|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:2020 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/444834 / JE RK 26-22 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Beslissing na spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444834 / JE RK 26-226
Datum uitspraak: 17 februari 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Eindhoven,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N.P.M. Planthof uit Goes,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R. Shahbazi uit Den Haag.
De gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI,
locatie Middelburg.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 6 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
het verweerschrift en een bijlage ‘productie 1’ van mr. Shahbazi, ingekomen bij de griffie op 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2026 [minderjarige] met spoed en zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden. Op grond van deze beschikking verblijft [minderjarige] thans in een pleeggezin.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] – zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden –
voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. [minderjarige] laat gedrag zien dat zorgen baart. Extra zorg is dat tussen de ouders sprake is van een moeizame verhouding. Onduidelijk is dan ook in hoeverre de ouders in staat zijn om samen het nodige te kunnen betekenen voor [minderjarige] . Plaatsing bij de vader vindt de Raad nu dan ook niet in het belang van de vader. Hij is net geplaatst in het pleeggezin. Daar komt bij dat [minderjarige] en de vader al meer dan een jaar geen contact hebben gehad met elkaar en onbekend is hoe het contact daarvoor verliep en hoe [minderjarige] dat contact toen heeft ervaren. Daar moet wel zicht op komen, evenals op de mogelijkheden van de vader om een rol te kunnen spelen in het leven van [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat vanuit de huidige situatie zorgvuldig wordt onderzocht wat het meest in het belang is van [minderjarige] en wat hij daarvoor nodig heeft. Er moeten geen overhaaste beslissingen worden genomen.
4.2.
De GI heeft verklaard dat de moeder al langere tijd aangeeft dat zij overvraagd wordt. [minderjarige] is inmiddels in een pleeggezin geplaatst. Er is sprake van een goede samenwerking met de moeder en zij werkt mee aan de hulpverlening. De moeder stemt op dit moment in met de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin. De mogelijkheden voor een steungezin op de woensdag en het weekend moeten onderzocht worden, evenals de noodzakelijke therapie en hulpverlening voor zowel [minderjarige] als de moeder. Voor deze stappen ligt al een plan klaar en er is een aanmelding gedaan voor [hulpverlening 1] en [hulpverlening 2] . De vader is inmiddels ook goed bereikbaar en ook zijn wens ten aanzien van [minderjarige] moet meegenomen worden. Als de vader niet akkoord gaat met de vrijwillige plaatsing is de toewijzing van het verzoek ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wel noodzakelijk.
4.3.
Namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De GI heeft onlangs al de nodige stappen gezet voor zowel [minderjarige] als de moeder. De moeder werkt mee en stemt hier ook mee in. De wens van de vader om [minderjarige] bij hem te plaatsen onderschrijft de noodzaak voor het toewijzen van de verzoeken. [minderjarige] en de vader hebben sinds oktober 2024 geen contact meer met elkaar. Op basis van wat er allemaal speelt rondom [minderjarige] kan niet zomaar worden besloten om [minderjarige] bij de vader te plaatsen, ook niet in de weekenden of op woensdagmiddag. Daarvoor moeten eerst nog allerlei stappen worden gezet, zoals het oppakken van het contact. Voor nu is van belang dat [minderjarige] op een veilige plek verblijft. Het liefst in het vrijwillig kader, maar gelet op de wens van de vader lijkt dit nu niet mogelijk. Als de vader er echt wil zijn voor [minderjarige] , dan kan hij dit de aankomende maanden laten zien.
4.4.
De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat zij zich rustiger voelt. [minderjarige] zit in een gastgezin en hij doet het daar goed. De moeder belt elke dag met hem en zij heeft hem verteld dat ze nog bezig is met hulp. Het gedrag van [minderjarige] werd in haar thuissituatie te extreem. Hij luisterde niet, gooide met spullen en vertoonde opdringerig en bazig gedrag. De moeder zou graag hulp willen om dit te verbeteren en om de band tussen haar en [minderjarige] te kunnen versterken. De moeder zou de hulp het liefst vanuit het vrijwillig kader aangaan. Zij zou ook graag willen dat [minderjarige] weer naar huis komt op het moment dat de hulp is geregeld. Op de woensdagmiddag zou [minderjarige] dan mogelijk naar een zorgboerderij kunnen gaan en in het weekend naar een opvanggezin. De moeder staat niet open voor plaatsing bij de vader. Dat zal [minderjarige] alleen maar onrustiger maken, zeker omdat hij recentelijk ook al uithuisgeplaatst is. [minderjarige] kan vanuit het pleeggezin ook naar het MKD (medisch kinderdagverblijf) blijven gaan. Het belangrijkste is nu dat hij rust en stabiliteit ervaart en hulp krijgt.
4.5.
Namens de vader is een verweerschrift ingediend. In aanvulling daarop wordt naar voren gebracht dat het erg krom voelt voor de vader; [minderjarige] is geplaatst in een pleeggezin, terwijl hij beschikbaar is en dan kan hij niet bij hem worden geplaatst. Gezegd wordt dat [minderjarige] de vader misschien niet kent omdat er al zo lang geen contact is geweest. De vader is altijd beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Het is de ouders na het verbreken van de relatie echter niet gelukt om tot een ouderschapsplan te komen. De vader is beschikbaar en kan hem een veilige plek bieden. Ook de familie is betrokken (geweest). Belangrijk is nu dat bestendige afspraken worden gemaakt en te bezien of de ouders tot een ouderschapsplan kunnen komen. Ook kan bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader aan de orde komen. Er wordt nu overwogen om [minderjarige] gedeeltelijk in een pleeggezin te laten opgroeien, terwijl de vader en zijn familie klaarstaan. Hoewel er geen verzoek tot plaatsing bij de vader voorligt, hoopt de vader dat de inhoud van zijn verweerschrift opening biedt voor een gesprek en hij hoopt daarnaast dat de Raad zijn wensen en mogelijkheden onderzoekt en in overweging neemt. De moeder zit in de weerstand en zij zou liever willen dat [minderjarige] gedeeltelijk in een pleeggezin opgroeit dan bij de vader, maar het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij zijn vader leert kennen en omgang met hem heeft.
