest. De vof laat over 2023 en 2024 enig verlies zien, doch inzicht in 2022 en 2025 ontbreekt. [B.V.] laat over 2023 en 2024 een positief resultaat zien en over de eerste helft van 2025 een negatief resultaat. Ook hier ontbreken de cijfers over 2022.
3.37.
De man heeft ter toelichting op de neergaande ontwikkeling in met name [eenmansbedrijf] aangegeven dat door het vertrek van de vrouw hij voor haar afwezigheid als matroos vervanging heeft moeten inhuren. Ook diende en dient hij voor de kinderen vaker thuis te zijn, waardoor hij een extra schipper heeft moeten inhuren. De man heeft enkele facturen van deze inhuur overgelegd.
Alhoewel begrijpelijk is dat door het vertrek van de vrouw en de verzorgingstaken van de man hij extra personeelskosten heeft moeten maken, verklaart dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet de enorme stijging van de post personeelskosten in 2024 van afgerond
€ 63.000,=, welke stijging kennelijk belopen is in slechts enkele maanden tijd, namelijk vanaf september volgens de man. Dit klemt temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij niet volwaardig als matroos functioneerde, doch slechts enkele lichte hand- en spandiensten verrichtte, waarbij haar positionering als matroos met name een fiscale achtergrond had. Ook is voor de rechtbank van belang dat de accountant met betrekking tot deze jaarcijfers een voorbehoud maakt waar het de getrouwheid betreft.
Voorts heeft de man ter zitting externe factoren genoemd die tot de negatieve resultaten hebben geleid waardoor hij van de vaart meer is overgegaan naar aan- en verkoop van schepen. Volgens de man leidden neergang in de bouw, waardoor minder vervoersvraag, en stijgende kosten van brandstof tot een zodanige kostenstijging, dat hij geen grip meer had op de kosten. Dit beeld is echter uit de stukken niet af te leiden. De rechtbank stelt vast dat de totale netto omzet aan vrachten in 2024 slechts circa 9% minder is dan in 2023 (waarbij in december nog van schip is gewisseld) en dat de brandstofkosten van de tegenover de netto omzet staande kosten maar een relatief gering deel uitmaken, waarbij die brandstofkosten in 2024 nagenoeg hetzelfde zijn gebleven als in 2023. Dat de stukken de toelichting van de man niet lijken te ondersteunen, neemt niet weg dat de rechtbank wel ziet dat 2024 een financieel moeizamer jaar is gebleken dan 2023. Maar het gegeven dat ook in 2024 nog steeds enig positief bedrijfsresultaat werd gehaald, mede indachtig hetgeen de rechtbank hiervoor heeft opgemerkt over de post personeelskosten, kan de rechtbank er niet van overtuigen dat de man het vanaf eind 2024 drastisch over een andere boeg heeft moeten gooien door van de vaart meer over te schakelen op aan- en verkoop van schepen. Deze wijziging heeft tot op heden volgens de door de man overgelegde cijfers kennelijk ook nog niet gerendeerd en de man kan daarbij ook niet meer melden dan dat hij hoopt dat de resultaten van de onderneming weer gaan verbeteren. Van een ondernemer mag echter worden verwacht dat hij enig beeld heeft bij forse wijzigingen in de bedrijfsvoering en daarbij enige financiële prognose voor ogen heeft.
3.38.
Voor wat betreft de vof heeft de man gesteld dat deze formeel nog wel bestaat, maar dat hij en zijn medefirmant (zijn broer) bezig zijn om deze te ontbinden en dat er in deze onderneming geen serieuze activiteiten meer plaatsvinden. De rechtbank stelt vast dat er geen stukken zijn overgelegd, ook niet voorlopige cijfers over de eerste helft van 2025, die deze stelling onderbouwen. Dit klemt temeer nu in de samenstellingsverklaring van de accountant van 18 maart 2025 bij de jaarstukken 2024 nog is te lezen dat de firmanten de bedoeling hebben om verder te gaan met de exploitatie van deze onderneming.
3.39.
Voor wat betreft [B.V.] heeft de man gesteld dat in deze BV niet wordt gehandeld en dat deze BV alleen de functie heeft om daarin gelden onder te brengen bij wijze van pensioenvoorziening. De rechtbank stelt vast dat ook hier de lezing van de man niet strookt met de stukken. In de jaarcijfers 2023 en 2024 wordt melding gemaakt van eigen omzet van de BV met daartegenover staande inkoopkosten. Ook worden op de resultaten autokosten, verkoopkosten en representatiekosten in mindering gebracht. Desgevraagd heeft de man hiervoor geen verklaring kunnen geven. Kijkend naar de cijfers over het eerste half jaar 2025 valt op dat er een omzet is van ruim € 197.000,=. De vrouw heeft vervolgens terecht opgemerkt dat uit deze cijfers ook blijkt van een bedrag aan personeelskosten van maar liefst ruim € 208.000,=. Deze post is in de stukken over 2024 niet terug te vinden. Dit alles voedt de gedachte dat deze vennootschap niet los kan worden gezien van de overige bedrijfsactiviteiten van de man.
