|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:617 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 11961322 - AZ VERZ 25-57 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Ontbinding op de h- en d- grond wordt afgewezen. Niet gebleken van een onoplosbaar verschil van inzicht en/of disfunctioneren. Wel een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Aan werknemer wordt, naast een transitievergoeding, een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Ook moet de werkgever een passende regeling treffen, zoals beschreven in de toepasselijke Cao Gemeenten. | | Trefwoorden | : | aow | | | arbeidsovereenkomst | | | uitkering | | | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | ssRECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11961322 \ AZ VERZ 25-57
Beschikking van 3 februari 2026
in de zaak van
DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON GEMEENTE MIDDELBURG,
te Middelburg,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de gemeente ,
gemachtigde: mr. J.J. Blanken en mr. V. Stavleu ,
tegen
[verweerder]
,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. K.F.A.M. Weijling .
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de gemeente om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan [verweerder] wordt, naast een transitievergoeding, een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de gemeente . Ook moet de gemeente een passende regeling treffen voor [verweerder] , zoals dat is beschreven in de Cao.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties,
het verweerschrift met producties,
de aanvullende producties 35 tot en met 41 van de gemeente ,
de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[verweerder] , geboren op [geboortedag] 1962, is sinds 1 januari 2007 in dienst bij de gemeente . De functie van [verweerder] is [functie 1] / [functie 2] met een loon van € 12.245,96 bruto per maand (inclusief emolumenten).
2.2.
In de ‘Organisatieverordening gemeente Middelburg 2016’ is bepaald dat het dagelijks beheer van de ambtelijke organisatie is opgedragen aan de [functie 1] . Verder is bepaald dat de [functie 1] tevens [functie 2] is van de organisatie.
2.3.
Bij de start van de bestuursperiode in 2022 is zowel door het college als het managementteam geconstateerd dat het wenselijk is dat de ambtelijke organisatie als geheel tegen het licht zou worden gehouden. In opdracht van [verweerder] is adviesbureau Rijnconsult ingeschakeld. Aan dit bureau is de volgende vraag voorgelegd: “In hoeverre sluit de inrichting en aansturing van de organisatie nog aan op de omvang van de organisatie en de opgaven waar de gemeente voor staat?”
2.4.
Op 14 juli 2023 heeft Rijnconsult een adviesrapportage opgesteld. Zij heeft onder meer geconstateerd dat de rol en de bevoegdheid van de coördinator/senior onduidelijk is en dat de taken van de [functie 1] en de afdelingshoofden fors zijn. De afdelingshoofden komen te weinig toe aan taken als strategisch sturen, omgevingsmanagement en personele taken. De inrichting van de gemeente is volgens haar ook moeilijk opschaalbaar.
Rijnconsult schetst twee scenario’s waarin de organisatie volgens haar wel toekomstbestendig zal zijn.
2.5.
In december 2023 is het advies voorgelegd aan P&O. P&O adviseerde kort gezegd om zorgvuldig toe te groeien naar het tweede scenario uit het adviesrapport met één directeur, vier of vijf domeinmanagers en een laag teamleiders.
2.6.
In januari 2024 hebben de afdelingshoofden een advies gegeven over de taakverdeling van de afdelingshoofden, strategisch adviseurs en coördinatoren. Zij hebben geadviseerd om de bestaande situatie van eenhoofdige leiding in de persoon van de [functie 1] / [functie 2] te bestendigen met het
creëren van voldoende ruimte binnen de functie van afdelingshoofd voor externe
vertegenwoordiging, externe oriëntatie en strategievorming.
2.7.
[wethouder] heeft P&O in haar portefeuille. Zij heeft op 5 februari 2024 een brief opgesteld waarin zij heeft aangegeven welke punten het college van belang vindt. De brief diende als bespreekstuk voor de volgende vergadering van het college.
2.8.
Op 13 februari 2024 heeft [verweerder] een principebesluit genomen. Dit besluit hield in dat de in 2018 ingevoerde platte organisatiestructuur in stand zou worden gelaten en dat er geen nieuwe laag met leidinggevenden zou worden toegevoegd. Ook zou de eenhoofdige leiding van de [functie 1] / [functie 2] in stand worden gelaten.
2.9.
Op 18 april 2024 heeft de OR geadviseerd om nog geen besluit te nemen over de hoofdstructuur maar om eerst het voorstel van een aan te stellen projectgroep af te wachten.
2.10.
In mei 2024 heeft [verweerder] zijn principebesluit omgezet in een definitief besluit. Daarnaast heeft hij opdracht gegeven aan een projectgroep om de volgende zaken te onderzoeken en met een voorstel te komen:“a. Voorstel voor de invulling van:I. Het takenpakket van afdelingshoofdenII. Het takenpakket van coördinatorenIII. Het takenpakket van strategisch adviseurs (inclusief hun positie)IV. Overlegstructuur MTWaarbij er nadrukkelijk aandacht is voor betere externe oriëntatie envertegenwoordiging, bestuurlijke sensitiviteit (de structuurkant daarvan), eenduidigesturing en meer ruimte voor strategie- en visievorming. Ook is er aandacht voor hetverminderen van de administratieve last bij afdelingshoofden.b. Evenwichtige verdeling organisatie eenheden / afdelingen.”
2.11.
Op 26 maart 2025 heeft [verweerder] een principebesluit genomen over de evenwichtige verdeling van afdelingen. Dit besluit hield in dat de organisatie verdeeld zou blijven over tien afdelingen, waarbij wordt voortgebouwd op de bestaande organisatie-inrichting. De afdelingen zouden volgens [verweerder] logischer en evenwichtiger worden verdeeld.
2.12.
Op 14 mei 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen het college en Rijnconsult. Hierin is – kort gezegd – geconcludeerd dat het organisatieontwikkeltraject onvoldoende heeft voorzien in de bestuurlijke behoefte. Rijnconsult heeft onder meer de volgende conclusies getrokken uit het gesprek:
Het college vindt de reflecties verhelderend. Dat het ontwikkelperspectief lijkt te verdwijnen gedurende het proces wordt getypeerd als exemplarisch voor de planvorming en besluitvorming in [plaats] .
