|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:1738 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/222 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Erfbelasting / artt. 35b en 35c van de Successiewet 1956 | | Trefwoorden | : | bedrijfsopvolging | | | buitenvennootschappelijk vermogen | | | inkomstenbelasting | | | melkveehouderij | | | omzetbelasting | | | successierecht | | | successiewet | | | taxatie | | | testament | | | vrijstelling | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrechtzaaknummer: BRE 25/222
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende
(gemachtigden: mr. M.H.J.M. Oosterbosch en [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, tot een bedrag van € 134.354, ter zake van een verkrijging in het jaar 2020.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Van hetgeen op de zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
Feiten
3. Op [datum] 2020 is [erflater] , de broer van belanghebbende (erflater), overleden.
3.1.
Erflater heeft bij testament van 20 juni 2020 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament staat, voor zover hier van belang (en zonder het in de akte opgenomen renvooi):
“Ik legateer, zulks niet vrij van rechten en kosten en af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden:
a. (…);
b. tezamen en voor gelijke delen aan:
- (…);
- [belanghebbende]; en
- (…);
een cultuurgrond, gelegen te [plaats 2] , (…).
LEGAAT OVERIGE SPAARTEGOEDEN/BELEGGINGEN
Ik legateer tezamen en voor gelijke delen aan:
- (…);
- [belanghebbende];
- (…):
- (…); en
- (…);
niet vrij van rechten en kosten, zonder bijberekening van rente en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden hetgeen resteert van de door mij in privé aangehouden spaartegoeden/beleggingen na uitbetaling van het legaat hiervoor onder IV.B gemeld en de betaling van de uitvaartkosten.(…)
ERFSTELLING
Ik benoem, onder de verplichting tot afgifte van voormeld legaten, tot mijn enige en algehele erfgenaam: mijn neef (…)”
3.2.
Erflater dreef samen met de in 3.1 bedoelde neef een vennootschap onder firma, [V.O.F.] , waarin een melkveehouderij werd uitgeoefend (de VOF).
3.3.
Naast het in 3.2 bedoelde aandeel in de VOF had erflater buitenvennootschappelijk vermogen, waaronder het in 3.1 bedoelde stuk cultuurgrond (de cultuurgrond). Erflater had het gebruik en genot van de cultuurgrond ingebracht in de VOF.
3.4.
Belanghebbende en twee zusters van haar hebben samen met de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan in december 2020 een VOF-akte ondertekend waarin – voor zover relevant – het volgende is bepaald:
‘In aanmerking nemende:
dat [de vennoten die samen met erflater een VOF zijn aangegaan] vanaf 1 januari 2014 voor gezamenlijke rekening en risico een agrarische onderneming exploiteren in de vorm van een vennootschap onder firma samen met [erflater];
(…)
dat erflater op [datum] 2020 is overleden;
dat [de neef en belanghebbende en haar zussen] vermogensbestanddelen hebben geërfd welke dienstbaar waren aan de bedrijfsuitoefening van de vennootschap onder firma;
dat [de neef en belanghebbende en haar zussen] deze vermogensbestanddelen ter beschikking willen blijven stellen aan de vennootschap onder firma, waarbij [belanghebbende en haar zussen] toetreden tot deze vennootschap onder firma
verklaren bij dezen met ingang van 15 augustus 2020 te zijn aangegaan een overeenkomst van vennootschap, zulks ter voortzetting van de tot die datum bestaande vennootschap onder firma tussen [de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan] en erflater (…)
5. Door [belanghebbende en haar zussen] wordt ingebracht het gebruik en genot van (ieders aandeel in) de onroerende zaken, bestaande uit de cultuurgronden door hen verkregen uit de nalatenschap van [erflater] (…).
c) De resterende jaarlijkse winsten of verliezen worden als volgt verdeeld:
(…)
[Belanghebbende en haar zussen] ontvangt of draagt ieder 4,5% (…).
3.5.
De door belanghebbende en haar zussen verkregen grond is op 19 juni 2020, door [bedrijf 1] B.V., per diezelfde datum, getaxeerd op € 972.000.
3.6.
Dezelfde grond is op 23 april 2021, door [bedrijf 2] , per diezelfde datum, getaxeerd op € 784.000
3.7.
In de aangifte erfbelasting is de cultuurgrond in aanmerking genomen voor de in 3.5 bedoelde waarde. Het totaalbedrag aan legaten dat belanghebbende heeft ontvangen is in de aangifte becijferd op € 369.778.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
4. Artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 (SW) luidt (tekst 2020) als volgt:
“1. Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer ka worden toegekend.”
4.1.
Artikel 35b van de SW luidt (tekst 2020), voor zover hier van belang:
“1. Indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid, wordt op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling verleend van:
a. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1.102.209 niet te boven gaat: 100%;
(…)
5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, (…) mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.”
4.2.
Artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW (tekst 2020) luidt:
“Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder de verkrijging van ondernemingsvermogen verstaan de verkrijging van:
a. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;”
4.3.
In de memorie van toelichting voorafgaand aan de wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten is onder meer het volgende opgemerkt:
“Kern van de bedrijfsopvolgingsregeling is dat de verkrijger het verkregen ondernemingsvermogen voortzet. (…)
In beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.”
