|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:2841 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 24/3522 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Omzetting loongerelateerde wga-uitkering naar Wga-vervolguitkering, schatting mate van arbeidsongeschiktheid. | | Trefwoorden | : | minimumloon | | | omzetbelasting | | | tarieven | | | uitkering | | | woon-werkverkeer | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3522 WIA
uitspraak van 9 april 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
gemachtigde: mr. L.H.E. Sweers,
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de wijziging van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.1.
In een besluit van 21 november 2022 (primair besluit) heeft het UWV bepaald dat eisers loongerelateerde wga-uitkering met ingang van 29 januari 2023 wordt omgezet in een wga-loonaanvullingsuitkering, waarbij eiser 45-55% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.2.
In het bestreden besluit van 5 maart 2024 heeft het UWV eisers bezwaren tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Het UWV heeft bepaald dat eiser per 29 januari 2023 voor 43,88% arbeidsongeschikt moet worden geacht, waarmee hij in de arbeidsongeschikt-heidsklasse van 35 tot 45% valt. Eisers WIA-uitkering is met ingang van 6 maart 2024 omgezet naar een wga-vervolguitkering met een uitkeringspercentage van 28% van het minimumloon.
1.3.
Het UWV heeft op eisers beroep gereageerd middels een verweerschrift.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 mei 2025. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV werd vertegenwoordigd door mr. M. Duric.
1.5.
In de tussenuitspraak van 28 juli 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.6.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering van zijn standpunt ingediend in de vorm van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar & beroep (verzekeringsarts b&b). Eiser heeft hier schriftelijk op gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 23 maart 2026 is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat het UWV, in het licht van het door eiser overgelegde rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts] , onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor eiser geen urenbeperking is aangenomen. De verzekeringsarts b&b is niet specifiek ingegaan op de door [verzekeringsarts] naar voren gebrachte argumenten om een dergelijke beperking aan te nemen. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat eisers ziektebeeld volgens de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid (de standaard) aanleiding kan geven voor het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om nader te motiveren waarom er geen aanleiding is voor het opnemen van een urenbeperking.
De nadere motivering van het UWV
4. De rechtbank heeft op 22 augustus 2025 van het UWV een rapport van een verzekeringsarts b&b van 19 augustus 2025 ontvangen. Volgens de verzekeringsarts b&b geven de overwegingen van verzekeringsarts [verzekeringsarts] geen aanleiding om af te wijken van het standpunt dat geen noodzaak bestaat voor een urenbeperking. In de standaard wordt een traumagerelateerde stoornis genoemd als mogelijke oorzaak van een stoornis in de energiehuishouding met verminderde energetische belastbaarheid. De aanwezigheid van zo’n stoornis, in dit geval PTSS, leidt echter niet automatisch tot een beperkte duurbelastbaarheid, omdat dit afhangt van de aard van de belasting. Energetisch zwaarder werk kan logischerwijs minder lang worden volgehouden. In eisers geval verdient een inhoudelijke aanpassing van de werkzaamheden de voorkeur boven een urenbeperking. Zijn energetische klachten zijn onderkend, en met de aangenomen beperkingen in statische en dynamische belastbaarheid is hij aangewezen op fysiek en energetisch licht werk. Met het aannemen van de beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren is eiser ook aangewezen op mentaal relatief eenvoudig en licht belastend werk, waarbij mentale overbelasting en uitputting wordt vermeden. Als met deze belastbaarheid rekening wordt gehouden, hoeft dit niet te leiden tot uitval na enkele dagdelen. Conform de standaard is beoordeeld of eisers dagelijks functioneren wordt gekenmerkt door langere perioden van niet-gebruikelijke rust die duiden op noodzakelijke recuperatie. Uit de door de primaire verzekeringsarts verzamelde gegevens blijkt dat eiser omstreeks 7 uur opstaat, zijn kinderen verzorgt en naar school brengt, de honden uitlaat en de kinderen weer ophaalt. Op goede dagen kookt hij en doet hij het huishouden. Op slechte dagen rust hij tussendoor, soms met een dutje. Uit het GGZ-rapport van oktober 2022 blijkt dat hij daarnaast nog plezier beleeft aan soft- of honkbal. Het inbouwen van rustmomenten is niet uitzonderlijk, en er is geen sprake van langere rustperioden of terugkerende slaapbehoeften die nodig zijn om de dag vol te houden. Hoewel eiser inspanning moet leveren om het alleen te redden, is hij overwegend zelfredzaam. De verzekeringsarts b&b merkt nog op dat eiser huishoudelijke en administratieve hulp ontvangt, maar dat onduidelijk is op welke (medische) gronden dat is toegekend en of dit samenhangt met energetische beperkingen. De verzekeringsarts b&b concludeert dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking.