3.40.
Het geheel overziende kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat de man er niet in is geslaagd om te voldoen aan zijn verplichting om inzicht te geven als overwogen in 3.36. hiervoor. Hiermee heeft de man ook niet voldaan aan zijn verplichting ex artikel 21 Rv. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de door de man ingebrachte draagkrachtberekeningen niet zal overnemen. De rechtbank zal echter ook geen aansluiting zoeken bij de door de vrouw bij inleidend verzoekschrift overgelegde berekening van de draagkracht van de man, omdat deze berekening, bij gebrek aan andere informatie, slechts is gebaseerd op de jaarstukken 2022 en 2023 van [eenmansbedrijf] Tansport.
3.41.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande en de voorhanden zijnde (jaar-)stukken, voor de becijfering van het NBI van de man uitgaan van de gemiddelde winst uit [eenmansbedrijf] over de jaren 2021 t/m 2023 van € 207.702,= en de gemiddelde winst uit [B.V.] over 2023 en 2024 van € 75.833,=. Hierop strekt in mindering de helft van het gemiddelde verlies uit [VOF] over 2023 en 2024, zijnde een bedrag van € 24.259,=, nu de andere helft van dit verlies voor rekening van de broer van de man als medevennoot komt. Dit leidt tot een gemiddelde winst uit onderneming van € 259.276,=.
De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke zelfstandigenaftrek en
mkb-winstvrijstelling, de gemiddelde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering over de jaren 2021 t/m 2023 van € 4.083,= bruto per jaar en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 12.325,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 5.122,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.42.
De verdeling van de kosten van de kinderen over partijen wordt dan berekend
volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht
vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 5.122 / € 5.808 x € 1.566 = € 1.381,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 686 / € 5.808 x € 1.566 = € 185,=
Zorgkorting
3.43.
Gelet op de in deze beschikking vast te stellen co-ouderschapsregeling geldt een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van de minderjarigen € 1.566,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) € 548,= per maand.
Conclusie
3.44.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als
kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 833,= per maand ofwel € 417,= per kind per
maand. De rechtbank zal deze bijdrage, zoals hiervoor overwogen, vaststellen met ingang
van de datum van deze beschikking. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
Partneralimentatie
3.45.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 5.982,= bruto per maand.
3.46.
De man voert daartegen verweer primair stellende dat de vrouw op grond van artikel 1:160 BW geen recht heeft op partneralimentatie omdat zij samenwoont met een nieuwe partner als waren zij gehuwd. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat er aan de zijde van de vrouw sprake is van misbruik van recht waardoor de vrouw haar recht op partneralimentatie heeft verspeeld. Meer subsidiair betwist de man de behoefte van de vrouw aan de verzochte bijdrage. Bovendien betwist hij de financiële draagkracht te hebben tot betaling van de verzochte bijdrage.
Samenwonen als waren zij gehuwd
3.47.
De rechtbank zal allereerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van de man, namelijk dat de vrouw samenwoont met een nieuwe partner, waardoor hij op grond van artikel 1:160 BW geen bijdrage hoeft te leveren in het levensonderhoud van de vrouw. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man, verwijzend naar het door hem overgelegde rapport van Recherchebureau Zeeland, naar voren gebracht dat de vrouw eerst heeft samengewoond met de heer [naam 1] , maar dat zij inmiddels een relatie heeft met [naam 2] , een schipper die geen woning heeft en bij de vrouw woont zodra hij aan wal is. Er blijft volgens de man dus sprake van een situatie dat de vrouw met een ander samenwoont als waren zij gehuwd.
3.48.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man zich niet kan beroepen op artikel
1:160 BW, omdat partijen nog gehuwd zijn en er dus nog geen sprake is van gewezen echtgenoten. Verder betwist de vrouw dat zij samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. De relatie met de heer [naam 1] heeft volgens de vrouw als gevolg van deze procedure en het onderzoek door het door de man ingeschakelde recherchebureau geen stand gehouden. De vrouw ontkent dat [naam 2] haar nieuwe partner is. [naam 2] is een bekende van de vrouw die haar zo nu en dan bijstaat. Hij heeft een eigen woning.