Voor het college is het tevens verhelderend dat er in het besluit van de [functie 1] op een aantal elementaire onderdelen van het Rijnconsult-advies en het interne advies van de adviseurs P&O is afgeweken.
Uit het gesprek blijkt dat Rijnconsult en de [functie 1] op een aantal onderdelen een andere visie hebben (o.a. effectiviteit van een eenhoofdige directie, effectiviteit van een breed MT, span of control, effectiviteit van een alternatief model met domeindirecteuren). Dat is ook de verklaring voor de keuze van de [functie 1] om op een aantal onderdelen af te wijken van het advies van Rijnconsult.
2.13.
Op 21 mei 2025 heeft de OR gereageerd op het principebesluit. Zij komt tot het oordeel dat het principebesluit ontoereikend is om de organisatie toekomstbestendig te maken. De OR ziet meer voordelen in het toevoegen van een 11e afdeling dan in het voorliggende principebesluit. De OR heeft geadviseerd om het principebesluit te herzien.
2.14.
Op 28 mei 2025 heeft [wethouder] namens het college een brief gestuurd aan [verweerder] . Hierin heeft zij onder meer het volgende geschreven:
“In het reflectiegesprek dat we op 14 mei 2025 hebben gevoerd onder leiding van Rijnconsult, heeft het college de reflectie meegekregen dat het aan ons als bestuurders is om aan te geven wat we graag zouden willen. Hoe dat gebeurt is aan de [functie 1] / [functie 2] . Om deze reflectie direct toe te passen heb ik getracht om in deze brief nogmaals aan te geven welke wensen het bestuur heeft. (…)
Voor ons is dan ook van groot belang dat er een goede externe oriëntatie van de organisatie, uniforme werkwijze/aansturing van projecten en complexe vraagstukken komt en dat politiek-bestuurlijke sensitiviteit van de organisatie is gewaarborgd. Hierbij verwachten wij als college een goede ondersteuning die er voor zorgt dat we niet als meewerkend voorman/voorvrouw nodig zijn en dat strategisch advies voor ons binnen handbereik is, wanneer wij daarom vragen.
Vele malen hebben we hier de afgelopen jaren over gesproken. In de ‘verwonderpunten’ van waarnemend burgemeester Fränzel zien we ook onze zorgpunten terugkomen. Helaas hebben we de afgelopen periode nog weinig veranderingen gezien. Dit zorgt in toenemende mate voor ongemak bij ons als bestuurders. We vragen ons sterk af of de voorgestelde structuur de door ons aangekaarte problemen gaat oplossen. Zeker omdat volgens het principe-besluit de organisatie niet opschaalbaar is.
Zoals eerder besloten gaan wij in het najaar al evalueren. Juist op bovengenoemde punten willen we dan een ontwikkeling zien.”
2.15.
Op 11 juni 2025 heeft [verweerder] het principebesluit van 26 maart 2025 ongewijzigd omgezet in een definitief besluit.
2.16.
Op 11 juni 2025 heeft [verweerder] ook gereageerd op de brief van [wethouder] van 28 mei 2025. Hij schrijft daarin onder meer het volgende:
“In deze brief geven jullie aan op basis van het voorgenomen besluit over de organisatie-inrichting nog steeds zorgen te hebben over goede externe oriëntatie van de organisatie, uniforme werkwijze/aansturing van projecten en complexe vraagstukken, waarborging van de politiek-bestuurlijke sensitiviteit van de organisatie en goede ondersteuning daarin aan het college.Inmiddels heb ik, na de reactie van de OR, mijn voorgenomen besluit omgezet in een definitief besluit. Met dit besluit denk ik dat wij serieuze stappen zetten in het verbeteren van de aandachtspunten die jullie in de brief benoemen.”
2.17.
Op 4 juli 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen het college en [verweerder] . In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:
“Zoals ik dinsdag in het college heb aangegeven zijn we als wethouders teleurgesteld in jouw reactie op onze brief van eind mei. In het besluit over de invulling van de nieuwe organisatie heb je aangegeven dat je de door ons gemiste bestuurlijke advisering wilt oplossen met hulpstructuren buitenom de nieuwe organisatiestructuur. In jouw brief lezen we daar echter onvoldoende over terug. Dat is de reden dat we hebben aangegeven dat we ons als bestuurders zouden gaan beraden.
(…)
Wij zijn dit traject gestart om de organisatie toekomstbestendig te maken. Rijnconsult heeft bij de start van dit proces uitdrukkelijk als uitgangspunt meegegeven dat een tweede persoon naast jou als GS/AD zal helpen in een betere bestuurlijke ondersteuning voor het college. Wij denken dat door het opvolgen van dit advies voor ons als college, beter wordt gewaarborgd dat we onze bestuurlijke wensen bediend zien worden. Vandaar dat wij besloten hebben dat wij per 1 september, naast jou, in gelijkwaardigheid, een [functie 1] willen plaatsen. (…)
De burgemeester geeft aan dat we een organisatie willen met een tweehoofdige directie. Het college geeft aan dat bij hen niet precies bekend is hoe eea er uit komt te zien, want zij zijn geen organisatieadviseurs. Maar duidelijk is wel dat er een tweehoofdige directie nodig is.”
2.18.
Op 8 juli 2025 heeft de burgemeester namens het college een brief gestuurd aan [verweerder] waarin zij onder meer het voornemen kenbaar heeft gemaakt om een extern onderzoek te laten starten naar de wijze waarop [verweerder] invulling geeft aan zijn functie en zich opstelt jegens het bestuur en andere samenwerkingsrelaties. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek zal het college een nader besluit nemen over de rechtspositie van [verweerder] .
2.19.
Op 22 juli 2025 heeft de gemachtigde van de gemeente aangekondigd dat het externe onderzoek wordt gestart. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het kantoor van de gemachtigde van de gemeente .
