|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:3001 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 22-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/4120 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Omgevingsvergunning Wabo, gebruik gronden en bouwwerken voor houden van paarden, hobbymatig gebruik, ondergeschikte wijziging, goede ruimtelijke ordening, stankoverlast, beroep ongegrond | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4120
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. G.T. van de Weerdt),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2] (de vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. A. Groenewoud).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden en bouwwerken voor het houden van paarden op de [locatie] (het perceel). Het college heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en de omgevingsvergunning blijft dus in stand. Omdat de rechtbank toepassing geeft aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toepast, ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen het griffierecht aan eiser te vergoeden. De rechtbank zal het college om diezelfde reden veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 16 oktober 2023 heeft de vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van de gronden en de bouwwerken voor het houden van paarden op het perceel.
2.1.
Met het besluit van 4 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning.
2.3.
Bij besluit van 8 juli 2025 (hierna: het bestreden besluit I) is het bezwaar van eiser gegrond verklaard, omdat er een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure waar dit met de (uitgebreide) uniforme openbare voorbereidingsprocedure (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht) had moeten gebeuren. Het college heeft het primaire besluit herroepen.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
2.5.
Nadat eiser beroep heeft ingesteld, heeft het college met het besluit van 23 december 2025 (hierna: het bestreden besluit II) een nieuwe omgevingsvergunning verleend met toepassing van de (uitgebreide) uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Eiser heeft hiertegen aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.6.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [vertegenwoordiger college] namens het college, de vergunninghouder en de gemachtigde van de vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
3. Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven dat de grond met betrekking tot de proceskostenvergoeding in bezwaar wordt ingetrokken. De rechtbank zal die grond daarom niet inhoudelijk beoordelen.
Art. 6:19 Awb
4. Nadat eiser de rechtbank heeft gewezen op het bestaan van de nieuwe omgevingsvergunning, heeft de rechtbank partijen bericht dat op grond van artikel 6:19 van de Awb het beroep ook is gericht tegen het bestreden besluit II. Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het bestreden besluit I was incompleet. Met het bestreden besluit II is er sprake van een complete beslissing op bezwaar. Daardoor heeft eiser voldoende belang bij een gecombineerde behandeling van het beroep. De rechtbank zal aan de hand van de aangevoerde gronden beoordelen of de betwiste omgevingsvergunning, nadat deze compleet is geworden met het bestreden besluit II, op goede gronden is verleend.
De omgevingsvergunning
5. Vergunninghouder houdt 12 paarden op het perceel. De paarden worden gehuisvest binnen een bijgebouw dat binnen de woonbestemming is gesitueerd. Op het perceel is het [bestemmingsplan] ” van toepassing. In dat bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming “Wonen, dubbelbestemming “Waarde-Archeologie” en “Agrarisch met waarden -Landschapswaarden” toegekend. Het gebruiken van het perceel voor het houden van paarden is niet toegestaan binnen die bestemming.
5.1.
De omgevingsvergunning ziet op het afwijken van het [bestemmingsplan] ” (hierna: het bestemmingsplan). Uit het bestreden besluit II blijkt dat het college toestemming heeft verleend voor het gebruiken van de gronden en de bouwwerken voor het houden van paarden op het perceel. Uit het bestreden besluit volgt dat het college voor de afwijking toestemming heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens het college blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat die afwijking van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Wettelijk kader
6. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wabo. Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het oude recht van toepassing blijft.
6.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De beroepsgronden
7. Eiser heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet had mogen verlenen. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van procedurele gebreken in de bezwaarfase. Daarnaast betwist eiser dat het plan bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening en dat het voorzien is van een goede ruimtelijke onderbouwing.
Is er sprake van een procedurele gebreken?
8. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord. Daarnaast stelt eiser dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid: enerzijds wordt gesteld dat geen advies bij de Adviescommissie is ingewonnen, anderzijds wordt vermeld dat is besloten om het bezwaar in overeenstemming met het advies gegrond te verklaren.
8.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiser met het bestreden besluit I gegrond is verklaard, omdat er een omgevingsvergunning was verleend met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure waar dit met de (uitgebreide) uniforme openbare voorbereidingsprocedure (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht) had moeten gebeuren. Met het bestreden besluit II is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser. Met betrekking tot het hoorrecht heeft het college een e-mail overgelegd waarin eiser afziet van een hoorzitting.
8.2.
De rechtbank overweegt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaar mondeling toe te lichten, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Evenmin heeft eiser nadien kenbaar gemaakt alsnog gebruik te willen maken van zijn hoorrecht. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het college heeft voldaan aan zijn hoorplicht zoals opgenomen in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Van een gebrek op dit punt is dan ook geen sprake. Ten aanzien van de gestelde onzorgvuldigheid overweegt de rechtbank dat het college afdoende heeft toegelicht dat de verwijzing naar een advies van de Adviescommissie berust op een kennelijke verschrijving.
