Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:526 
 
Datum uitspraak:28-01-2026
Datum gepubliceerd:04-02-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 24/2884
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:WOZ woning, cluster-aanpak, aangepast uitspraakmodel, beroepsgronden slagen niet, heffingsambtenaar heeft het gebruik van de wortelformule voldoende aannemelijk gemaakt, beroep ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
ozb
perceel
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/2884


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende]
, uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en


de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.





1Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




2Feiten


2.1.
Belanghebbende is eigenaar van een woning (hierna: de woning). Het adres van de woning is: [adres] te [plaats] .



2.2.
Het is een geschakelde woning (bouwjaar 1986) met een gebruikersoppervlakte van 100 m2. De woning is gelegen op een perceel van 450 m2. De woning heeft twee aanbouwen, twee carports, een aangebouwde garage, drie dakkapellen, twee overkappingen en een buitenzwembad.





3Procesverloop


3.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende de vastgestelde waarde van de woning voor het hierna genoemde belastingjaar:
- Belastingjaar: 2023
- Vastgestelde waarde: € 706.000



3.2.
Belanghebbende heeft de bezwaarfase doorlopen. De uitkomst daarvan is:
- Dictum: Bezwaar ongegrond
- Waarde na bezwaar: € 706.000
- Nevenbeslissingen: Niet van toepassing



3.3.
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.



3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op een zogeheten cluster-zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- Namens de gemachtigde: [naam 1]
- Namens de heffingsambtenaar: [naam 2] en

[naam 3] , taxateur.



3.5.
Tegen de aanslag onroerendezaakbelasting die met de beschikking WOZ samenhangt zijn geen aparte beroepsgronden aangevoerd.



3.6.
De opbouw van deze uitspraak is afgestemd op het karakter van de grotere groep zaken van dezelfde gemachtigde waar dit dossier deel van uitmaakt. Het dossier is wel op zijn eigen merites beoordeeld.





4De gronden voor de beslissing


4.1.
De standpunten van partijen met betrekking tot de waarde zijn als volgt:
- Waarde volgens belanghebbende: lager dan € 706.000
- Waarde volgens de heffingsambtenaar: € 706.000 is niet te hoog



4.2.
Voor het juridisch kader van de beoordeling verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.


Formele beroepsgronden




4.3.
Er zijn geen formele beslispunten in dit dossier.


Materiële beroepsgronden




4.4.
De heffingsambtenaar heeft in beroep een nieuw bewijsmiddel overgelegd: een matrix. Daarin is de woning getaxeerd op een bedrag van € 762.064. Daarop is van de zijde van belanghebbende geen reactie ontvangen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hetgeen in de reactie op de matrix en tijdens de zitting naar voren is gebracht, de eerder ingenomen stellingen overschrijft.


Zijn de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning?




4.5.
Over de keuze van de referentiewoningen bestaat geen geschil meer. De verkoopprijzen van de referentiewoningen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. Daartegen zijn geen beroepsgronden aangevoerd.


4.5.1.
De rechtbank acht de gebruikte referentiewoningen wat betreft uitstraling, ligging, bouwjaar en gebruikersoppervlakte voldoende vergelijkbaar met de woning. De referentiewoningen zijn bovendien voldoende dichtbij de waardepeildatum, namelijk binnen één jaar daarvoor of daarna, verkocht. De rechtbank concludeert dat de referentiewoningen kunnen dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning. De rechtbank ziet ook dat er sprake is van een aantal verschillen tussen de woningen. Of daar door de heffingsambtenaar voldoende rekening mee is gehouden komt hieronder aan de orde.


Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat hij op juiste wijze de marktgegevens heeft omgezet naar een rekengrootheid voor het bepalen van de waarde van de woning?





4.6.
Belanghebbende voert een beroepsgrond aan tegen de berekening van de gemiddelde prijs per vierkante meter. Belanghebbende stelt dat de referentiewoningen aanzienlijk kleiner zijn dan de woning en met toepassing van de wortelformule het verschil in grootte leidt tot een lagere prijs per eenheid voor de woning.


4.6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de taxatiematrix er voldoende blijk van gegeven dat hij rekening heeft gehouden met voorgenoemd verschil. Uit de toelichting op de taxatiematrix ter zitting volgt dat de heffingsambtenaar gebruik heeft gemaakt van de zogenoemde wortelformule om rekening te houden met het afnemend grensnut. De door de heffingsambtenaar gebruikte formule (wortel van de gemiddelde inhoud van de referentiepanden / inhoud van de woning, vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per m3) is gebruikelijk in de taxatieleer. Voor zover de stelling van belanghebbende inhoudt dat de gemeente de wortelformule onjuist heeft toepast, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende dit niet inzichtelijk heeft gemaakt en daarmee ook niet aannemelijk gemaakt. Het enkele betoog dat belanghebbende de toepassing ánders voor zich ziet, maakt niet dat de onderbouwing als geheel de waardebepaling niet kan dragen. Immers, de waardebepaling als geheel ligt ter beoordeling voor.


Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning op juiste wijze is opgebouwd, waardoor de conclusie is gerechtvaardigd dat de waarde niet te hoog is vastgesteld?





4.7.
Tegen de waarde-opbouw van de woning zijn geen beroepsgronden aangevoerd.


Slotsom van de materiële beroepsgronden




4.8.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 niet te hoog vastgesteld.





5Conclusie en gevolgen


5.1.
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten. Dat leidt tot het dictum dat is vermeld in onderdeel 1 van deze uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.












griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.




Bijlage: juridisch kader


Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".

De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.

Een beroep tegen de waardebeschikking is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Het oordeel over de aanslag OZB volgt het oordeel over de waarde van de woning. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.



Artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).


De heffingsambtenaar heeft in beroep twee maal een matrix overgelegd. De tweede matrix is opgemaakt na een inpandige opname. De rechtbank heeft de meest recente matrix in de beoordeling betrokken.


In dit dossier niet van toepassing, omdat na de ontvangst van de 2e matrix geen reactie meer is ontvangen.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2597.


Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
Link naar deze uitspraak