2.20.
Op 24 augustus 2025 is aan [verweerder] medegedeeld dat hij met ingang van de volgende dag voor drie maanden wordt geschorst.
2.21.
Op 25 augustus 2025 heeft de gemeente het volgende persbericht naar buiten gebracht:
“Het college heeft de [functie 1] / [functie 2] met ingang van vandaag geschorst. Na een intensieve periode, waarin een onoverbrugbaar verschil van inzicht is ontstaan tussen de [functie 1] en de leden van het college, heeft het college het vertrouwen in de heer [verweerder] als [functie 1] opgezegd.
In de achterliggende weken is er overleg gevoerd hoe om te gaan met de ontstane situatie. Hierover is op dit moment nog geen duidelijkheid over te geven.
De burgemeester en wethouders hebben geen vertrouwen in de heer [verweerder] in een van zijn belangrijke rollen, namelijk als eerste adviseur van het college. Het college wenst de komende weken, waarin de voorbereiding van de begroting 2026 en de afronding van het coalitieakkoord prominente thema’s zijn, te beschikken over een eerste adviseur die haar onvoorwaardelijke vertrouwen heeft.
Daarom zal miv 1 september een waarnemend [functie 1] / [functie 2] worden aangesteld. Het college zal hiertoe in gesprek gaan met de Ondernemingsraad en het Management Team.”
2.22.
Op 4 november 2025 is een rapportage van bevindingen opgesteld in het externe onderzoek betreffende [verweerder] .
3Het verzoek en het verweer
3.1.
De gemeente verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege een onoplosbaar verschil van inzicht, subsidiair vanwege disfunctioneren, meer subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding en uiterst subsidiair vanwege een combinatie van deze gronden.
3.2.
De gemeente stelt dat het huidige college sinds haar aantreden in 2022 problemen heeft ervaren met [verweerder] in zijn rol als eerste adviseur van het college. Daarnaast is er volgens de gemeente een fundamenteel verschil van inzicht ontstaan over de wijze waarop [verweerder] de ambtelijke organisatie leidt. Dit verschil van inzicht is tot uiting gekomen in het kader van de organisatieontwikkeling. [verweerder] heeft de ernst van de kritiek van het college op zijn functioneren miskent en volledig eigenstandig geopereerd. Het college heeft inmiddels het vertrouwen in [verweerder] opgezegd.
3.3.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert – samengevat – aan dat er geen sprake is van een voldragen grond die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om de ontbinding uit te spreken wegens het bestaan van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat de gemeente hem een passende regeling moet aanbieden op grond van artikel 10.22 van de cao. Tenslotte verzoekt hij de toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
h-grond: onoplosbaar verschil van inzicht
4.3.
De gemeente verzoekt primair de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de h-grond. Voor een voldragen h-grond moet de gemeente aannemelijk maken dat er sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit moeten omstandigheden zijn die niet zijn onder te brengen onder één van de andere in de wet genoemde ontslaggronden.
4.4.
Ter onderbouwing van de h-grond heeft de gemeente aangevoerd dat er een zodanig ernstig en onoplosbaar verschil van inzicht met [verweerder] in zijn rol als hoogste ambtelijke functionaris bestaat, dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet van de gemeente gevergd kan worden. Volgens de gemeente heeft [verweerder] ondubbelzinnig laten blijken het niet eens te zijn met de wijze waarop het college de organisatie wenst in te richten en toekomstgericht wil laten ontwikkelen. [verweerder] heeft dit weersproken. Hij stelt zich op het standpunt een zorgvuldig besluitvormingstraject te hebben doorlopen. Hierin zijn meerdere adviezen uitgebracht en gewogen. Hem wordt nu verweten dat hij niet een tweehoofdige directie heeft aangesteld maar dit is volgens [verweerder] nooit aan hem opgedragen. Het gestelde verschil van inzicht gaat volgens [verweerder] in werkelijkheid over de wijze waarop [verweerder] zijn functie uitoefent en samenwerkt met het college. Deze omstandigheden vallen onder de bestaande d- en/of g-grond. Het gaat volgens [verweerder] niet om een zakelijk verschil van inzicht maar om een escalatie in de arbeidsrelatie.
4.5.
Aan het begin van de bestuursperiode van dit college is de vraag opgeworpen of de organisatie voldoende toekomstbestendig was. Om dit te laten onderzoeken heeft [verweerder] het externe adviesbureau Rijnconsult ingeschakeld. Uit het advies van Rijnconsult volgt dat het college bepaalt wat voor organisatiestructuur zij wil en dat het aan [verweerder] als [functie 1] / [functie 2] is om te bepalen hoe aan die wens uitvoering wordt gegeven.
4.6.
De kantonrechter stelt voorop dat de inhoud van de door [verweerder] genomen besluiten niet ter beoordeling voorligt. De kantonrechter hoeft dus niet te beoordelen of [verweerder] een deugdelijk besluit heeft genomen. Beoordeeld moet worden of er tussen de gemeente en [verweerder] een onoplosbaar verschil van inzicht bestaat over de gekozen organisatiestructuur.
4.7.
De gemeente stelt dat van [verweerder] als [functie 1] had mogen worden verwacht dat hij zijn keuzes ter besluitvorming aan het college zou voorleggen. Volgens de gemeente heeft [verweerder] dat niet gedaan maar heeft hij de besluitvorming over de inrichting van de organisatie juist bij zichzelf gehouden. De gemeente stelt dat het college daardoor buiten spel is gezet maar daarin volgt de kantonrechter haar niet. Op 5 februari 2024 heeft [wethouder] aandachtspunten op papier gezet ter bespreking in de collegevergadering. De wethouder heeft aangegeven dat er vier speerpunten zijn (wonen, klimaat & energie, participatie en bewonersinitiatieven). Voor het college stonden deze speerpunten en de daarbij behorende vraag ‘hoe is de organisatie in de toekomst goed georganiseerd om die opgaven te vervullen’ centraal. De wethouder heeft daarbij geschreven dat een aanpassing van de organisatie kan helpen, maar geen doel op zich is. Naast de genoemde speerpunten heeft het college aandacht gevraagd voor een aantal andere punten zoals de aansturing van afdelingen, bestuurlijke sensitiviteit, taakvolwassenheid van medewerkers en de beschikbaarheid van strategisch adviseurs voor het college. Het is dus niet zo dat het college niet is betrokken in het traject. Het college heeft haar wensen kunnen uiten en dit is zelfs besproken in de collegevergadering. [verweerder] heeft echter terecht aangevoerd dat uit deze brief niet kan worden afgeleid dat er binnen het college een voorkeur bestond voor een tweehoofdige directie. Laat staan dat aan [verweerder] de opdracht is gegeven om een tweehoofdige directie in te voeren.
