|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:1263 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 11553054 CV EXPL 25-858 11553054 CV EXPL 25-858 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Is er recht op premievrijstelling wegens beroepsarbeidsongeschiktheid. Nee, niet verzekerd voor premievrijstelling op het moment van beroepsarbeidsongeschikt worden terwijl het toepasselijke pensioenreglement dit wel als voorwaarde stelt. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | premievrijstelling | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11553054 \ CV EXPL 25-858
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
procederend in persoon,
tegen
STICHTING PENSIOENFONDS VOOR FYSIOTHERAPEUTEN,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het Pensioenfonds,
gemachtigde: mr. E. Lutjens.
1De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiseres] recht heeft op premievrijstelling wegens beroepsarbeidsongeschiktheid. De kantonrechter oordeelt van niet omdat [eiseres] niet verzekerd was voor premievrijstelling op het moment van beroepsarbeidsongeschikt worden terwijl het toepasselijke pensioenreglement dit wel als voorwaarde stelt. De kantonrechter zal dit oordeel hieronder uitleggen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025 en de daarin genoemde processtukken
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij het Pensioenfonds spreekaantekeningen heeft overgelegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiseres], geboren op [datum] 1972, is op 30 mei 2011 in dienst getreden als fysiotherapeut bij [praktijk].
3.2.
Op 31 oktober 2019 is [eiseres] door neuroloog dr. [neuroloog 1] van het [ziekenhuis 1] gediagnosticeerd met focale epilepsie. [eiseres] is diezelfde dag ziekgemeld.
3.3.
[eiseres] heeft zich op 13 november 2020, naar aanleiding van een brief van het Pensioenfonds dat zij daartoe verplicht was, aangemeld bij het Pensioenfonds. Het Pensioenfonds heeft [eiseres] vervolgens met terugwerkende kracht tot 20 oktober 2015 aangesloten en heeft haar informatie gestuurd, onder meer over de vrijwillige verzekering voor premievrijstelling bij beroepsarbeidsongeschiktheid (hierna: de PVI-verzekering).
3.4.
Dr. [neuroloog 1] heeft [eiseres] in verband met het vermoeden van dunnevezelneuropathie doorverwezen naar het [ziekenhuis 2]. Daar heeft [eiseres] op 25 januari 2021 verschillende onderzoeken ondergaan bij neuroloog dr. [neuroloog 2].
3.5.
Op 3 februari 2021 heeft [eiseres] zich bij het Pensioenfonds aangemeld voor de PVI-verzekering. Naar aanleiding daarvan heeft het Pensioenfonds [eiseres] een brief en een premienota gestuurd voor deelname aan de PVI-verzekering vanaf 20 oktober 2015.
3.6.
Dr. [neuroloog 2] heeft [eiseres] gediagnosticeerd met dunnevezelneuropathie. Dit staat in een brief met documentdatum 1 februari 2021 en afdrukdatum 29 maart 2021. [eiseres] is op 30 maart 2021 telefonisch door dr. [neuroloog 1] op de hoogte gesteld van deze diagnose.
3.7.
[eiseres] heeft het Pensioenfonds op 16 november 2021 gemaild met het verzoek om te bevestigen dat haar eerdere e-mail, waarin zij aangaf al meer dan twee jaar ziek te zijn en daardoor niet langer werkzaam te zijn als fysiotherapeut, is ontvangen en in behandeling wordt genomen.
3.8.
Bij brief van 18 november 2021 heeft het Pensioenfonds het verzoek tot premievrije pensioenopbouw afgewezen. In die brief is ook aangegeven dat zij het meeverzekeren van de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid niet met terugwerkende kracht had mogen aanbieden. De voor die verzekering vanaf 20 oktober 2015 aan [eiseres] in rekening gebrachte premie heeft het Pensioenfonds gecrediteerd.
3.9.
[eiseres] is op 11 mei 2022 door een arbeidsdeskundige van het UWV voor 93,72% arbeidsongeschikt bevonden in het kader van de WIA. Het UWV heeft daarom op 12 mei 2022 beslist om aan [eiseres] vanaf 27 oktober 2021 een IVA-uitkering toe te kennen.
3.10.
[eiseres] en [praktijk] hebben op 29 juni 2022 een vaststellings-overeenkomst gesloten. Daarin staat onder meer dat [eiseres] sinds 31 oktober 2019 onafgebroken arbeidsongeschikt is en dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst om die reden met wederzijds goedvinden eindigt per 1 juli 2022.
3.11.
In het op 19 december 2022 door de Commissie Beoordeling Beroepsongeschikt-heid aan het bestuur van het Pensioenfonds uitgebrachte advies staat onder meer:
“(...) Het is het meest waarschijnlijk dat ze, gezien de ziekmelding in 2019 en haar klachten in de periode daarna, al voor 3-2-2021 tgv de beperkingen samenhangend met diagnose 2, geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was als algemeen werkend fysiotherapeut. Er is echter geen verzekeringsgeneeskundig/belastbaarheidsonderzoek gedaan rond die periode en daarom kan dit niet met zekerheid vastgesteld (of uitgesloten) worden. (...)”