8.3.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eiser niet.
Is er sprake van een ondergeschikte wijziging?
9. Eiser heeft aangevoerd dat het woord ‘paardenhouderij’ in de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit zonder toelichting is verdwenen. Volgens eiser is in het ontwerpbesluit opgenomen dat er gelet op het aantal paarden geen sprake is van hobbymatig gebruik. In het bestreden besluit is vervolgens opgenomen dat er sprake is van hobbymatig gebruik conform de ruimtelijke onderbouwing. Volgens eiser is daarmee sprake van een niet ondergeschikte wijziging, zodat het ontwerpbesluit opnieuw ter inzage had moeten worden gelegd. Ter zitting heeft eiser er voorts op gewezen dat in het inpassingsplan, dat onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning, wordt gesproken van een ‘paardenhouderij’.
9.1.
Het college voert aan dat het woord ‘paardenhouderij’ is aangepast omdat deze omschrijving niet past bij hoe vergunninghouder de gronden gebruikt. De inrichting van het perceel is afgestemd op de manier waarop de paarden worden gehouden. Het college heeft meegewogen dat de locatie ruimtelijk en functioneel passend is voor het beoogde gebruik.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag is gebaseerd op het houden van 12 paarden. De paarden worden gehuisvest binnen een bijgebouw dat binnen de woonbestemming is gesitueerd. Materieel bezien wijkt het bestreden besluit daarmee niet af van het ontwerpbesluit. Van een wezenlijke verandering is geen sprake. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangebrachte verduidelijking mede voortvloeit uit de door eiser ingediende zienswijze.
Volgens vaste rechtspraak kan een bestuursorgaan tot de conclusie komen dat een besluit moet worden genomen dat afwijkt van het ontwerpbesluit. Er geldt dan geen verplichting om een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen voordat het bestuursorgaan een definitief besluit neemt. Belanghebbenden die bezwaar hebben tegen de in een definitief besluit ten opzichte van het ontwerpbesluit aangebrachte wijzigingen kunnen tegen het definitieve besluit beroep instellen.
9.3.
Wel volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat ook in het inpassingsplan, dat onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning, ten onrechte nog steeds wordt gesproken van een ‘paardenhouderij’. Dit brengt mee dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De rechtbank ziet evenwel aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daarbij is van belang dat het bestreden besluit materieel niet afwijkt van het ontwerpbesluit, zodat niet aannemelijk is dat eiser door de onjuiste vermelding in het inpassingsplan in zijn belangen is geschaad.
9.4.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eiser niet.
Is er sprake van een goede ruimtelijke ordening?
10. Eiser heeft aangevoerd dat het verlenen van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Meer specifiek is in geschil of het initiatief al dan niet zal leiden tot onaanvaardbare stankoverlast voor eiser. Eiser bestrijdt daarnaast dat het houden van de paarden hobbymatig is en stelt dat er bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden.
10.1.
Het college was alleen bevoegd om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo, wanneer de activiteit niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Volgens de wetsgeschiedenis was sprake van een goede ruimtelijke ordening, wanneer zo gunstig mogelijke voorwaarden werden gecreëerd voor het gebruik en de ontwikkeling van een bepaald gebied. Het college diende een belangenafweging te maken van alle betrokken ruimtelijk relevante belangen en diende aan de hand van die belangenafweging vast te stellen wat het een goede ruimtelijke ordening vond: welke ruimtelijk relevante belangen het wilde behartigen ten behoeve van een goed woon-, leef- of verblijfsklimaat. Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan het college toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, kwam het college beleidsruimte toe. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat eiser geen onaanvaardbare stankoverlast zal ervaren en dat het bestreden besluit op dat punt in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat hij de door hem gestelde stankoverlast zal ervaren. De rechtbank laat het beroep van eiser op de relevante milieunormen onbesproken, omdat het hier niet gaat om een inrichting zoals benoemd in de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer.
10.3.
Voorzover eiser beoogt aan te voeren dat het gebruik bedrijfsmatig is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft het gestelde bedrijfsmatige karakter onvoldoende onderbouwd. Uit de aanvraag en de toelichting van vergunninghouder ter zitting blijkt dat de activiteiten een hobbymatig karakter kennen.
10.4.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eiser niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college op goede gronden de omgevingsvergunning heeft verleend.
12. Omdat de rechtbank toepassing geeft aan artikel 6:22 van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.
13. De rechtbank zal het college om diezelfde reden veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van N.A. D'Hoore, griffier op 14 april 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of,
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
ABRvS 24 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:7414, r.o. 9. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|