Eisers reactie
5. Eiser stelt in reactie op de nadere motivering van de verzekeringsarts b&b dat bij hem sprake is van een complexe posttraumatische stressstoornis (PTSS), in combinatie met angst- en stemmingsstoornissen en middelengebruik rond bedtijd en in de nachtelijke uren. Hij heeft in het verleden meerdere situaties meegemaakt waarin sprake was van extreem geweld, waardoor hij voortdurend een gevoel van “aanstaan” ervaart. Eiser beschrijft dat hij gejaagd en hyperalert is, zijn omgeving voortdurend scant, altijd een mes bij zich draagt op straat en kampt met nachtmerries en herbelevingen. Deze voortdurende stressreacties vergen volgens hem veel energie en leiden tot ernstige uitputting. Eiser wijst erop dat ook de primaire verzekeringsarts heeft vermeld dat sprake is van intens psychisch lijden. In zijn huidige situatie, waarin hij grotendeels thuis verblijft en prikkels zoveel mogelijk vermijdt, heeft hij naar eigen zeggen dagelijks extra rustmomenten nodig om te herstellen. Hij valt geregeld overdag in slaap. Op dagen met meer triggers – waar hij slechts beperkt invloed op heeft – is zijn hersteltijd langer, en komt het voor dat hij, bijvoorbeeld na het wegbrengen van zijn kinderen, direct weer naar bed gaat. Dit gebeurt meerdere keren per week, al verschilt de ernst per dag. Eiser legt uit dat de triggers vaak klein zijn, zoals een geur, een blik, een toonhoogte, een aanraking of een gedachte. Bij PTSS leiden dergelijke prikkels tot automatische overlevingsreacties die veel energie kosten en bepalen hoe hij de dag doorkomt. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts b&b hiermee onvoldoende rekening gehouden. Hoewel deze arts stelt dat reeds is uitgegaan van beperkte fysieke en mentale belastbaarheid, duidt de arbeidsdeskundige volgens eiser nog steeds functies met een onrustige werkomgeving en veelvuldig contact met anderen. Daarbij zijn de prikkels van woon-werkverkeer volgens hem niet eens in de beoordeling meegenomen. Eiser acht het risico reëel dat zijn klachten bij werkhervatting zullen verergeren, omdat triggers de PTSS-symptomen kunnen versterken. Hij verwijst daarbij naar de visie van verzekeringsarts [verzekeringsarts] , die op basis van de beschikbare informatie tot een weloverwogen oordeel is gekomen. Volgens haar is het onrealistisch dat eiser fulltime kan werken gelet op zijn psychische en energetische belastbaarheid. Zij acht een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week aangewezen, zowel vanuit energetisch als preventief oogpunt.
