Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:6068 
 
Datum uitspraak:07-07-2026
Datum gepubliceerd:13-07-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/3259 PW VV
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Intrekking bijstandsuitkering vanwege het niet melden van een gezamenlijke huishouding. Geen sprake van stelselmatige observaties.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
levensonderhoud
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/3259 PW VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),

en


het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant (Werkplein), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).


Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over intrekking van verzoeksters uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.


1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 juni 2026 heeft Werkplein de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 25 maart 2026 beëindigd (de voorzieningenrechter leest: ingetrokken). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.


2.1.
Werkplein heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en namens Werkplein zijn gemachtigde en [vertegenwoordiger] .









Beoordeling door de voorzieningenrechter


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verzoekster ontving met ingang van 20 september 2022 van Werkplein een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Verzoekster heeft twee kinderen. [biologische vader] is de biologische vader van deze kinderen.


3.1
In maart 2026 heeft Werkplein een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van verzoekster. De bijstandsuitkering van verzoekster is vanaf mei 2026 niet betaalbaar gesteld/geblokkeerd.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hangende het bezwaar aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



3.2
Met het bestreden besluit van 15 juni 2026 heeft Werkplein de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 25 maart 2026 ingetrokken. Volgens Werkplein voert verzoekster een gezamenlijke huishouding met [biologische vader] en heeft zij daarvan in strijd met de inlichtingenplicht geen melding gemaakt.

Verzoekster heeft verzocht om het verzoek om voorlopige voorziening te beschouwen als te zijn gericht tegen dit besluit.


Verzoek

4. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Doordat zij geen bijstandsuitkering meer heeft kan zij niet meer voorzien in haar levensonderhoud en is er sprake van een financiële noodsituatie.



4.1
Verzoekster betwist niet dat er in de hier te beoordelen periode voldoende bewijs is voor hoofdverblijf van haar en [biologische vader] in dezelfde woning en daarmee een gezamenlijke huishouding maar voert aan dat dit bewijs onrechtmatig verkregen is en dus door Werkplein niet mag worden gebruikt.



4.2
De waarnemingen die Werkplein heeft verricht dienen te worden aangemerkt als stelselmatige observaties, gelet op de frequentie, duur en intensiteit daarvan, maar ook omdat via de ramen in de woning is geobserveerd. Hiermee is min of meer een bepaald aspect van verzoeksters persoonlijk leven in kaart gebracht. Deze onrechtmatig verkregen waarnemingsbevindingen mogen dan ook niet bij de bewijsvoering worden gebruikt.



4.3
Dit maakt volgens verzoekster dat haar bekennende verklaring eveneens onrechtmatig is verkregen en niet als bewijs kan dienen. Er bestaat immers een direct causaal verband tussen de observatiebevindingen, het stellen van vragen aan verzoekster waarbij de observaties zijn voorgehouden en haar verklaring. De verklaring van verzoekster is dan ook evident onlosmakelijk verbonden met de onrechtmatige observaties, waardoor deze verklaring moet worden aangemerkt als 'verboden vrucht'.



4.4
Als de observaties en de verklaring van verzoekster niet mogen worden gebruikt als bewijs heeft Werkplein onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat de inlichtingenplicht is geschonden door het niet melden daarvan.

Verweer

5. Werkplein betwist dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening. Verzoekster stelt dat zij haar vaste lasten niet kan voldoen maar heeft dat niet onderbouwd. Daarnaast heeft [biologische vader] verklaard inkomsten te hebben en te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin. Volgens Werkplein is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie die een voorlopige voorziening rechtvaardigt.



5.1
Werkplein stelt dat geen sprake is geweest van stelselmatige observaties, dan wel dat dit niet dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Daarnaast heeft Werkplein gesteld dat verzoekster zelf heeft verklaard dat zij samenwoont met [biologische vader] . Deze verklaring heeft [biologische vader] bevestigd. Werkplein stelt van deze verklaringen te hebben mogen uitgaan. Het bestreden besluit is dus niet alleen gebaseerd op de waarnemingen.



5.2
Verzoekster en [biologische vader] zijn ouders van twee kinderen. Nu verzoekster heeft verklaard dat [biologische vader] bij haar woont is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW en van een gezamenlijke huishouding.



5.3
Verzoekster heeft hiervan geen melding gemaakt bij Werkplein. Werkplein meent dan ook verzoeksters bijstandsuitkering terecht te hebben ingetrokken.



5.4
Verder zou toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening neerkomen op het alsnog verstrekken van bijstand terwijl uit de verklaringen van verzoekster en [biologische vader] volgt dat sinds januari 2026 geen aanspraak meer bestond op bijstand (naar de norm voor een alleenstaande). De belangenafweging dient dan ook in het voordeel van Werkplein uit te vallen.


Juridisch kader

6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Oordeel van de voorzieningenrechter

7. Alhoewel er twijfel bestaat bij het spoedeisend belang geeft de voorzieningenrechter verzoekster het voordeel van de twijfel en neemt een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening aan.



7.1
De vraag die voorligt is of de verwachting bestaat dat het bestreden besluit, waarbij verzoeksters bijstandsuitkering met ingang van 25 maart 2026 is ingetrokken, in bezwaar standhoudt. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord kan er aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen.

De te beoordelen periode loopt van 25 maart 2026 (ingangsdatum intrekking) tot en met
15 juni 2026 (datum bestreden besluit).