4.8.
[verweerder] heeft ook advies ingewonnen bij P&O, de OR en de afdelingshoofden. Ook uit deze adviezen volgt geen voorkeur voor een tweehoofdige directie. Hoewel [verweerder] niet alle adviezen heeft opgevolgd, blijkt uit zijn principe- en definitieve besluiten wel dat hij de adviezen in zijn besluitvorming heeft betrokken. [verweerder] heeft niet op eigen houtje een besluit genomen zonder dat daar enig draagvlak voor was binnen de organisatie. [verweerder] heeft zijn principebesluiten steeds voorgelegd aan de OR zodat deze daar een mening over kon vormen. De reactie op het principebesluit, heeft [verweerder] vervolgens meegenomen in zijn definitieve besluit. De gemeente stelt dat de principebesluiten slechts ter kennisgeving aan het college zijn voorgelegd maar dat zij daar niet zelf over heeft kunnen beslissen. Dit neemt echter niet weg dat het college wel op de hoogte was van de voorgenomen besluiten van [verweerder] . Zij had na het eerste principebesluit dus kenbaar kunnen (en moeten) maken dat zij – in tegenstelling tot het voornemen van [verweerder] – de voorkeur gaf aan een tweehoofdige directie indien dat het geval was. Dit heeft zij echter niet gedaan. In haar brief van 28 mei 2025 heeft [wethouder] weliswaar de zorg geuit of de voorgestelde structuur de door het college aangekaarte problemen zou oplossen maar ook in die brief is niet aan [verweerder] opgedragen om een tweehoofdige directie aan te stellen.
4.9.
Uit de overgelegde stukken volgt dat [verweerder] de zorgpunten van het college heeft meegewogen in zijn besluitvorming. Hij was van mening dat deze zorgen voldoende gewaarborgd werden in de door hem voorgestane organisatiestructuur. Dat [verweerder] met zijn besluit het gezag van het college heeft ondermijnd en volledig eigenstandig heeft gehandeld, zoals de gemeente heeft betoogd, is niet gebleken. De kantonrechter acht het niet ondenkbaar dat [verweerder] tot een ander besluit zou zijn gekomen indien het college duidelijk had aangegeven dat zij een tweehoofdige directie wilde invoeren. Uit de stukken blijkt echter niet dat de wens van een tweehoofdige directie aan [verweerder] kenbaar is gemaakt. [verweerder] heeft aangevoerd dat dit tot aan het gesprek op 4 juli 2025 ook helemaal niet aan de orde was.
4.10.
De kantonrechter vindt voor de stelling van [verweerder] – dat een tweehoofdige directie tot aan het gesprek op 4 juli 2025 niet aan de orde was – voldoende steun in de overgelegde stukken. Uit die stukken volgt dat het college een groot belang hecht aan goede advisering van het bestuur. Het college heeft zich niet uitgesproken over de wijze waarop dat gewaarborgd zou moeten worden. Ook uit het gespreksverslag van 4 juli 2025 blijkt dat dit het heikele punt is waar het college teleurgesteld over was in de reactie van [verweerder] op de brief van 28 mei 2025. Het college las in die brief onvoldoende terug over de wijze waarop het gemis aan bestuurlijke advisering zou worden opgelost. Het is dus niet zo dat het college persé een tweehoofdige directie wilde, maar zij had er niet meer het vertrouwen in dat haar bestuurlijke wensen nog zouden worden bediend met alleen [verweerder] aan het hoofd. Om die reden heeft het college besloten een [functie 1] te willen plaatsen naast [verweerder] . De reden hiervoor is dus niet zozeer gelegen in een diepgeworteld verschil van inzicht over de wijze waarop de organisatie toekomstbestendig moest worden gemaakt, maar in een ontbrekend vertrouwen in [verweerder] .
4.11.
De gemeente stelt zich nog op het standpunt dat [verweerder] de wens van het college had moeten begrijpen uit de brief van 28 mei 2025. Uit die brief had hij moeten afleiden dat het college een andere organisatiestructuur wenste zodat hij zijn principebesluit had moeten aanpassen. Hierbij miskent de gemeente dat het definitieve besluit over de hoofdstructuur van de organisatie – met een eenhoofdige directie – al in mei 2024 was genomen. Ook als [verweerder] deze brief had moeten opvatten als ‘brandbrief’ zoals de gemeente betoogt, zou dit geen gevolgen hebben gehad voor de hoofdstructuur van de organisatie.
4.12.
Overigens volgt uit de stelling dat [verweerder] deze brief ten onrechte niet heeft opgevat als ‘brandbrief’ niet zozeer een onoplosbaar verschil van inzicht of een ondermijning van het gezag van het college. Dit is een omstandigheid die ziet op de (gestelde) ongeschiktheid van [verweerder] om de bedongen arbeid te verrichten. De stelling van de gemeente komt er feitelijk op neer dat [verweerder] bestuurlijke sensitiviteit mist en signalen niet oppikt. Dit is geen omstandigheid die bijdraagt aan het gestelde verschil van inzicht. Ditzelfde geldt voor het verwijt, dat [verweerder] het college onvoldoende heeft geïnformeerd over haar positie in het traject van de organisatieverandering. Dit betreft het functioneren van [verweerder] in zijn rol als adviseur van het college.