3.49.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit artikel 1:160 BW volgt dat de verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 april 1996 (ECLI:NL:HR:1996:ZC2036) oordeelt de rechtbank dat artikel 1:160 BW niet alleen naar zijn bewoording, maar ook naar zijn uit de parlementaire geschiedenis ervan blijkende strekking, is bedoeld slechts toepassing te vinden op een situatie die zich voordoet nadat het huwelijk is geëindigd. Omdat het huwelijk tussen partijen nog niet is ontbonden, kan de man niet als gewezen echtgenoot van de vrouw worden aangemerkt. Dit leidt ertoe dat, voor zover er op dit moment al sprake zou zijn van een samenleving tussen de vrouw en [naam 2] , hieraan naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet het rechtsgevolg van artikel 1:160 BW kan worden verbonden. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan het primaire standpunt van de man.
Misbruik van recht
3.50.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan het subsidiaire standpunt van de man dat er aan de zijde van de vrouw sprake is van misbruik van recht waardoor de vrouw geen aanspraak kan maken op partneralimentatie. De man stelt daartoe dat de vrouw enkel met hem is getrouwd vanwege de alimentatie. Volgens de man had de vrouw al voor het huwelijk van partijen een andere partner en is zij enkele weken na het aangaan van het huwelijk naar deze partner vertrokken. Ook had de vrouw zich al een paar maanden voorafgaand aan het huwelijk ingeschreven als woningzoekende.
3.51.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd stellende dat de man de eerste was die het huwelijk van partijen wenste te ontbinden. Volgens de vrouw is de heer [naam 1] pas in beeld gekomen nadat de man de echtscheiding aankondigde. De reden dat de vrouw zich al voor het huwelijk van partijen had ingeschreven als woningzoekende is dat de man meermaals had gedreigd haar op straat te zetten.
3.52.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 3:13 BW volgt dat als een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden, er sprake kan zijn van misbruik van recht. De rechtbank is van oordeel dat de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw enkel met hem is getrouwd om aanspraak te kunnen maken op partneralimentatie. Partijen zijn voorafgaand aan het huwelijk langere tijd (8 jaar) samen geweest en hebben in die periode twee kinderen gekregen. Dat de vrouw al tijdens het huwelijk een relatie had met de heer [naam 1] is, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, niet komen vast te staan en al zou dit wel zo zijn dan zou op grond daarvan nog niet kunnen worden geconcludeerd dat de vrouw het huwelijk met de man alleen is aangegaan om aanspraak te kunnen maken op alimentatie. Ook de omstandigheid dat de vrouw de man korte tijd na de huwelijkssluiting heeft verlaten maakt het voorgaande niet anders. Overigens heeft de man ook zelf de vrouw bij spraakbericht van 31 augustus 2024 te kennen gegeven dat hij haar eigenlijk al na de geboorte van [minderjarige 2] (dus [geboortedag 2] 2022) had willen verlaten. Uit het feit dat de vrouw zich al een aantal maanden voor haar huwelijk had ingeschreven als woningzoekende kan evenmin de conclusie worden getrokken dat de vrouw enkel met de man in het huwelijk is getreden vanwege de partneralimentatie. De vrouw heeft immers onweersproken gesteld dat zij dit heeft gedaan omdat de man tijdens de samenleving meermaals had gedreigd haar buiten de deur te zetten.
3.53.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie. In geschil is tussen partijen de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid en de draagkracht van de man.
Behoefte vrouw
3.54.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, de behoefte. Voor de vaststelling van die behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het NBGI ten tijde van de samenleving van partijen als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daarvan te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te kunnen blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Echter hebben beide partijen na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor mensen die in gezinsverband leven. Zij kunnen de kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
De rechtbank zal ter bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw voornoemde hofnorm hanteren, nu dit niet in geschil is tussen partijen. Zoals hiervoor al overwogen gaat de rechtbank voor de bepaling van het NBGI tijdens de samenleving van partijen uit van de inkomens van partijen in 2024, zijnde het laatste jaar waarin partijen hebben samengeleefd.
3.55.
De vrouw werkte tijdens de samenleving als zelfstandig ondernemer. De rechtbank zal voor de vaststelling van het NBI van de vrouw tijdens de samenleving uitgaan van de gemiddelde winst uit haar toenmalige onderneming [eenmanszaak] over de jaren 2021 t/m 2023, zoals blijkt uit de in het geding gebrachte jaarrekeningen. De bruto winst uit onderneming bedroeg in 2021 € 7.389,=, in 2022 € 29.876,= en in 2023 € 38.024,=. Dit leidt tot een gemiddelde bruto winst uit onderneming van € 25.096,=.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling en de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting). Aan de hand van deze uitgangspunten en met toepassing van de tarieven over de tweede helft van 2024 becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 2.009,= per maand.
3.56.
De rechtbank verwijst ten aanzien van het inkomen van de man tijdens de
samenleving naar hetgeen zij daarover in r.o. 3.41. heeft overwogen. Uitgaande van de
tarieven over de tweede helft van 2024 resulteert dit in een NBI van de man ten tijde van de
samenleving van € 12.374,=, per maand.