7.2
Werkplein heeft verzoeksters uitkering ingetrokken omdat zij met [biologische vader] een gezamenlijke huishouding voert en daarvan geen mededeling heeft gedaan. Werkplein heeft dit besluit gebaseerd op de rapportage van [rapporteur] van 10 juni 2026.


[rapporteur] concludeert op basis van waarnemingen en de eigen verklaring van verzoekster dat sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning en daarmee van een gezamenlijke huishouding.



7.3
Er is sprake van een gezamenlijke huishouding als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.


Waarnemingen



7.4
Uit de rapportage van [rapporteur] blijkt dat in de periode van 25 maart 2026 tot en met 5 mei 2026 41 waarnemingen zijn verricht. Daarbij is 27 keer de auto van [biologische vader] bij verzoeksters appartement gezien, ook in de ochtend als de auto beslagen was. In de periode van 19 mei tot en met 29 mei 2026 zijn er 11 waarnemingen geweest. Daarbij is iedere keer de auto van [biologische vader] gezien. Tijdens een aantal van deze waarnemingen is ook gezien dat [biologische vader] de woning van verzoekster betrad dan wel verliet en zijn verzoekster en [biologische vader] in de keuken van de woning gezien. Verder zijn er volgens de rapportage op 5, 7, 8 en 9 juni 2026 waarnemingen geweest. Daarbij is de auto van [biologische vader] 3 keer gezien.



7.5
Vaststaat dat deze waarnemingen een inbreuk vormen op het recht op respect voor het privéleven van verzoekster, zoals beschermd op grond van artikel 8 van het EVRM. In geschil is of de inbreuk een gerechtvaardigde inmenging in het privéleven van verzoekster was.

Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat een bijstand-verlenende instantie bij de uitvoering van een onderzoek naar het recht op bijstand van een betrokkene waarnemingen mag verrichten, voor zover dat in de gegeven situatie en gelet op de bekende feiten en omstandigheden noodzakelijk is en deze waarnemingen niet een min of meer compleet beeld geven van een bepaald aspect van het persoonlijk leven van de betrokkene.

Uit rechtspraak volgt verder dat er in ieder geval sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs als het gaat om inzet van technische hulpmiddelen (een peilbaken of camera), eventueel in combinatie met waarnemingen gedurende een aantal uren achtereen en een achtervolging.



7.6
Op zitting heeft Werkplein aan de hand van een kaart toegelicht dat de waarnemingen door het raam van de keuken van verzoeksters woning, die zich op de eerste verdieping bevindt, van een grote afstand zijn verricht, namelijk vanaf een brandgang aan de overkant van de weg. De soms langere duur van de waarnemingen zijn het gevolg van het feit dat er niet altijd een patroon zat in wanneer [biologische vader] de woning verliet. Er werd gewacht of [biologische vader] werd gezien bij het verlaten van de woning. Soms duurde dat langer. Verder heeft Werkplein op zitting uitgelegd dat er na het afleggen van de verklaring door verzoekster in juni 2026 ook nog een aantal waarnemingen zijn geweest om te kunnen vaststellen of de situatie is veranderd nadat verzoekster kennis had gekregen van de onderzoeksbevindingen.



7.7
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat er weliswaar sprake is van een relatief groot aantal waarnemingen maar dat van stelselmatige observaties geen sprake is geweest. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat de waarnemingen vanaf de openbare weg plaatsvonden, meestal kortdurend waren en vooral gericht waren op aanwezigheid van de auto van [biologische vader] . Techniche hulpmiddelen zijn niet ingezet. Verder vindt de voorzieningenrechter door Werkplein afdoende toegelicht waarom er in juni 2026 nog meer waarnemingen zijn geweest. De aard en de inzet van de waarnemingen vormden naar het oordeel van de voorzieningenrechter een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van verzoekster. Werkplein mocht daarom die waarnemingen en de eigen verklaring van verzoekster betrekken in zijn onderzoek en de beoordeling of sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf.


Verklaring



7.8
Verzoekster heeft, geconfronteerd met de waarnemingen, verklaart: ' [persoon] blijft sinds 4 of 5 januari 2026 elke nacht bij mij op mijn adres (…) slapen. Dit omdat hij op het moment geen woonruimte heeft. [persoon] heeft wel een auto. (...) Als de auto van [persoon] bij mijn appartement staat is hij meestal bij mij. Hij woont dan wel bij mij maar hij gaat wel eens te voet weg. Het klopt dat [persoon] vanuit mijn appartement naar zijn werk gaat en dat hij na zijn werk weer bij mij in mijn appartement terugkomt.'



7.9
Tussen partijen is niet in geschil dat deze verklaring en de waarnemingen voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat [biologische vader] over de te beoordelen periode hoofdverblijf had bij verzoekster. Gelet op het rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is daarmee sprake van een gezamenlijke huishouding. Door hiervan aan Werkplein geen mededeling te doen heeft verzoekster de inlichtingenplicht geschonden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was Werkplein dan ook gehouden om verzoeksters bijstandsuitkering in te trekken.



7.10
De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat de verwachting bestaat dat het bestreden besluit in bezwaar standhoudt. Zij ziet dan ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en zal het verzoek daartoe afwijzen.




Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


8.1
Omdat het verzoek wordt afgewezen heeft verzoekster geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.






Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 7 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.





Juridisch kader


Participatiewet


Artikel 3
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand met elkaar gehuwd zijn geweest of voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 53a.
1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan en de arbeidsinschakeling door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. (…)
6. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.
Artikel 54
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.




uitspraken van de CRvB van 15 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:947), 13 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3479) en 15 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2807)
Link naar deze uitspraak