4.13.
Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat daarin ook de oorsprong ligt van de onvrede bij de collegeleden over [verweerder] . Volgens hen vervulde [verweerder] deze rol niet zoals van hem mocht worden verwacht. Het college miste een [functie 1] die haar gevraagd en ongevraagd strategisch adviseerde over de te behalen bestuurlijke doelen en daartoe een intern en vooral extern netwerk benutte. Als voorbeelden daarvan heeft de gemeente genoemd het ontbreken van een gedegen inwerkprogramma voor de wethouders, het niet entameren van het driehoeksoverleg en het ontbreken van strategisch advies in dossiers zoals ‘Zeeland 2025’ en de onderwijshuisvesting. Naar het oordeel van de kantonrechter lopen de onvrede over de adviserende rol en het traject van de organisatieontwikkeling door elkaar heen. Dit alles heeft ertoe geleid dat het college het vertrouwen in [verweerder] als [functie 1] is verloren. De kantonrechter is dan ook met [verweerder] van oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet alleen zien op een verschil van inzicht maar ook (deels) op disfunctioneren (de d-grond) en/of op een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Deze feiten en omstandigheden kunnen niet bijdragen aan een voldragen h-grond. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de
h-grond zal dan ook worden afgewezen.
d-grond: disfunctioneren
4.14.
Subsidiair stelt de gemeente dat [verweerder] ongeschikt is voor de bedongen arbeid. Volgens de gemeente is [verweerder] tekort geschoten in de invulling van zijn rol als [functie 1] en daarmee als eerste adviseur van het college. Dit is hem meermaals meegegeven in de beoordeling van zijn functioneren en het is ook veelvuldig ter sprake gekomen in gesprekken tussen [verweerder] en het college. Het disfunctioneren is volgens de gemeente nog duidelijker zichtbaar geworden in de context van de inrichting van de organisatie. [verweerder] is er meermaals op gewezen dat hij in zijn besluitvorming gehoor moest geven aan de wensen en voorkeuren van het college. Ook dit had [verweerder] in redelijkheid moeten opvatten als kritiek op zijn functioneren.
4.15.
[verweerder] betwist dat hij zijn functie niet naar behoren heeft uitgeoefend. Er is nooit kritiek geuit op zijn functioneren. Alle beoordelingen waren positief. Er zijn weliswaar verbeterpunten genoemd maar zij impliceren niet dat [verweerder] ongeschikt was voor zijn functie.
4.16.
Voordat tot ontbinding op grond van disfunctioneren kan worden overgegaan moet de werkgever de werknemer tijdig in kennis stellen van het feit dat hij niet tevreden is over het functioneren en moet hij de werknemer in de gelegenheid stellen het functioneren te verbeteren. Hiervan is in dit geval geen sprake geweest.
4.17.
De gemeente heeft verslagen in het geding gebracht van de beoordelingsgesprekken die op 26 oktober 2021 en 12 februari 2024 met [verweerder] zijn gehouden. De beoordelingsformulieren die daarbij zijn gebruikt bevatten vijf onderdelen. Aan elk onderdeel wordt een score toegekend waarbij de A-score, de hoogst haalbare score is.
In de beoordeling van 26 oktober 2021 is voor drie onderdelen de A-score toegekend aan [verweerder] . Op de onderdelen ‘kwantiteit’ en ‘taakopvatting’ heeft [verweerder] een B-score behaald. Een B-score betekent dat een werknemer (ruim)voldoende functioneert. De eindbeoordeling is gekwalificeerd met een A-score. In de toelichting op deze score is het volgende geschreven: “De organisatie is platter geworden en werkt nu met een éénhoofdige directie. Hierin heeft hij duidelijk zijn positie neergezet. [verweerder] is een constante factor in de organisatie en het college. Dit wordt gewaardeerd. Daarnaast is het belangrijk jezelf op een proactieve manier blijvend te monitoren en uit te dagen in de werkzaamheden. Dit geven wij dan ook mee als aandachtspunt.”
In de beoordeling van 12 februari 2024 is aan [verweerder] op dezelfde drie onderdelen een A-score en op dezelfde twee onderdelen een B-score toegekend. Ook in 2024 is de eindbeoordeling gekwalificeerd met een A-score. De toelichting op de eindscore is op de eerste zin na bijna woordelijk overgenomen uit het eerdere beoordelingsformulier.
4.18.
Hoewel aan [verweerder] is meegegeven dat hij zich meer proactief zou kunnen opstellen, is uit de beoordelingen op geen enkele wijze op te maken dat [verweerder] zou disfunctioneren. Anders dan de gemeente heeft betoogd, hoefde [verweerder] dit ook niet op te maken uit de beoordelingsverslagen. De gemeente heeft nog aangevoerd dat bij de tweede beoordeling de input van de informanten buiten beschouwing zou zijn gelaten, maar dit doet niets af aan het feit dat [verweerder] is beoordeeld met de hoogst haalbare score. Voor zover de informanten kritiek zouden hebben geuit op het functioneren van [verweerder] , is dit dus kennelijk niet met hem besproken in het beoordelingsgesprek en heeft dit de beoordeling ook niet beïnvloed.
4.19.
Gelet op de positieve beoordelingen moet ervan uit worden gegaan dat [verweerder] tot het moment van de laatste beoordeling in februari 2024 goed heeft gefunctioneerd. Dit strookt dus niet met de stelling van de gemeente dat de collegeleden al sinds het begin van de huidige bestuursperiode (die is gestart in 2022) problemen ervaren met de adviserende rol van [verweerder] .
4.20.