3.12.
Bij brief van 19 december 2022 heeft het bestuur van het Pensioenfonds het verzoek tot premievrijstelling afgewezen omdat volgens haar - kort gezegd - niet is voldaan aan de vereisten.
3.13. (
De gemachtigden van) partijen hebben tevergeefs gecorrespondeerd over het al dan bestaan van een recht op premievrije pensioenopbouw.
4Het geschil
4.1.
[eiseres] vordert - samengevat - te verklaren voor recht dat het Pensioenfonds is gehouden dekking te verlenen onder de PVI-verzekering met nevenvorderingen.
4.2.
Het Pensioenfonds voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
In deze procedure ligt de vraag voor of [eiseres] aanspraak kan maken op premievrije pensioenopbouw wegens beroepsarbeidsongeschiktheid. Partijen zijn het erover eens dat die vraag moet worden beantwoord aan de hand van het pensioenreglement 2021 van het Pensioenfonds (hierna: het pensioenreglement).
5.2.
In artikel 13.3 van het pensioenreglement staat dat de deelnemer in aanmerking komt voor premievrijstelling bij beroepsarbeidsongeschiktheid als aan de voorwaarden genoemd onder a tot en met d van dat artikel is voldaan. Partijen verschillen van mening of in dit geval is voldaan aan de voorwaarde onder b, die luidt: “hij heeft de in artikel 4.4. bedoelde extra premie betaald en was verzekerd voor premievrijstelling op het moment van beroepsarbeidsongeschikt worden”.
5.3.
Het begrip beroepsarbeidsongeschiktheid is in de begripsomschrijvingen van het pensioenreglement geduid als: “De objectief medisch vast te stellen door ziels- of lichaamsgebreken veroorzaakte blijvende en volledige ongeschiktheid tot de uitoefening van het beroep van fysiotherapeut.” In artikel 13.4 van het pensioenreglement is vermeld dat onder blijvende en volledige beroepsarbeidsongeschiktheid wordt verstaan: “de objectief medisch vast te stellen blijvende en volledige ongeschiktheid tot de uitoefening van het beroep van fysiotherapeut als rechtstreeks gevolg van ziekte of ongeval.” Naar het oordeel van de kantonrechter volgt hieruit, anders dan [eiseres] stelt, niet dat gekeken moet worden naar de oorzaak van beroepsarbeidsongeschiktheid. Of dat focale epilepsie en/of dunnevezelneuropathie is, kan daarom in het midden blijven.
5.4.
Vast staat dat [eiseres] vanaf 31 oktober 2019, de eerste dag van haar ziekmelding, haar werk als fysiotherapeut niet meer heeft hervat. Op grond van die eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft [praktijk] [eiseres] twee jaar loon doorbetaald en is vervolgens een WIA- en daarna IVA-uitkering aan [eiseres] verstrekt. Uit de zich in het dossier bevindende medische stukken volgt dat [eiseres] ook in de (verdere) toekomst het beroep van fysiotherapeut niet meer zal kunnen uitoefenen. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.
5.5.
De conclusie is dat [eiseres] vanaf 31 oktober 2019 blijvend en volledig beroepsarbeidsongeschikt is zoals bedoeld in artikel 13.3 van het Pensioenreglement. Dat [eiseres] na 31 oktober 2019 mogelijk nog hoop had op herstel maakt dat niet anders.
5.6.
Pas op 3 februari 2021, dus ruim een jaar na het moment van beroepsarbeidsongeschikt worden, heeft [eiseres] zich verzekerd voor premievrijstelling bij beroepsarbeidsongeschiktheid. Aan de in artikel 13.3 onder b van het pensioenreglement genoemde voorwaarde is dus niet voldaan.
5.7.
[eiseres] heeft nog gesteld dat de PVI-verzekering al per 20 oktober 2015 is ingegaan. De kantonrechter volgt haar daarin niet. Op grond van de wet moet een verzekeringsovereen-komst strekken tot het doen van een uitkering in geval van een onzeker voorval. Van die onzekerheid was op het moment dat [eiseres] de PVI-verzekering afsloot geen sprake. Zij was toen immers, zoals hiervoor is overwogen, al beroepsarbeidsongeschikt. Het was daarom in dit geval, zoals het Pensioenfonds ook stelt, niet mogelijk om met terugwerkende kracht de PVI-verzekering te laten ingaan. Dat aanvankelijk wel een eerdere ingangsdatum aan [eiseres] is gecommuniceerd, was het gevolg van een administratieve fout van het Pensioenfonds waarover zij [eiseres] bij brief van 18 november 2021 ook heeft geïnformeerd.
5.8.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.
5.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het Pensioenfonds worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
720,00
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
6.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
Artikel 7:925 van het Burgerlijk Wetboek. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|