Eiser verzoekt de rechtbank (subsidiair) om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het gebrek in het bestreden besluit met de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts b&b van 19 augustus 2025 heeft hersteld. In deze rapportage is naar het oordeel van de rechtbank op inzichtelijke en voldoende overtuigende wijze gemotiveerd waarom in eisers geval geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. De verzekeringsarts b&b heeft inzichtelijk uiteengezet dat, hoewel sprake is van PTSS, dit niet zonder meer leidt tot een beperkte duurbelastbaarheid. Daarbij is rekening gehouden met de aard van eisers energetische klachten en met de reeds vastgestelde beperkingen in de fysieke, mentale en sociale belastbaarheid. Uit de beschikbare medische gegevens volgt niet dat sprake is van een structurele of langdurige rust- of recuperatiebehoefte die een urenbeperking medisch zou rechtvaardigen. De verzekeringsarts b&b heeft gemotiveerd dat de vastgestelde beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, evenals in de fysieke belastbaarheid, toereikend zijn om rekening te houden met eisers verminderde belastbaarheid. De motivering in het rapport acht de rechtbank dan ook toereikend.
In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze motivering onjuist of onvolledig te achten. Daarbij weegt mee dat eiser de medische bevindingen van het UWV niet heeft weerlegd met nieuwe of objectieve medische gegevens, maar hoofdzakelijk een nadere beschrijving heeft gegeven van zijn (huidige) klachten en ervaren beperkingen. De verzekeringsarts b&b heeft eisers psychische problematiek, waaronder de (complexe) PTSS en de daarmee samenhangende vermoeidheidsklachten, bij de beoordeling betrokken. Dat eiser zichzelf vanwege zijn klachten niet in staat acht om voltijds te werken, vormt op zichzelf geen grond voor het aannemen van een urenbeperking, nu de subjectieve beleving van klachten niet doorslaggevend is bij de vraag welke beperkingen in objectieve zin aanwezig zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer de uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2387) is slechts sprake van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, de in aanmerking komende arbeid niet kan of niet mag verrichten.
Eisers verwijzing naar een andersluidende visie van verzekeringsarts [verzekeringsarts] als reactie op de aanvullende motivering van de verzekeringsarts b&b is, zonder nadere medische onderbouwing, onvoldoende om aan de juistheid van het oordeel van het UWV te twijfelen. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding een onafhankelijke deskundige benoemen.
7. Eiser voert – onder verwijzing naar het rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts] van 12 december 2024 – aan dat de door het UWV geselecteerde functies ongeschikt zijn vanwege de drukke werkomgeving en/of het veelvuldige contact met collega’s en derden. Volgens eiser wordt de functie productieplanner/werkvoorbereider uitgevoerd in een gedeelde kantoortuin en vereist deze alertheid en veel overleg met leveranciers en interne afdelingen. De functie boekhouder/kassier vindt eveneens plaats in een kantoortuin, brengt grote verantwoordelijkheid en zeer nauwkeurig werk met zich mee en omvat tussentijdse vragen van collega’s en telefoontjes van interne en externe klanten. De functie wikkelaar wordt uitgevoerd in een ruime productiehal met diverse werkplekken en machines.
Eisers standpunt dat hij deze functies niet kan verrichten, berust vooral op zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Voor die conclusie bestaat, gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak en het voorgaande, geen aanleiding. Indien en voor zover eiser betoogt dat de vertaalslag van de FML van 10 mei 2023 naar de geselecteerde functies onjuist is wat betreft de daarin vereiste contacten, overweegt de rechtbank dat in de FML onder 2.12.1 is opgenomen dat eiser is aangewezen op werk met weinig of geen rechtstreeks klantcontact, maar dat oppervlakkige en/of kortdurende klantcontacten wel mogelijk zijn. Uit de functieomschrijvingen blijkt niet dat daarin sprake is van méér dan dergelijke oppervlakkige of kortdurende contacten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de FML onder 2.8 is vermeld dat eiser kan omgaan met conflicten met agressieve of onredelijke personen wanneer deze telefonisch of schriftelijk plaatsvinden.