Voor zover er inmiddels wel sprake zou zijn van disfunctioneren, kan dit alleen zien op de periode na het laatste beoordelingsgesprek. De burgemeester heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat alle vier de wethouders op enig moment voor zichzelf hebben besloten dat de situatie niet meer werkbaar was. Hoewel de gemeente stelt dat dit meerdere keren is besproken met [verweerder] , is niet gebleken dat de wethouders op een eerder moment dan het gesprek op 4 juli 2025 al een-op-een aan [verweerder] kenbaar hadden gemaakt dat zij een probleem ervoeren in de samenwerking. Er zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit volgt dat met [verweerder] is gesproken over zijn functioneren sinds het laatste beoordelingsgesprek. Voor zover [verweerder] is tekortgeschoten in zijn rol als adviseur van het college dan wel in zijn rol in het organisatieontwikkelingstraject, had van de gemeente mogen worden verwacht dat zij dit met hem zou bespreken en dit ook schriftelijk zou vastleggen. Het is onvoldoende om te stellen dat [verweerder] uit de brief van 28 mei 2025 had moeten afleiden dat zijn functioneren niet voldeed aan de verwachtingen.
4.21.
Bovendien is niet gebleken dat aan [verweerder] ondersteuning en/of begeleiding is geboden om tot de gewenste verbetering te komen. Voor zover [verweerder] zijn werkzaamheden niet naar behoren zou hebben uitgevoerd – hetgeen dus niet is komen vast te staan – had het op de weg van de gemeente gelegen om [verweerder] in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren. Nu ook dit niet is gebeurd, bestaat er geen grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren. Het verzoek hiertoe zal dan ook worden afgewezen.
g-grond: verstoorde arbeidsverhouding
4.22.
Het is de kantonrechter – gelet op het voorgaande – gebleken dat de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels ernstig en duurzaam is verstoord. De collegeleden hebben openlijk het vertrouwen in [verweerder] opgezegd en zij zien geen mogelijkheid om dit te herstellen. Gelet op de vertrouwensrelatie die er dient te bestaan tussen het college en de [functie 1] , ziet de kantonrechter niet op welke manier er in de toekomst nog sprake zou kunnen zijn van een vruchtbare samenwerking. Deze omstandigheid rechtvaardigt daarom de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft weliswaar aangevoerd dat er na de gemeenteraadsverkiezingen wellicht een ander college zit, maar dat is geen zekerheid. De kantonrechter kan daarop niet vooruit lopen.
herplaatsing
4.23.
Voordat tot ontbinding van de overeenkomst kan worden overgegaan, dient te worden beoordeeld of herplaatsing binnen een redelijke termijn mogelijk is. De gemeente stelt dat herplaatsing niet in de rede ligt en [verweerder] heeft dit niet weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat herplaatsing niet aan de orde is.
datum van ontbinding
4.24.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.
Bij het bepalen van de ontbindingsdatum moet rekening worden gehouden met de opzegtermijn. Tussen partijen staat vast dat voor de gemeente een opzegtermijn geldt van vier maanden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden bepaald op 1 juli 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (artikel 7:671b lid 9 sub a BW). Omdat naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de gemeente – wat hieronder wordt toegelicht – houdt de kantonrechter bij het vaststellen van de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, geen rekening met de duur van deze procedure.
transitievergoeding
4.25.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding en dat bij de berekening van die vergoeding moet worden uitgegaan van een salaris van € 12.245,96 bruto per maand. Bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2026 bedraagt de transitievergoeding € 79.598,74 bruto. De gemeente zal worden veroordeeld tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder] .
billijke vergoeding en passende regeling
4.26.
De kantonrechter ziet ook aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hiervan is sprake wanneer een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.27.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het college aan het begin van de bestuursperiode nog onervaren was en dat de taken, rollen en verantwoordelijkheden voor het college niet altijd duidelijk waren. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij in deze bestuursperiode – meer dan anders – op is gekomen voor de belangen van de ambtenaren omdat het college veel van hen vroeg en dat niet altijd realistisch was. Het college heeft daartegenover aangevoerd dat zij een adviseur miste die aan haar kant stond. Hieruit blijkt het spanningsveld waarin [verweerder] zijn werkzaamheden moest uitvoeren. Dit hoeft echter niet te leiden tot een vertrouwensbreuk. [verweerder] heeft immers onweersproken aangevoerd dat hij in zijn functie altijd in een spagaat zit tussen het college enerzijds en de ambtelijke organisatie anderzijds. Dit heeft niet eerder tot problemen geleid. Het lag op de weg van de gemeente om [verweerder] erop aan te spreken als zij van mening was dat [verweerder] hierin doorsloeg en hij daardoor zijn rol als adviseur van het college niet naar behoren vervulde. Zoals in het voorgaande is overwogen, komt uit de stukken naar voren dat het gemis van strategisch advies aan het college voor haar ook een belangrijk punt was in het organisatieontwikkelingstraject. In de brief van 28 mei 2025 is weliswaar aangegeven dat het college zich afvroeg of met het principebesluit voldoende werd voldaan aan haar wensen van bestuurlijke advisering, maar in diezelfde brief is uitgesproken dat er na een half jaar een evaluatie zou plaatsvinden.
4.28.
Nadat [verweerder] zijn principebesluit had omgezet in een definitief besluit, is op 4 juli 2025 (voor het eerst) aan hem medegedeeld dat er ernstige kritiek was op zijn houding. In datzelfde gesprek is ook meteen aan [verweerder] medegedeeld dat het college een andere [functie 1] in zijn plaats wilde benoemen. In de praktijk zou dit betekenen dat [verweerder] alleen nog zijn werkzaamheden als [functie 2] zou kunnen uitvoeren. Het takenpakket van [verweerder] zou hierdoor dus in grote mate worden beperkt. Het college ging hiertoe over omdat zij er geen vertrouwen in had dat [verweerder] kon voldoen aan de wensen van het college door vast te houden aan de bestaande organisatiestructuur met alleen [verweerder] aan het hoofd. Het besluit om de eenhoofdige structuur te behouden was echter al in mei 2024 genomen en daar is toen niet op gereageerd door het college. Daarbij valt niet in te zien waarom de aangekondigde evaluatieperiode van een half jaar niet is afgewacht zoals aangekondigd in de brief van 28 mei 2025, maar er op 4 juli 2025 direct voor is gekozen om [verweerder] uit zijn functie van [functie 1] te ontheffen. De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat juist door deze handelwijze de verhoudingen onnodig op scherp zijn gezet.