3.57.
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op (€ 2.009,= +
€ 12.374,=) € 14.383,= per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen, welke onder r.o. 3.29. voor 2024 zijn vastgesteld op € 1.470,= per maand, omdat dit bedrag niet ter beschikking stond aan partijen. Het inkomen waarop de behoefte
gebaseerd dient te worden bedraagt dan € 12.913,= per maand. Aan de hand van de hofnorm bedroeg de behoefte van de vrouw in 2024 dan (60% x € 12.913 =) afgerond
€ 7.748,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 8.252,= netto per maand.
Behoeftigheid/aanvullende behoefte vrouw
3.58.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf het bedrag van € 8.252,= netto per maand te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij behoeftig. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen. Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, dient op de behoefte in mindering te worden gebracht haar huidige eigen netto inkomen.
3.59.
De rechtbank gaat er, onder verwijzing naar r.o. 3.32 en 3.33., van uit dat de vrouw
in staat is om zelf € 2.400,= bruto per maand te verdienen. Dit inkomen dient vermeerderd te
worden met de gebruikelijke vakantietoeslag. Dit resulteert, rekening houdend met de van
toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en
de inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en
premies volksverzekeringen en zonder rekening te houden met een kindgebonden budget en
de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop, in een NBI van de vrouw van € 2.587,=
per maand. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar
eigen NBI, aldus € 5.665,= netto per maand. Dit komt neer op € 11.158,= bruto per maand.
Draagkracht man
3.60.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht
beschikt om bij te dragen in de behoefte van de vrouw. De financiële draagkracht van de
man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt in 2025 bij een NBI vanaf
€ 2.125,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI +
€ 1.310,=)]. Voor lagere inkomens dan € 2.125,= per maand zijn vaste bedragen per
categorie van toepassing.
3.61.
Voor wat betreft het huidige NBI van de man gaat de rechtbank uit van een bedrag van
€ 12.325,= per maand, zoals onder r.o. 3.41. is becijferd. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 4.390,= netto per maand.
3.62.
De rechtbank houdt voorts rekening met de hiervoor becijferde kinderbijdrage, inclusief zorgkosten, van in totaal € 1.381,= per maand.
3.63.
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle
fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde
kosten van de minderjarigen, € 3.009,= netto, zijnde € 4.812,= bruto per maand te voldoen
ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de
bijdrage aan de vrouw geheel aan hem toegekend.
Conclusie
3.64.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud moet betalen van € 4.812,= bruto per maand. De rechtbank zal de ingangsdatum van deze bijdrage bepalen op de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, nu dit uit de wet voortvloeit. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
Berekeningen
3.65.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van
deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel
uit.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.66.
De rechtbank verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals door ieder van partijen is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
Verwijzing enkelvoudige kamer
3.67.
De rechtbank zal de verdere behandeling van de zaak met nummer C/02/428684 / FA RK 24-5295 in de stand waarin deze zich bevindt, met instemming van beide partijen, doorverwijzen naar de enkelvoudige kamer.
4De beslissing
De rechtbank:
In zaaknummer C/02/428684 / FA RK 24-5295:
4.1.
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022, hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
4.2.
bepaalt dat voornoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen steeds twee opeenvolgende weken bij de man verblijven en daarna twee opeenvolgende weken bij de vrouw, waarbij de dinsdag de wisseldag zal zijn en de wissel zal geschieden via school, tenzij het vakantie is, in welk geval de vrouw de minderjarigen naar de man dient te brengen en bij de man dient op te halen;
4.3.
verleent aan de man vervangende toestemming om voornoemde minderjarige [minderjarige 2] in te schrijven op basisschool de [school] te [woonplaats 2] ;
4.4.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 417,= per kind per maand;
4.5.
bepaalt dat de man vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking van 21 november 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 4.812,= bruto per maand;
4.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
verstaat dat de verdere beoordeling van en beslissing op het verzoek van de man tot vaststelling van een vakantieregeling bij tussenbeschikking van 21 november 2025 - om reden als in die beschikking is vermeld - is aangehouden tot de familiekamerrol van 12 mei 2026;
4.8.
wijst de verzoeken van de vrouw inzake het ouderschapsplan en de zorgregeling af;
4.9.
wijst de verzoeken van de man inzake het hoofdverblijf, de terugverhuizing, de schoolgang van [minderjarige 1] alsmede inzake de sportactiviteiten en de medische verzorgers af;
4.10.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank, locatie Middelburg;
4.11.
houdt iedere verdere beslissing aan;
In zaaknummer C/02/433491 / FA RK 25-1563:
4.12.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om met de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022, te verhuizen naar [woonplaats 1] ;
4.13.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.14.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Van der Velde en mr. Holierhoek, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025 in aanwezigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|