Gezien het voorgaande konden de door het UWV geduide voorbeeldfuncties worden gebruikt voor de berekening van eisers mate van arbeidsongeschiktheid. Op basis van de inkomsten die eiser met deze functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt waaruit volgt dat hij per 29 januari 2023 voor 43,88% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd, mocht het UWV van dit percentage uitgaan. Dit betekent dat het UWV zijn WIA-uitkering per 6 maart 2024 terecht heeft omgezet in een WGA-vervolguitkering met een uitkeringspercentage van 28% van het minimumloon.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Omdat het UWV het gebrek in zijn reactie op de tussenuitspraak heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder komt eiser in aanmerking voor vergoeding van zijn reiskosten in verband met de zitting. De rechtbank stelt die kosten vast op de kosten van openbaar vervoer, en deze bedragen € 8,32. In totaal wordt een bedrag van € 2.343,32 toegekend.
Vergoeding deskundigenonderzoek
10. Eiser heeft verzocht om vergoeding van deskundigenkosten tot een bedrag van € 1.900,01. Ter onderbouwing heeft hij het proceskostenformulier, een ongedateerde declaratie en een factuur van 3 februari 2025 van [medisch adviesbureau] overgelegd. Bij brief van 28 januari 2026 heeft de rechtbank eiser verzocht deze stukken nader toe te lichten, en daarbij in ieder geval uiteen te zetten op welke concrete werkzaamheden de opgevoerde kosten betrekking hebben, hoeveel tijd per afzonderlijke werkzaamheid is besteed en welk uurtarief daarbij is gehanteerd. Verder is eiser gevraagd om een nadere onderbouwing van de gehanteerde uurtarieven van € 223,86 en € 190,-. Bij brief van 4 februari 2026 heeft eisers gemachtigde een nadere toelichting verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt, en overweegt daartoe als volgt.
10.1.
Ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht komen kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking indien het inschakelen van die deskundige redelijk was en de kosten zelf redelijk zijn. Van redelijkheid van het inschakelen is sprake indien eiser ten tijde daarvan ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan de beantwoording van voor de uitkomst van het geschil relevante vragen. De rechtbank is van oordeel dat aan deze maatstaf is voldaan.
10.2.
In de nadere toelichting van eisers gemachtigde is opgenomen dat op 3 september 2024 een medisch advies is uitgebracht, waarvoor 4 uur in rekening is gebracht tegen een uurtarief van € 190,-. Verder heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden, dat is verwerkt in een rapport van 12 december 2024, waarvoor 3,5 uur in rekening is gebracht tegen een uurtarief van € 223,86. Daarnaast is een bedrag van € 191,96 gedeclareerd voor nader overleg, zonder nadere specificatie.
10.3.
De rechtbank acht de verrichte werkzaamheden en de daarmee gemoeide tijdsbesteding van in totaal 7,5 uur redelijk. Het bedrag van € 191,96 komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat dit bedrag niet nader is onderbouwd of gespecificeerd. De gehanteerde uurtarieven acht de rechtbank niet redelijk. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), gelezen in samenhang met artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts), bedraagt het maximale uurtarief in 2024 namelijk € 154,50 (exclusief btw). Eiser heeft geen toereikende onderbouwing gegeven voor overschrijding van dit tarief. De rechtbank gaat daarom uit van het maximale uurtarief zoals opgenomen in het Bts.
10.4.
De rechtbank stelt de vergoeding voor deskundigenkosten op basis van het voorgaande vast op € 1.158,75 (7,5 uur × € 154,50). In artikel 15 van het Bts is bepaald dat de daarin genoemde bedragen worden verhoogd met 21% omzetbelasting (btw) die daarover is verschuldigd. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 1.402,09. Eisers verzoek om vergoeding van de deskundigenkosten wordt voor het overige afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op om het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in eisers proceskosten tot een bedrag van € 2.343,32;
- veroordeelt het UWV tot vergoeding van de kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige tot een bedrag van € 1.402,09, en wijst het meer verzochte af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 9 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|