Heeft de inspecteur artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) geschonden?
4.4.
Belanghebbende heeft de inspecteur, in de brief bij de in 1.4 bedoelde pleitnota, verzocht om haar, voor zover deze nog niet zijn aangeleverd in de bezwaarfase, de op de zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen. Ter zitting is aangevoerd dat de communicatie tussen de inspecteurs die zich bezig houden met de heffing van inkomstenbelasting en successierecht, welke is gevoerd in de periode tussen het hoorgesprek en het opleggen van de aanslagen erfbelasting, ontbreekt.
4.5.
De rechtbank overweegt dat interne correspondentie van de Belastingdienst tot de op de zaak betrekking hebbende stukken kan behoren zodat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak.
4.6.
Dat laatste is niet het geval. Belanghebbende voert niets aan over de vraag voor welk resterend geschilpunt deze stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat zelfstandig ook niet in. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van de Awb niet geschonden nu alle stukken zijn overgelegd die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.
Is de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?
4.7.
Primair stelt belanghebbende dat al hetgeen zij bij legaat van erflater heeft ontvangen is vrijgesteld van erfbelasting op grond van artikel 35b en volgende van de SW. Zij voert daarbij aan dat hetgeen zij heeft verkregen bij erflater een gedeelte was van een door hem gedreven onderneming. Belanghebbende meent daarbij argumenten te kunnen ontlenen aan een arrest van de Hoge Raad. Voorts stelt belanghebbende dat moet worden gekeken naar de doorschuifregelingen die van toepassing zijn in de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB 2001) en dat voor de toepassing van artikel 3.62 van die wet van belang is of bij de erflater sprake was van een onderneming. Tot slot stelt belanghebbende dat zij voor het legaat van een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen (uiteindelijk) is gecrediteerd in het ondernemingsvermogen van de VOF en dat om die reden ook op dát legaat artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW van toepassing is.
4.8.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende, gelet op de tekst van het testament van erflater (zie 3.1), een onverdeeld aandeel in een stuk cultuurgrond en een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aan te merken als (een gedeelte van) een onderneming als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW. Op zichzelf en gezamenlijk zijn de verkregen vermogensbestanddelen – en dat is tussen partijen niet in geschil – geen onderneming of een zelfstandig deel daarvan. Daaraan doet niet af dat het onverdeeld aandeel in het stuk cultuurgrond op een later moment in gebruik en genot is ingebracht in een VOF waar belanghebbende vennoot in is, en ook niet dat belanghebbende (uiteindelijk) het onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen kort gezegd uitbetaald heeft gekregen, maar voor dat bedrag is gecrediteerd in het vermogen van de VOF. Op het moment van de verkrijging kwalificeren de verkregen bestanddelen naar het oordeel van de rechtbank niet als een (gedeelte van) een onderneming, waardoor geen sprake is van ondernemingsvermogen in de zin van de SW.
Dat de situatie op het moment van de verkrijging beslissend is, wordt juist bevestigd in rechtsoverweging 2.4.4 van het door belanghebbende genoemde arrest.
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank werkt artikel 3.62 van de Wet IB 2001 niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling omdat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Weliswaar heeft de wetgever als voorbeeld enkel artikel 3.63 van de Wet IB 2001 genoemd (zie 4.3), maar de rechtbank ziet niet in waarom dit anders zou zijn voor artikel 3.62 van de Wet IB 2001 ook gelet erop dat dit specifieke wetsartikel slechts als voorbeeld wordt genoemd.
Is de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tegen een te hoge waarde in aanmerking genomen?
4.10.
Subsidiair stelt belanghebbende dat de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen. Zij wijst daarbij op de in 3.6 bedoelde taxatie. De aanslag zou, uitgaande van laatstbedoelde taxatie, moeten worden verlaagd naar € 109.287. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst belanghebbende op een tweetal arresten van de Hoge Raad.
4.11.
De rechtbank overweegt dat de cultuurgrond in het in 3.6 bedoelde taxatierapport is gewaardeerd uitgaande van een verwachte verkoopopbrengst exclusief omzetbelasting. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak maakt de aan de koper in rekening gebrachte omzetbelasting deel uit van de prijs die de koper bereid is gebleken te betalen ter verkrijging van de onroerende zaak. Indien de koper de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, leidt zulks er niet toe dat deze omzetbelasting niet deel uitmaakt van de prijs, nu de aftrekbaarheid van de omzetbelasting een die koper persoonlijk betreffende omstandigheid is. Hetgeen is beslist in de door belanghebbende genoemde arresten brengt hierin geen verandering omdat in die arresten geen waardering naar de waarde in het economische verkeer aan de orde was, zoals vereist op grond van artikel 21, eerste lid, van de SW (zie 4), maar waardering naar de gecorrigeerde vervangingswaarde in het kader van de Wet waardering onroerende zaken. De in 3.6 bedoelde taxatie kan derhalve niet als juist worden aanvaard.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag wordt gehandhaafd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en prof. dr. G.J. van Norden, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 930, nr. 3, p. 46.
Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.
Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.4.
Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.3.
Hoge Raad 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5030 en Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AW3876.
Vgl. Hoge Raad 8 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0924, r.o. 3.5. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|