4.6.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij in de veronderstelling was dat het veilig was bij de moeder. Hij vindt het erg moeilijk wat er nu is gebeurd rondom [minderjarige] . Hij vraagt zich af waar de gedragsproblemen van [minderjarige] vandaan komen. Hij is ervan overtuigd dat hij [minderjarige] kan bieden wat hij nodig heeft, waarbij de vader ook ondersteund zal worden door zijn familie. [minderjarige] heeft hem nodig. Zijn familie is altijd betrokken geweest bij [minderjarige] en staan altijd voor hem klaar. [minderjarige] kan bij hem in [plaats] ingeschreven worden. Onduidelijk is of [minderjarige] daar ook speciale hulp nodig zou hebben, want in [plaats] zijn meer temperamentvolle kinderen en daar wordt anders met hen omgegaan.
5De verdere beoordeling
Spoedbeslissing;
5.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 6 februari 2026 is, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, een voorlopige ondertoezichtstelling, alsmede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] uitgesproken met ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. De Raad, de ouders en de GI zijn tijdens de zitting van heden gehoord waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunt kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan oordeelt de kinderrechter dat niet is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor een ander oordeel. Die beslissing zal dan ook niet worden herroepen.
Resterend deel van het verzoek;
5.2.
Ten aanzien van het resterende deel van het verzoek is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek, te weten de voorlopige ondertoezichtstelling alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin toewijzen met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over [minderjarige] , zoals ook beschreven in de spoedbeschikking van 9 februari 2026. [minderjarige] vertoont heftig, externaliserend gedrag, waarbij hij dagelijks gedrag laat zien in de vorm van schreeuwen, slaan, schoppen en reageert disproportioneel op grenzen. Ook op de dagbehandeling, waar [minderjarige] sinds januari 2026 naartoe gaat, worden eveneens zorgen geuit over de emotieregulatie, hechting en uitspraken van [minderjarige] die niet leeftijdsadequaat zijn. De moeder ervaart ernstige overbelasting, is overvraagd en heeft om die reden meermaals om hulp gevraagd. [minderjarige] is uiteindelijk na de spoedbeslissing van 6 februari 2026 in een pleeggezin geplaatst. Daar verblijft hij nu nog steeds. Door de betrokken organisaties, zowel de Raad als de GI, wordt beoogd om vanuit deze situatie te bezien wat het meest in het belang is van zowel [minderjarige] als de moeder en wat zij daarvoor nodig hebben. Ondertussen is ook de vader weer in beeld gekomen en heeft hij verzocht om [minderjarige] bij hem te plaatsen. Hoewel het positief is dat de vader weer een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] , acht de kinderrechter het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] dat hij bij de vader wordt geplaatst. De kinderrechter merkt daarbij op dat daarvoor ook geen verzoek voorligt. [minderjarige] is onlangs in een pleeggezin geplaatst en deze plaatsing is voorstelbaar ingrijpend geweest voor [minderjarige] . Hem wederom verplaatsen acht de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige] . Daarbij komt dat [minderjarige] en de vader al meer dan een jaar geen contact hebben met elkaar, waarbij nog onduidelijk is hoe dit contact er daarvoor uitzag en hoe [minderjarige] dit contact toen heeft ervaren. Dit maakt verplaatsing naar de vader daarom mogelijk nog ingrijpender voor [minderjarige] . Daarbij komt dat er geen zicht is op de opvoedingsvaardigheden en -omstandigheden van de vader om [minderjarige] – met bijbehorende gedragingen – op een adequate manier te verzorgen en op te voeden. Los daarvan is de kinderrechter van oordeel dat het te vroeg is om nu al dergelijke ingrijpende beslissingen te nemen over het leven van [minderjarige] . [minderjarige] heeft immers zijn hoofdverblijf bij de moeder en is in haar gezin opgegroeid. Ook is de kinderrechter vooralsnog niet gebleken dat het de moeder ontbreekt aan de juiste opvoedingsvaardigheden en -mogelijkheden, maar staat op dit moment wel vast dat zij hulp nodig heeft. Hoe deze hulp eruit moet komen te zien zal de komende periode moeten uitwijzen. Bij deze beoordeling dient de GI naar het oordeel van de kinderrechter ook te betrekken welke rol de vader (daarin) kan spelen (in het leven van [minderjarige] ). Het is in het belang van [minderjarige] dat zorgvuldig wordt onderzocht wat hij nodig heeft om op een goede en veilige manier verder op te groeien. De kinderrechter heeft in haar beoordeling ook betrokken dat tussen de ouders op dit moment geen samenwerking en overleg plaatsvindt. Ook dit benadrukt (althans op dit moment) de noodzaak voor een neutrale plaatsing van [minderjarige] en de betrokkenheid van de GI. De kinderrechter acht het derhalve in het belang van [minderjarige] dat de termijn van de voorlopige ondertoezichtstelling wordt verlengd, alsmede dat [minderjarige] zijn verblijf in het pleeggezin continueert. Dit zal hem op dit moment naar verwachting de meeste veiligheid, stabiliteit en rust bieden, hetgeen – hoewel de kinderrechter de wens van de vader begrijpt – boven het belang van de vader staat om samen met [minderjarige] een gezin te kunnen vormen.
5.4.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de resterende periode van het verzoek. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de resterende periode van het verzoek, te weten met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026;
6.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 3 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|