4.29.
De gemeente verwijt [verweerder] dat hij niet direct heeft ingestemd met een splitsing van zijn functie, maar naar het oordeel van de kantonrechter kan het juist aan de gemeente worden verweten dat zij [verweerder] voor dit voldongen feit heeft gesteld zonder eerst te proberen de vertrouwensband te herstellen. Bovendien heeft ook de nieuwe [functie 1] in het externe onderzoek verklaard dat de splitsing van de functie in die van een [functie 1] en een [functie 2] voor hem niet werkbaar zou zijn. Het is dan ook de vraag in hoeverre hiermee een reële oplossingsrichting werd geboden aan [verweerder] en of van hem kon worden verwacht dat hij daarmee zou instemmen.
4.30.
Na het gesprek op 4 juli 2025 heeft de gemeente geen pogingen willen ondernemen om de vertrouwensbreuk te herstellen. [verweerder] heeft voorgesteld om middels mediation met elkaar in gesprek te gaan maar daar heeft de gemeente niet aan willen meewerken. De gemeente heeft aangestuurd op een vaststellingsovereenkomst en toen [verweerder] daar niet aan wilde meewerken is er een extern onderzoek gestart en is [verweerder] uiteindelijk geschorst. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de gemeente door deze handelwijze een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding laten ontstaan.
4.31.
De gemeente verwijt [verweerder] verder dat hij zich negatief heeft uitgelaten in de media, maar het is de gemeente geweest die het bericht over de schorsing in eerste instantie naar buiten heeft gebracht. Het kan dan niet aan [verweerder] worden tegengeworpen dat hij daarop heeft gereageerd en heeft willen toelichten dat de reden van de schorsing niet is gelegen in frauduleus handelen of grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de inhoud van het persbericht van de gemeente is het immers niet onaannemelijk dat bij derden de indruk kan zijn ontstaan dat dit aan de hand was.
4.32.
Ook heeft de gemeente tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat inmiddels is gebleken dat de door [verweerder] doorgevoerde organisatieontwikkeling grote financiële consequenties blijkt te hebben. In de toelichting op het principebesluit heeft [verweerder] gesteld dat de organisatie inrichting budgetneutraal zou kunnen worden ingevoerd maar dit is volgens de gemeente onjuist gebleken. Inmiddels is gebleken dat voor de organisatieverandering 2,2 miljoen euro nodig is. Dit bedrag zou uiteindelijk kunnen worden gereduceerd tot een bedrag van 1,09 miljoen euro. Hiervoor is geen budget beschikbaar gesteld door de gemeenteraad. Het college is hierdoor overvallen en voor een voldongen feit met grote financiële consequenties geplaatst. [verweerder] heeft weersproken dat zijn besluit deze financiële consequenties heeft. Voor zover de kosten inmiddels zijn opgelopen tot deze bedragen, is dit volgens hem het gevolg van keuzes die zijn gemaakt door zijn opvolger.
4.33.
Het antwoord op de vraag of de huidige kosten al dan niet het gevolg zijn van de door [verweerder] genomen besluiten, kan naar het oordeel van de kantonrechter echter in het midden blijven. De gemeente baseert zich op een nota van 4 december 2025. Deze is dus van na indiening van het ontslagverzoek. De gestelde kostenoverschrijding heeft geen rol gespeeld bij het opzeggen van het vertrouwen in [verweerder] en de wijze waarop de gemeente vervolgens heeft gehandeld. Dit doet dus ook niets af aan het feit dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld waardoor de arbeidsrelatie duurzaam is verstoord.
4.34.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.35.
[verweerder] stelt zich op het standpunt dat hij – zonder de verstoorde arbeidsverhouding – tot aan zijn pensioen bij de gemeente zou hebben gewerkt. Nu dit door toedoen van de gemeente niet meer mogelijk is lijdt hij inkomensschade, bestaande uit loonschade en pensioenschade. [verweerder] verwacht niet dat hij nog elders kan gaan werken voordat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. [verweerder] heeft de hoogte van de billijke vergoeding verder afhankelijk gesteld van de vraag of aan hem een passende regeling op grond van de Cao moet worden toegekend. Indien dit het geval is, kan deze uitkering in mindering worden gebracht op de vast te stellen billijke vergoeding.
De kantonrechter zal daarom eerst ingaan op de vraag of de gemeente deze regeling aan [verweerder] moet toekennen.
4.36.
Op de arbeidsovereenkomst is de Cao gemeenten van toepassing. In artikel 10.22 van de Cao staat dat de werkgever die het voornemen heeft om de kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst met een werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden, voor die werknemer een passende regeling moet treffen, waarbij de werkgever de inhoud van paragraaf 1 en 2 van hoofdstuk 10 van de Cao (over de aanvullende uitkering en de na-wettelijke uitkering) en artikel 7:673 BW (over de transitievergoeding) moet betrekken, voor zover dat redelijk en billijk is.
4.37.
De gemeente heeft een dergelijke passende regeling niet aan [verweerder] aangeboden. [verweerder] verzoekt de kantonrechter daarom te bepalen dat aan hem een bovenwettelijke aanvullende en na-wettelijke uitkering als bedoeld in de cao bepaling wordt toegekend, ten laste van de gemeente .
4.38.
De gemeente stelt zich op het standpunt dat een dergelijke regeling niet op zijn plaats is omdat [verweerder] een groot aandeel heeft in de verstoring van de arbeidsverhouding, maar hierin volgt de kantonrechter haar niet. In het voorgaande is geoordeeld dat de verstoorde arbeidsverhouding juist in ernstige mate aan de gemeente te wijten is.
4.39.
De gemeente heeft verder aangevoerd dat de cao per 1 januari 2026 is gewijzigd waardoor het de vraag is welke betekenis nog kan worden toegekend aan eerdere jurisprudentie over de bovenwettelijke uitkeringen op grond van de cao. [verweerder] heeft echter terecht aangevoerd dat artikel 10.22 van de cao niet is gewijzigd. De wijzigingen per 1 januari 2026 zien op de bovenwettelijke uitkering bij een ontslag wegens disfunctioneren. De regeling ten aanzien van de passende regeling bij een verstoorde arbeidsverhouding is niet gewijzigd. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat bij ontslag op grond van een verstoorde arbeidsverhouding als uitgangspunt geldt dat naast een WW-uitkering een aanvullende uitkering moet worden toegekend. Hiernaast dient een na-wettelijke uitkering te worden toegekend als het ontslag gelegen is in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de betrokken ambtenaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat aan deze jurisprudentie geen betekenis meer kan worden toegekend.
4.40.
Dit heeft tot gevolg dat de gemeente aan [verweerder] een passende regeling dient aan te bieden. Het verzoek van [verweerder] om de gemeente te veroordelen een dergelijke passende regeling te treffen, zal daarom worden toegewezen en wel zoals beschreven bij de beslissing.
4.41.
Bij toekenning van de passende regeling op grond van de cao, verzoekt [verweerder] de billijke vergoeding vast te stellen op in totaal € 227.957,11 bruto (bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2026). Dit bedrag bestaat uit loonschade tot aan het moment dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en pensioenschade.
4.42.
Ten aanzien van de loonschade is de kantonrechter met [verweerder] van oordeel dat hij een lang en specialistisch carrièreverloop heeft gehad als [functie 1] /
[functie 2] . Deze functies zijn schaars en gelet op de (negatieve) media-aandacht voor deze kwestie acht de kantonrechter het niet waarschijnlijk dat [verweerder] nog bij een andere gemeente in deze functie in dienst zal treden. Dit betekent echter niet dat [verweerder] geen enkele andere baan meer zal kunnen vinden voordat hij de leeftijd van 67 jaar en 3 maanden bereikt. Dat [verweerder] tot aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in het geheel geen inkomen kan vergaren, is dan ook geen gegeven. Wel bestaat er aanleiding om aan te nemen dat [verweerder] bij een andere werkgever (fors) minder zal verdienen dan zijn huidige salaris bij de gemeente . Dat [verweerder] inkomensschade zal lijden in de vorm van verlies aan looncapaciteit, staat dan ook voldoende vast.
4.43.
[verweerder] stelt verder dat hij een te verwachten pensioenschade zal lijden van € 65.000,00. Hij heeft hiertoe (onweersproken) aangevoerd dat hij € 600,00 bruto per maand minder pensioen opbouwt indien hij op dit moment met pensioen zou gaan ten opzichte van de AOW-gerechtigde leeftijd. Dat betekent dat hij levenslang € 7.200,00 per jaar minder pensioen zal ontvangen. Uitgaande van een levensverwachting van 18 jaar vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd betekent dit een bedrag € 129.600,00 bruto. Omdat hij tijdens werkloosheid nog 50% pensioen blijft opbouwen, gaat [verweerder] uit van een pensioenschade van afgerond € 65.000,00.
4.44.
De kantonrechter is van oordeel dat dit bedrag niet geheel kan worden meegenomen bij de vaststelling van de billijke vergoeding. Zij overweegt hiertoe dat de gemiddelde levensverwachting van een man in Nederland momenteel ligt op 80,5 jaar. [verweerder] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waarom in dit geval van dat gemiddelde moet worden afgeweken. Daarbij komt dat [verweerder] wellicht nog pensioen kan opbouwen als hij nog elders in dienst treedt voor het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd.
4.45.
Verder weegt de kantonrechter als omstandigheid mee dat [verweerder] in een gesprek met de gemeente zelf heeft aangegeven dat hij wellicht per 1 januari 2027 wilde stoppen met werken. [verweerder] heeft ter zitting weliswaar aangegeven dat hij dat nu niet meer van plan is maar gelet op deze uitspraak is het geen zekerheid dat [verweerder] tot aan zijn 67e jaar bij de gemeente zou hebben gewerkt.
4.46.
Ten slotte acht de kantonrechter van belang dat de Wet normering topinkomens (hierna: de WNT) onweersproken op de arbeidsrelatie van toepassing is. De WNT maximeert de salarissen en ontslagvergoedingen die werkgevers en topfunctionarissen van instellingen met een publieke taak kunnen overeenkomen, omdat het publiek geld betreft dat primair aangewend dient te worden voor de publieke taak. Hoewel de kantonrechter bij de vaststelling van de billijke vergoeding niet gebonden is aan de in de WNT opgenomen maximering (van € 75.000,00), neemt dit niet weg dat het doel en de strekking van die wet wel als relevante omstandigheid kan worden betrokken in de overwegingen over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding. Ook de aan [verweerder] te betalen billijke vergoeding wordt immers met publiek geld gefinancierd.
4.47.
Rekening houdende met al deze omstandigheden komt de kantonrechter tot het oordeel dat aan [verweerder] een billijke vergoeding toekomt van € 120.000,00.
mogelijkheid intrekking verzoek en proceskosten
4.48.
De gemeente krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden.
4.49.
De proceskosten komen voor rekening van de gemeente , omdat de gemeente overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan haar zijde. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.298,00 (€ 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.50.
Ook als de gemeente het verzoek intrekt, zal de gemeente de proceskosten van [verweerder] moeten betalen.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
stelt de gemeente in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 17 februari 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,
Voor het geval de gemeente het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2026,
5.3.
veroordeelt de gemeente om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 79.598,74 bruto,
5.4.
veroordeelt de gemeente om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 120.000,00,
5.5.
veroordeelt de gemeente om voor [verweerder] een passende regeling te treffen conform artikel 10.22 van de Cao Gemeenten met betrekking tot de aanvullende en na-wettelijke uitkering,
5.6.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af,
Voor het geval de gemeente het verzoek binnen die termijn intrekt:
5.9.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.10.
verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
CRvB 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216 en CRvB 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1549
Artikel 7:686a lid 6 BW. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|